donderdag 30 juni 2011

Lucy Wainwright Roche - Lucy

Ik vraag me de afgelopen weken met enige regelmaat af wat er bij de diverste samenstellingen van de familie Wainwright in het water zat. Van de kinderen die Loudon Wainwright III en Kate McGarrigle kregen, bleken zoon Rufus en dochter Martha zeer getalenteerd en hetzelfde blijkt nu te gelden voor de dochter die Loudon kreeg met de van The Roches bekende Suzzy Roche. Lucy Wainwright Roche is een paar jaar jonger dan haar inmiddels bekende halfbroer en halfzus, maar laat op haar debuut Lucy horen dat ook voor haar een glansrijke carrière in het verschiet ligt. Echt makkelijk gaat dit tot dusver niet. Lucy werd in de herfst van 2010 voor het eerst uitgebracht, maar wist ondanks, of misschien wel dankzij, de beroemde achternamen die Lucy draagt niet heel veel aandacht te trekken. De tweede poging lijkt vooralsnog geslaagder en dat is volkomen terecht. Lucy is immers een hele mooie plaat vol tijdloze singer-songwriter muziek. Vergeleken met halfbroer Rufus en halfzus Martha maakt Lucy wat traditioneler aandoende en wat meer ingetogen muziek. Het is muziek die in muzikaal opzicht hoorbaar is geïnspireerd door het werk van Joni Mitchell; muziek die voor een belangrijk deel ruim voor de geboorte van Lucy Wainwright Roche werd gemaakt. In vocaal opzicht doet Lucy me vooral denken aan de platen van Patty Griffin, waarschijnlijk door haar lichte countrysnik. Op Lucy wordt Lucy Wainwright Roche uiteraard bijgestaan door haar beroemde familieleden (vader Loudon komt voorbij en moeder Suzzy duikt op met de voltallige Roches), maar ook de Indigo Girls en Kelly Hogan geven act de presence. Voor de beroemde muzikale gasten is slechts een bescheiden rol weggelegd, want het meeste doet Lucy Wainwright Roche gewoon zelf. Lucy is een behoorlijk sobere plaat met mooie luisterliedjes. Hoewel Lucy een flinke dosis Wainwright melancholie met de paplepel kreeg ingegoten, zijn haar liedjes wat minder zwaar op de hand dan die van haar familieleden. Lucy heeft daarom wat minder impact dan de platen van bijvoorbeeld Rufus en Martha, maar wanneer je de plaat de tijd geeft om te rijpen openbaart de schoonheid van de muziek van Lucy Wainwright Roche zich vanzelf. De mooiste track op Lucy vind ik persoonlijk het door Paul Simon geschreven en van Simon & Garfunkel bekende America. De meerstemmige versie van Lucy Wainwright Roche en The Roches is misschien nog wel mooier dan het origineel en dat zegt wat. Dat ik een voorkeur geef aan een cover betekent overigens niet dat de songwriting skills van Lucy Wainwright Roche minder goed ontwikkeld zijn. Hoewel de songs op Lucy niet allemaal even sterk zijn, overtuigt Lucy Wainwright Roche absoluut als songwriter. Het belangrijkste probleem van Lucy Wainwright Roche is vooralsnog dat ze moet opboksen tegen haar beroemde en wat duidelijker geprofileerde familieleden. Qua persoonlijkheid legt de wat lieflijke Lucy het misschien nog wat af tegen Martha, Loudon en Rufus, maar het gaat mij uiteindelijk om de muziek. De enige mogelijke conclusie is wat mij betreft dan ook dat Lucy Wainwright Roche met Lucy een prachtig debuut heeft afgeleverd dat naar veel en veel meer smaakt, net als dat water bij de Wainwrights thuis. Erwin Zijleman

woensdag 29 juni 2011

Dave Stewart - The Blackbird Diaries

Voormalig Eurythmics voorman Dave Stewart was voor mijn gevoel de afgelopen jaren compleet uit beeld verdwenen. Zijn laatste soloplaat stamt uit 1999 en ook in productioneel opzicht deed Stewart het afgelopen decennium nauwelijks van zich spreken. Dat hij de afgelopen jaren zeer actief is geweest voor Greenpeace en zich heeft ingezet voor de verkiezingscampagne van Barack Obama is me volledig ontgaan, zodat het bericht eerder dit jaar dat Stewart samen met Mick Jagger, Joss Stone, Damian Marley en Bollywood producer AR Rahman de supergroep Super Heavy vormt voor mij een eerste levensteken in lange tijd was. Sindsdien duikt Dave Stewart echter weer met enige regelmaat op. Zo nam hij een deel van de productie van Stevie Nick’s verrassend sterke nieuwe plaat In Your Dreams voor zijn rekening en produceerde hij de geweldige nieuwe plaat van Joss Stone (LP1), waarover binnenkort meer. In afwachting van het debuut van Super Heavy vond Stewart ook nog de tijd voor zijn eerste soloplaat in vele jaren, The Blackbird Diaries. Voor zijn nieuwe plaat deed Dave Stewart een beroep op muzikale vrienden als Martina McBride, Stevie Nicks, Colbie Caillat en The Secret Sisters en het resultaat mag er zijn. The Blackbird Diaries werd opgenomen in de Blackbird studio’s in Nashville en klinkt een stuk rootsier dan we van Dave Stewart gewend zijn. Waar Dave Stewart in het verleden voornamelijk uitermate Brits klonk, klinkt The Blackbird Diaries vooral zeer Amerikaans. De dertien tijdloos klinkende songs op The Blackbird Diaries bevatten voornamelijk invloeden uit de country, blues, folk en niet te vergeten rock. Het zijn songs waarin ingetogen momenten steeds worden afgewisseld met stevigere passages waarin de gitaren lekker los mogen gaan. In muzikaal opzicht doet het allemaal behoorlijk denken aan de laatste platen van Bob Dylan, al heeft Dave Stewart voor het gitaarwerk meer geluisterd naar Neil Young en klinkt zijn stem op zijn donkerst meer als die van Johnny Cash. In een aantal tracks laat Dave Stewart zich bijstaan door de hierboven al genoemde zangeressen en persoonlijk vind ik dit een wijs besluit. Ondanks het wat zoetsappige karakter van de duetten geven ze de plaat wat meer dynamiek en variatie, waardoor The Blackbird Diaries meer is dan een aangenaam voortkabbelende rootsplaat. The Blackbird Diaries is een lekker in het gehoor liggende en goed gemaakte plaat die door liefhebbers van de genres die Dave Stewart op deze plaat bestrijkt snel omarmd zal worden, maar het is ook een plaat die zich door het veelvuldig geëtaleerde muzikale vakmanschap onderscheid van die van de concurrentie. Ik kan me eigenlijk geen soloplaat van Dave Stewart herinneren die op mij ook maar enige indruk heeft gemaakt, maar The Blackbird Diaries doet dit wel. De plaat doet me bovendien positief uitkijken naar het debuut van Super Heavy; een debuut waar ik tot dusver totaal geen vertrouwen in had, maar dat dankzij de volledig opgebloeide Dave Stewart best nog eens de moeite waard zou kunnen zijn. Als het tegenvalt hebben we altijd het uitstekende The Blackbird Diaries nog. Erwin Zijleman

dinsdag 28 juni 2011

Larkin Poe - Band For All Seasons

Jessica, Megan en Rebecca Lovell maakten in 2009 als The Lovell Sisters het naar veel meer smakende Time To Grow. Tijd om te groeien kregen de zusjes helaas niet, want toen Time To Grow nog maar net in de winkel lag, ging Jessica haar eigen weg. Megan en Rebecca gingen verder als Larkin Poe en brachten het afgelopen jaar een viertal minalbums uit: Spring, Summer, Fall en Winter. Ik moet eerlijk bekennen dat ik ze alle vier heb gemist en vrees dat ik hier niet alleen in sta. Heel erg is dat niet, want de vier schijfjes zijn nu samen verpakt in een box-set die luistert naar de naam Band For All Seasons. Band For All Seasons bevat 31 tracks en het zijn tracks van een verrassend hoog niveau. Vergeleken met de muziek van The Lovell Sisters, die diep was geworteld in de bluegrass en traditionele countrymuziek, klinkt de muziek van Larkin Poe een stuk moderner en lichtvoetiger. Invloeden uit de bluegrass en traditionele country zijn vanwege de instrumenten die de zusjes bespelen (mandoline, ukelele, dobro en lap steel) niet helemaal verdwenen, maar invloeden uit de folk, pop, jazz en rock hebben duidelijk aan terrein gewonnen. De fris klinkende muziek van Larkin Poe doet me geregeld denken aan die van Nickel Creek, maar Larkin Poe schuift net zo makkelijk op in de richting van de Dixie Chicks of zelfs 10,000 Maniacs. Hoewel de vier minialbums zich in dezelfde genres bewegen en met dezelfde muzikanten zijn gemaakt, klinkt de invloed van de seizoenen subtiel door. Spring en Summer zijn wat lichtvoetiger en zonniger, terwijl Fall en Winter net wat meer ruimte bieden aan de wat donkerdere en melancholischere tracks. In vrijwel alle tracks vallen drie dingen op. Allereerst klinken de stemmen van Megan en Rebecca niet alleen prachtig bij elkaar, maar versterken deze stemmen elkaar ook, wat het nodige kippenvel oplevert. Hiernaast is de instrumentatie wonderschoon en zeer trefzeker. De traditioneel klinkende instrumenten die de zusjes Lovell zelf bespelen worden fraai gecontrasteerd door de wat meer pop en rock georiënteerde instrumenten van de band, wat een bijzonder en ook nog eens aangenaam geluid oplevert. Tenslotte zijn de dames van Larkin Poe zeer getalenteerde songwriters, die hun hand niet omdraaien voor toegankelijke deuntjes, maar ook niet vies zijn van wat meer diepgang. De vier cd’s van Band For All Seasons doen het uitstekend in de auto, maar doen ook op mijn iPod inmiddels uitstekende zaken. Het blijft jammer dat The Lovell Sisters zo snel uit elkaar zijn gevallen, maar met Larkin Poe is een uitstekend en misschien zelfs wel beter alternatief voorhanden. Band Of All Seasons laat 31 tracks lang horen over hoeveel talent Megan en Rebecca Lovell beschikken en smaakt naar veel meer. Valt er dan helemaal niets te klagen? Jawel, de getekende hoesjes van de vier minialbums vind ik veel mooier dan de wat saaie foto op de voorkant van het boxje. Zet ze los in de kast en ook dit minpuntje is als sneeuw voor de zon verdwenen. Erwin Zijleman

maandag 27 juni 2011

Paul McCartney - McCartney & McCartney II, Deluxe Editions

Na de mooie reissue van Band On The Run vorig jaar, liggen er deze maand wederom twee fraaie heruitgaven van het werk van Paul McCartney in de winkel. Dit keer gaat het om de eerste twee echte soloplaten van de voormalige Beatle; McCartney uit 1970 en McCartney II uit 1980. In de tussenliggende periode maakte McCartney een achttal platen met Wings, een plaat met zijn vrouw Linda (het geweldige Ram, mijn persoonlijke favoriet uit het oeuvre van McCartney) en stiekem misschien nog wel een soloplaat onder het pseudoniem Percy Thrillington. De heruitgaven van McCartney en McCartney II zijn, zeker in de meest luxe versie, bijzonder fraai uitgevoerd en voorzien van extra bonusmateriaal. In de recensies die tot dusver op het Internet en in de muziekbladen zijn verschenen wordt, tot mijn grote verbazing, McCartney II in de meeste gevallen verkozen als beste van de twee. Zelf heb ik nooit wat gehad met McCartney II en ik hoor er eerlijk gezegd nog steeds niet zo heel veel in. In een jaar waarin de muziekwereld op zijn kop stond vanwege de bloei van de punk, new wave en post-punk, kwam McCartney op de proppen met wat mij betreft nogal zouteloze popsongs. McCartney II opent met de destijds redelijk succesvolle single Coming Up en deze zet direct de toon. Het is een eenvoudig popliedje met een grappig refreintje dat verder vooral opvalt door het gebruik van nogal kitscherig klinkende elektronica. Het is een omschrijving die van toepassing is op heel veel songs op McCartney II en het zijn ook nog eens songs die de tand des tijd niet al te best hebben doorstaan. Slecht is het allemaal niet en een aantal songs verdienen na objectieve beluistering een voldoende of zelfs een ruime voldoende, maar vrijwel nergens hoor ik de geniale songwriter die McCartney was en nog steeds is. Vanwege de fraaie verpakking en vooral vanwege een aantal opvallend sterke bonustracks, die in veel gevallen beter zijn dan de tracks die het album wel haalden, wil ik deze reissue wel in de kast hebben staan, maar of hij er vaak uit zal komen? Dat ligt anders voor de heruitgave van McCartney; de soloplaat die McCartney maakte en uitbracht voor de release van het slotakkoord van The Beatles. McCartney is een voor het overgrote deel behoorlijk ingetogen soloplaat, waarop McCartney zelf alle instrumenten bespeelt. Hoewel ook McCartney niet van constante kwaliteit is (maar dat geldt eigenlijk voor al het solowerk van McCartney) staat er veel moois op. Denk aan het nog geen twee minuten durende Junk, het folky That Would Be Something en natuurlijk klassieker Maybe I’m Amazed; volgens McCartney zelf de beste song die hij tot dusver schreef. McCartney is over de hele linie genomen een sterke en avontuurlijke soloplaat, die ook ruim 40 jaar na de release nog maar weinig van zijn kracht heeft verloren. Helaas is McCartney niet zo ruim voorzien van bonusmateriaal als McCartney II, maar gezien de kwaliteit van de hoofdschotel is dit ook niet nodig. De nieuwe versie van McCartney klinkt overigens veel beter dan de versie die een paar jaar geleden op cd verscheen, dus ook voor een ieder die de cd al lang in de kast heeft staan is deze heruitgave interessant. Persoonlijk zou ik in beide gevallen gaan voor de meest luxe versie, inclusief DVD. Het extra beeldmateriaal is, zeker voor McCartney, interessanter dan de extra audio tracks. Het kost wat, maar dan heb je ook wat, zeker wanneer je kiest voor de nieuwe versie van McCartney. Erwin Zijleman





Paul McCartney - McCartney II, Deluxe Edition

zondag 26 juni 2011

Tijdschrift: Q 300

Deze maand is al weer de 300e editie van het tijdschrift Q verschenen, wat betekent dat het Britse muziektijdschrift precies 25 jaar mee gaat. In al die jaren is er niets eens zo heel veel veranderd. Q richt zich op de lezer die zijn of haar maandelijkse portie muzieknieuws liever iets luchtiger gepresenteerd krijgt dan in tijdschriften als Uncut en Mojo het geval is en bovendien meer is geïnteresseerd in nieuwe ontdekkingen dan in het verdiepen van de bestaande kennis van de grootheden uit de geschiedenis van de popmuziek. In de 300e editie blikt Q uiteraard uitvoerig terug op haar roemruchte verleden, maar het tijdschrift komt ook met een lang en mooi Adele interview en uiteraard met stapels cd recensies, die zoals altijd heel makkelijk lezen, maar desondanks zijn voorzien van de benodigde diepgang. Zoals we van Q gewend zijn is alles mooi vormgegeven, van de tekstopmaak tot de foto's. Een prima tijdschrift om lekker mee in de zon te zitten de komende dagen. Je steekt er nog heel wat van op ook. Erwin Zijleman

Bestel het tijdschrift Q nu online bij MagVilla.nl

The Pierces - You & I

De Amerikaanse zusjes Catherine en Allison Pierce maken als The Pierces inmiddels een aantal jaren platen. Het is 2004 verschenen Light Of The Moon was mijn eerste kennismaking met de muziek van de zusjes uit Birmingham, Alabama, en het was een kennismaking die naar veel meer smaakte. Op het in 2007 verschenen Thirteen Tales Of Love And Revenge verruilden de zusjes Pierce hun traditioneel aandoende folksongs voor een vrijwel onweerstaanbare mix van folk, rock, new wave en vooral heel veel pop. Persoonlijk vind ik Thirteen Tales Of Love And Revenge nog altijd een geweldige plaat, een miskend meesterwerk en het ultieme vermaak in één, maar helaas dachten de meeste critici en muziekliefhebbers hier anders over. Het was de afgelopen jaren relatief stil rond de donkere en de blonde Pierce telg, maar met You And I zijn The Pierces gelukkig weer terug. You And I klinkt weer anders dan zijn voorgangers, maar is minstens even verleidelijk en onweerstaanbaar als Thirteen Tales Of Love And Revenge. Waar Thirteen Tales Of Love And Revenge meer dan eens teruggreep op 50s doo wop, 60s girl pop en 70s new wave, lijken The Pierces de meeste inspiratie voor You And I gevonden te hebben in de jaren 70 en 80. De breakup plaat You And I (het einde van Catherine’s relatie met de van The Strokes bekende Albert Hammond Jr. wordt uitvoerig belicht) is hoorbaar geïnspireerd door collega breakup plaat Rumours van Fleetwood Mac, maar ook de wat zonnigere muziek van onder andere The Bangles, The Go-Go’s, Wilson Phillips en The Mamas & the Papas heeft absoluut invloed gehad op de nieuwe plaat van The Pierces, die in hun wat meer rootsy momenten bovendien meer dan eens doen denken aan The Indigo Girls in hun beste dagen. You And I is nog een stuk toegankelijker dan zijn voorganger en is bij vlagen zelfs zo zonnig en lichtvoetig dat je niet goed hoort wat de zusjes Pierce in huis hebben. De door Coldpay bassist Guy Berryman geproduceerde plaat verleidt makkelijk met zonnige Westcoast klanken, maar beschikt ook wel degelijk over diepgang. Nagenoeg alle songs op You And I zijn knap in elkaar geknutseld en voorzien van een warme en mooi geproduceerde instrumentatie. De zoete en over het algemeen prachtige meerstemmige vocalen van Catherine en Allison Pierce zijn de slagroom en de kers op de taart. Heel even overheerste bij mij de teleurstelling over het verlaten van het zo bijzondere muzikale pad van Thirteen Tales Of Love And Revenge, maar The Pierces hadden niet veel tijd nodig om me wederom te winnen voor hun muziek. You And I is een plaat vol tijdloze muziek die aangenaam verwarmt. Vernieuwend is het geen moment, maar de plaat is zo goed en zo aanstekelijk dat iedere liefhebber van dit soort muziek uiteindelijk voor de bijl gaat. Meestal is dit ruim voordat de laatste track van de plaat bereikt is. Erwin Zijleman

vrijdag 24 juni 2011

Thea Gilmore - John Wesley Harding

De Britse singer-songwriter Thea Gilmore wordt al jaren geroemd door de alternatieve Britse muziekpers, maar is voor velen helaas nog altijd een grote onbekende. Dat is gezien de kwaliteit van haar inmiddels redelijk omvangrijke oeuvre niet alleen onbegrijpelijk maar ook zeer onterecht. Thea Gilmore leverde de afgelopen 12 jaar een dozijn platen af, waarvan zeker de helft bovengemiddeld goed is. Zelf koester ik met name Rules For Jokers uit 2001, Avalanche uit 2003 en Songs From The Gutter uit 2005, maar ook de platen die Thea Gilmore de afgelopen jaren uit heeft gebracht mogen er zijn. Het onlangs verschenen John Wesley Harding is, zoals de titel al doet vermoeden, een eerbetoon aan Bon Dylan, die vorige maand zijn 70e verjaardag vierde. Op John Wesley Harding covert Thea Gilmore alle twaalf tracks van de gelijknamige klassieker uit 1967, waarop Bob Dylan zijn wat meer rock georiënteerde geluid tijdelijk verruilde voor een geluid waarin invloeden uit de country domineerden. Nu heeft Thea Gilmore een verleden wanneer het gaat om het coveren van Bob Dylan songs. Haar versie van I Dreamed I Saw St. Augustine (ook afkomstig van Dylan’s John Wesley Harding en een van de hoogtepunten van Gilmore’s Songs From The Gutter) reken ik tot de mooiste Dylan covers ooit. Het coveren van een complete Dylan plaat leek me op voorhand echter een riskante onderneming. Het valt immers niet mee om iets toe te voegen aan een klassieker uit de geschiedenis van de popmuziek en zeker niet aan een klassieker uit het oeuvre van een eigenzinnige grootheid als Bob Dylan. Toch blijkt Thea Gilmore’s versie van John Wesley Harding een prima plaat. De in slechts zeven dagen opgenomen remake van de klassieker uit 1967 is hoorbaar met veel liefde gemaakt en ondanks het feit dat Thea Gilmore over het algemeen dicht bij de oorspronkelijke versie blijft, geeft ze haar eigen draai aan de Dylan plaat die in 1967 niet juichend werd ontvangen, maar later op de juiste waarde zou worden geschat. Thea Gilmore blijft op haar versie van John Wesley Harding misschien dicht bij het origineel, maar het is zeker geen kopie van dit origineel. Allereerst is de stem van Thea Gilmore natuurlijk anders dan die van Bob Dylan. Ook Thea Gilmore beschikt over een wat rauwe en rasperige strot, maar haar stem is een stuk melodieuzer dan die van Dylan. Ook de instrumentatie is net wat voller en verzorgder dan op het origineel en soms iets steviger (zo schuift Gilmore in haar versie van All Along The Watchtower flink op in de richting van de versie van Jimi Hendrix). De bijzonder fraaie gitaarlijnen van Robbie McIntosh (The Pretenders, Paul McCartney) springen hierbij het meest in het oor, maar ook de toevoegingen van dobro en mandoline dragen nadrukkelijk bij aan de aangename sfeer op Thea Gilmore’s versie van John Wesley Harding. Al met al voegt Thea Gilmore op subtiele wijze iets toe aan Dylan’s klassieker en blijft ze wat mij betreft volledig overeind. John Wesley Harding is niet Thea Gilmore’s beste plaat, maar biedt wel een aangename kennismaking met het werk van deze bijzondere singer-songwriter en onderstreept voor de zoveelste maal haar grote talent. Erwin Zijleman

Tijdschrift: Revolver's Lust for Life 012

Vorige maand las ik Revolver's Lust for Life voor het eerst, maar deze maand lijkt het tijdschrift al een oude bekende, wat absoluut als een compliment moet worden gezien. In Revolver's Lust For Life 012 staat een lang en objectief geschreven artikel over Prince centraal. Het begint bij de man's legendarische maar niet opzienbarende Paradiso concert van 29 mei 1981 en eindigt via vele omzwervingen in het heden. Alleen dit artikel rechtvaardigt de aanschaf van deze editie van het tijdschrift al, maar er is veel meer. Journalist Jaap van Eik blikt terug op de jonge jaren van Herman Brood met wie hij in twee bands speelde en voegt in lange tijd iets toe aan alles wat er over de Nederlandse rocklegende is geschreven. Ook de artikelen over Heather Nova, Randy Newman en Alice Cooper vallen in positieve zin op, waarna zo'n 30 pagina's met prima cd recensies het feest compleet maken. Revolver's Lust For Life staat tot dusver in de schaduw van grote broer Oor, maar wanneer het tijdschrift de hoge kwaliteit weet vast te houden hoeft dit zeker niet zo te blijven. Prima tijdschrift! Erwin Zijleman

Bestel het tijdschrift Revolver's Lust For Life nu online bij MagVilla.nl

donderdag 23 juni 2011

Bon Iver - Bon Iver, Bon Iver

Drie lange jaren zijn verstreken sinds de release van For Emma, Forever Ago, het debuut van Justin Vernon, oftewel Bon Iver. De in een afgelegen blokhut in Wisconsin opgenomen plaat werd overladen met jubelrecensies en eindige uiteindelijk hoog in menig jaarlijstje. Daar viel eigenlijk niets op af te dingen. De intieme en vaak wat beklemmende songs van Bon Iver bleken van een ongekende schoonheid en grepen de luisteraar genadeloos bij de strot. Sindsdien is vol verlangen uitgekeken naar en driftig gespeculeerd over de tweede plaat van Bon Iver. Bon Iver, Bon Iver ligt deze week in de winkel en blijkt een andere plaat dan zijn voorganger. For Emma, Forever Ago was een bijna verstilde plaat, waarop de intieme songs van Bon Iver tot op het bod waren uitgekleed en vaak niet meer dan een akoestische gitaar en een stem te horen was. Bon Iver, Bon Iver valt juist op door een behoorlijk vol en rijk geluid. De tweede plaat van Bon Iver is meer een bandplaat dan zijn in complete afzondering opgenomen voorganger en dat is in het begin wel even wennen. Op Bon Iver, Bon Iver wordt hier en daar flink uitgepakt met gitaren, pedal steel, drums, strijkers, blazers (vooral trompet en saxofoon) en elektronica, waardoor de indringende stem van Justin Vernon wat meer naar de achtergrond verdwijnt. Bon Iver, Bon Iver heeft hierdoor, zeker bij eerste beluistering, wat minder impact dan zijn zo indrukwekkende voorganger. Beluistering van Bon Iver, Bon Iver is, zeker in het begin, een zoektocht, maar het is een zoektocht die al snel resultaat oplevert. De tweede plaat van Bon Iver klinkt een stuk voller dan zijn zo intieme voorganger, maar van overdaad is geen sprake. Bon Iver heeft de songs op de nieuwe plaat zorgvuldig aangekleed. Met name de accenten die pedal steel virtuoos Greg Leisz aanbrengt zijn fraai, maar ook alle andere bijdragen zijn functioneel en trefzeker. Bon Iver kiest zeker niet voor de makkelijkste weg. De instrumentatie en arrangementen zijn verrassend en ongrijpbaar en doen me meer dan eens denken aan de briljante platen die Peter Gabriel aan het begin van de jaren 80 maken (platen die ook al zo nadrukkelijk doorklinken op de laatste twee platen van Elbow). Onder het wat vollere en avontuurlijke klankentapijt is Bon Iver echter gewoon Bon Iver gebleven. De falset vocalen zijn nogal altijd indringend en lopen wederom over van melancholie en ondanks het vollere geluid heeft ook Bon Iver, Bon Iver een bijzondere en vaak intieme sfeer. De tracks op de tweede plaat van Bon Iver bevatten allemaal verwijzingen naar plaatsnamen of plaatsen, wat de associatie oproept met de platen die Sufjan Stevens maakte over een aantal staten in de VS. Ook in muzikaal opzicht hoor ik wel wat raakvlakken met de muziek van de inmiddels wat afgedwaalde Sufjan Stevens, al vind ik de vergelijking met het oude werk van Peter Gabriel een stuk treffender. Ik heb Bon Iver, Bon Iver inmiddels vele malen voorbij horen komen en de lichte teleurstelling van de eerste luisterbeurten heeft inmiddels plaats gemaakt voor diepe bewondering voor het muzikale lef van Bon Iver. Waar meer van hetzelfde voor velen had volstaan, kiest Bon Iver voor het inslaan van avontuurlijke nieuwe wegen. Het levert een buitengewoon intrigerende plaat op die iedere keer weer net een stukje mooier is. Vooraf werd Bon Iver, Bon Iver al uitgeroepen tot de belangrijkste platen van 2011. Na enige twijfel denk ik inmiddels dat dit inderdaad het geval is. Erwin Zijleman

woensdag 22 juni 2011

Joseph Parsons - Hope For Centuries

Joseph Parsons heeft inmiddels een flink stapeltje prima platen op zijn naam staan, maar toch is de tegenwoordig vanuit Duitsland opererende Amerikaanse muzikant nog altijd voor velen een grote onbekende. Dat is jammer, want Joseph Parsons maakt muziek die in brede kring gewaardeerd zou moeten kunnen worden. Zijn nieuwe plaat luistert naar de titel Hope For Centuries en is waarschijnlijk de meest veelzijdige en de meest toegankelijke plaat van de Amerikaan. De vorige platen van Joseph Parsons werden over het algemeen in het hokje “Roots” gepropt (The Vagabond Tales uit 2005 en Heavens Above uit 2008 zijn zeker aanraders), maar Hope For Centuries is te breed georiënteerd voor dit hokje. Joseph Parsons (overigens geen familie van de vele beroemde Parsons telgen uit de geschiedenis van de popmuziek) maakt op Hope For Centuries pop en rock met een vleugje folk, country en blues. Hope For Centuries werd zo ongeveer live ingespeeld, waarbij Joseph Parsons een beroep deed op zijn vaste en uit alle windstreken afkomstige liveband. De plaat klinkt hierdoor als een geoliede machine die op vol vermogen draait, maar omdat veel aandacht is besteed aan de productie, die overigens werd verzorgd door de onder andere van door Nora Jones, Amos Lee en Steve Forbert bekende Devin Greenwood, klinkt de plaat ook verzorgd. De muziek van Joseph Parsons is in het verleden met van alles en nog wat vergeleken, waarbij de namen van Van Morrison en Robert Palmer het meest frequent opdoken. Helemaal onzinnig is dit vergelijkingsmateriaal niet, zeker in de wat meer bluesy songs hoor ik wel wat van Robert Palmer, maar erg overtuigend is het ook niet. Hope For Centuries bevat op het eerste gehoor lekker in het gehoor liggende en vaak wat ingetogen rocksongs die opvallen door de prima vocalen en de strak spelende band, waarin de prima gitarist de meeste aandacht naar zich toe trekt. Het is geen muziek die je constant verbaast doet opveren, maar het klinkt allemaal wel zo lekker dat je de cd in de cd-speler laat zitten tot de laatste noten weg ebben en een nieuwe luisterbeurt nooit heel ver weg is. Wanneer je wat beter naar de plaat luistert, blijkt Hope For Centuries ook in tekstueel opzicht interessant. Joseph Parsons vertelt mooie, vaak wat donkere verhalen, en vertolkt deze op oprechte en overtuigende wijze. Kortom, Hope For Centuries is zo’n plaat die normaal gesproken overwegend positieve recensies krijgt, door flink wat muziekliefhebbers wordt opgepikt en waaraan eigenlijk niemand zich een buil kan vallen. Normaal gesproken gaat tot dusver helaas niet op voor Joseph Parsons, maar dat moet met het uitstekende Hope For Centuries eindelijk maar eens gaan veranderen. Erwin Zijleman

dinsdag 21 juni 2011

Neil Young - A Treasure

De jaren 80 waren zeker niet de meest overtuigende jaren uit de carrière van Neil Young. Helemaal aan het eind van het decennium zou hij met Freedom een sterke plaat afleveren, maar alle andere platen die Neil Young gedurende de jaren 80 uitbracht waren matig tot zwak. Neil Young leefde in onmin met zijn platenmaatschappij en deed precies waar hij zelf zin in had, wat varieerde van country (Hawks & Doves, Old Ways), stevige rock (Re-ac-tor, Life) en elektronica (Trans) tot rockabilly (Everybody’s Rockin’), plastic 80s rock (Landing On Water) en rhythm & blues (This Note’s For You). Alleen in 1984 verscheen er geen plaat van de Canadees. Neil Young was in dat jaar, ook al weer tegen de zin van zijn platenmaatschappij, op tournee met een uit een stel ouwe country rotten bestaande band, The International Harvesters. De onlangs verschenen live-plaat A Treasure doet verslag van deze tour en blijkt verrassend goed. De toer volgde op waarschijnlijk de twee slechtste platen die Neil Young tijdens zijn carrière maakte (Trans en Everybody’s Rockin’), maar staat gelukkig ver van de elektronica van Trans en de rockabilly van Everybody’s Rockin’. Tijdens de tour met The International Harvesters, met onder andere de legendarische Spooner Oldham in de gelederen, stonden voor de afwisseling country en countryrock centraal. Waar Neil Young op zijn tijdens de jaren 80 uitgebrachte platen een matte en uitgebluste indruk maakte, had hij er op het podium duidelijk zin in. Geïnspireerd door een fantastisch spelende band klinkt Young op A Treasure buitengewoon gedreven. Op de plaat zul je tevergeefs zoeken naar de bekende tracks uit het rijke oeuvre van Neil Young. A Treasure bevat naast een tweetal bijna onherkenbare tracks van Re-ac-tor, een cover van Buffalo Springfield’s Flying On The Ground Is Wrong en twee tracks van het pas na de tour verschenen Old Ways, maar liefst vijf niet eerder uitgebrachte tracks. Het materiaal varieert van behoorlijk traditionele akoestische country tot de gruizige countryrock waarmee Neil Young gedurende zijn carrière wel vaker aan de haal ging. In muzikaal opzicht staat het als een huis en ook in vocaal opzicht heb ik er helemaal niets op aan te merken (wat ook wel eens anders is bij Neil Young). De uren die Neil Young gedurende de jaren 80 in de studio doorbracht moeten een ware martelgang zijn geweest, maar op het podium klinkt hij gedreven en bevrijd. Neil Young heeft de afgelopen in het kader van het Archives project al meerdere liveplaten uitgebracht en ze zijn eigenlijk allemaal beter dan de reguliere live-platen uit zijn oeuvre (waarvan alleen Live Rust echt goed is). A Treasure doet niet onder voor de andere platen in de serie en laat voor de afwisseling eens horen dat Neil Young tijdens de jaren 80 ook muziek maakte die er wel toe deed. A Treasure leek me op voorhand een wat pretentieuze titel voor een plaat, maar inmiddels kan ik alleen maar concluderen dat het een vlag is die de lading volledig dekt. Erwin Zijleman

maandag 20 juni 2011

The Cars - Move Like This

De Amerikaanse band The Cars is nooit erg serieus genomen in Nederland en wordt tot op de dag van vandaag door velen versleten als een “one hit wonder”; een status die ze te danken hebben aan hun debuutsingle My Best Friend’s Girl. Persoonlijk reken ik The Cars echter tot de belangrijkste Amerikaanse new wave bands uit de late jaren 70 en schaar ik de eerste twee platen van de band, The Cars uit 1978 en Candy-O uit 1979, onder de klassiekers uit de geschiedenis van de popmuziek. De eerste twee platen van de band uit Boston stonden vol met perfecte popsongs vol invloeden uit de new wave, powerpop en rock, die tot op de dag van vandaag niets van hun kracht en urgentie hebben verloren. Na de eerste twee platen ging het snel bergafwaarts met The Cars, al was Heartbeat City uit 1984 nog best aardig. Sinds het uit elkaar vallen van de band halverwege de jaren 80 is er met name in de Verenigde Staten geschreeuwd om een reünie van de band, maar deze kwam door het afhouden van voorman en inmiddels gerenommeerd producer Ric Ocasek nooit van de grond. Tot nu dan. Op Move Like This zijn alle nog in leven zijnde leden van het eerste uur (bassist/zanger Ben Orr overleed in 2000) van de partij en doen The Cars een poging om het oude vuur weer op te stoken. Dat is wat mij betreft uitstekend gelukt. Op Move Like This doen The Cars geen poging om afstand te nemen van hun roemruchte verleden, maar gaan ze eigenlijk gewoon verder waar ze in 1979 ophielden. Ook Move Like This staat hierdoor vol met volstrekt onweerstaanbare popliedjes die weliswaar geworteld zijn in de powerpop en new wave van de late jaren 70, maar op één of andere manier ook bijzonder eigentijds klinken. Vrijwel alle songs op Move Like This zijn van het type dat na één keer horen met geen mogelijkheid meer uit je hoofd is te krijgen en een groot deel van de songs, die zowel door gitaren als synths worden gedragen, verveelt ook na vele keren horen nog niet, waardoor Move Like This een verslavende werking heeft. Omdat Move Like This wel erg nadrukkelijk voortborduurt op successen uit het verleden, is het wat mij betreft geen plaat om heel druk over te doen, maar probeer de perfecte popsongs op deze comebackplaat maar eens te weerstaan. Move Like This opent geweldig met een aantal instant klassiekers, zakt hierna iets in en sluit vervolgens ijzersterk af. De tien tracks op de comebackplaat van The Cars zijn inmiddels al vele malen voorbij gekomen en in de meeste gevallen zet ik de plaat na het uitdoven van de laatste tonen gewoon nog een keer op. Move Like This van The Cars bewijst wat mij betreft niet alleen het ongelijk van een ieder die in het verleden schamper deed over de muziek van de band, maar laat ook horen dat de band bijna 35 jaar na dato nog steeds muziek maakt die er toe doet en vele jonge honden die zich op een vergelijkbaar terrein begeven het nakijken geeft. Onweerstaanbaar lekker, maar ook nog eens bijzonder knap. Erwin Zijleman

zondag 19 juni 2011

Scott Matthew - Gallantry's Favorite Son

Je zou het soms bijna vergeten, maar het is op het moment echt zomer. Het is een jaargetijde waarin ik eigenlijk geen nieuwe plaat van Scott Matthew verwacht. De muziek van de in Australië geboren, maar al jaren vanuit de Verenigde Staten opererende muzikant, roept bij mij voornamelijk associaties op met vallende blaadjes en dagen waarop het daglicht laat komt en vroeg weer verdwijnt. Zijn nieuwe plaat Gallantry’s Favorite Son verandert hier op zich weinig aan. Gallantry’s Favorite Son is misschien net iets luchtiger dan voorgangers Scott Matthew uit 2008 en There Is An Ocean That Divides And With My Longing I Can Charge It With A Voltage That's So Violent To Cross It Could Mean Death (!) uit 2009, maar Scott Matthew blijft toch een muzikant die iedere willekeurige vrolijke meezinger kan veranderen in een donker tranendal. Dat heeft voor een belangrijk deel te maken met de stem van de Australische Amerikaan. Scott Matthew verenigt in zijn stem het beste van Elvis Costello, Antony Hegarty, David Bowie en Gavin Friday en combineert dit met het cynisme van Morrissey. Ook in muzikaal opzicht is de muziek van Scott Matthew behoorlijk somber. De songs op Gallantry’s Favorite Son bevatten voornamelijk donkere en stemmige klanken en het tempo is vrijwel zonder uitzondering laag. Scott Matthew maakt al met al muziek waar je tegen moet kunnen en waarvoor je in de stemming moet zijn, maar wanneer aan beide voorwaarden is voldaan valt er ook op Gallantry’s Favorite Son weer heel veel moois te ontdekken. De instrumentatie op Gallantry’s Favorite Son is vergeleken met die op zijn voorgangers uiterst sober. Over het algemeen heeft Scott Matthew genoeg aan een beetje gitaar of ukelele aangevuld met wat donkere pianoakkoorden. Drums en cello voegen hier en daar wat accenten toe, maar opdringerig zijn deze nauwelijks. Wat wel opvalt is het gebruik van koortjes in een aantal van de tracks, wat de muziek van Scott Matthew direct iets minder zwaarmoedig maakt. De donkere akoestische klanken kleuren keer op keer bijzonder fraai bij de bijzondere stem van Scott Matthew, waarna zijn niet alledaagse songs de rest doen. Het heeft misschien te maken met de donkere wolken die de afgelopen dagen veelvuldig overtrekken, maar op een of andere manier komt Gallantry’s Favorite Son ook midden in de zomer uitstekend tot zijn recht. Om de muziek van Scott Matthew op de juiste waarde te kunnen schatten moeten de blaadjes eigenlijk van de bomen vallen, maar voorlopig durf ik wel te concluderen dat de eigenzinnige muzikant zijn beste en meest toegankelijke plaat tot dusver heeft gemaakt. Iedereen die geniet van de laatste platen van Gavin Friday en Antony & The Johnsons en hoopt op de wederopstanding van Elvis Costello en met name David Bowie moet Gallantry’s Favorite Son zeker eens proberen, al valt waarschijnlijk geen enkele muziekliefhebber zich een buil aan deze fraaie plaat. Erwin Zijleman

vrijdag 17 juni 2011

Eilen Jewell - Queen Of The Minor Key

De eerste twee platen van de Amerikaanse singer-songwriter Eilen Jewell deden nog niet zo veel, maar sinds het in 2007 verschenen Letters From Sinners & Strangers mag Eilen Jewell zich rekenen tot de lievelingen van zowel de critici als de liefhebbers van het genre. Letters From Sinners & Strangers werd in 2009 gevolgd door het nog veel betere Sea Of Tears, waarna in 2010 het “tussendoortje” Butcher Holler: A Tribute To Loretta Lynn verscheen. Het nu verschenen Queen Of The Minor Key moet wat mij betreft worden gezien als de ware opvolger van het prachtige Sea Of Tears en het is, om voor de afwisseling maar eens met het afsluitende oordeel te beginnen, een opvolger die de lat weer net een stukje hoger legt. Queen Of The Minor Key ligt in het verlengde van zijn voorgangers, maar perfectioneert het fraaie retro geluid van Eilen Jewell nog wat verder. Waar de Amerikaanse zich tot dusver liet bij staan door het trio waarmee ze ook op het podium staat, zijn op Queen Of The Minor Key ook subtiele bijdragen van blazers en een orgel te horen, wat de plaat een net wat voller en ook warmer geluid geeft. Ook op haar nieuwe plaat maakt Eilen Jewell weer muziek die net zo goed 40 of 50 jaar geleden gemaakt had kunnen worden. Het is wederom muziek die schakelt tussen meerdere genres. Eilen Jewell kan overweg met sobere folk, donkere country en bezwerende blues, maar draait ook haar hand niet om voor soulvolle gospel of broeierige rock and roll en rockabilly. Ondanks de veelheid aan genres is ook Queen Of The Minor Key weer een consistent klinkende plaat die vaart op het geweldige gitaarspel van Jerry Miller en de fraaie vocalen van Eilen Jewell. Het volle gitaarspel van Jerry Miller laat zich dit keer vooral inspireren door het gitaarwerk uit de 50s rock and roll en rockabilly en is niet vies van wat galm en echo. Het geeft de plaat een dynamisch tintje dat prima past bij de intense vocalen van Eilen Jewell. Op Queen Of The Minor Key zingt Eilen Jewell weer prachtig. De ene keer met een lichte snik en flink wat emotie, de andere keer met wat extra vuur en passie. Het zijn vocalen die de prima songs op Queen Of The Minor Key steeds weer net dat beetje extra geven dat nodig is om op te vallen in de overvolle vijver waarin de liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek mogen vissen. Queen Of The Minor Key is net als zijn voorgangers een plaat die gemakkelijk weet te verleiden, maar het is ook een plaat die pas na enige tijd alle geheimen prijs geeft, waardoor de plaat vooralsnog eigenlijk alleen maar beter wordt. Eilen Jewell blijft zelf bescheiden, maar met platen van dit kaliber schaart ze zich steeds nadrukkelijker onder de groten in het genre. Erwin Zijleman

donderdag 16 juni 2011

Fink - Perfect Darkness

Ik weet niet precies waar het aan ligt, maar tot dusver kon ik niet zo heel veel met de muziek van Fink. Zijn vorige platen klonken op zich best lekker, maar ik had steeds het idee dat het eerder en beter was gedaan en dat de muziek van de Brit op een of andere manier niet klopte. Nu heeft Finian Greenhall, want dat is de ware naam van Fink, zich de afgelopen jaren flink ontwikkeld. De ambient en triphop invloeden die zijn debuut uit 2000 domineerden hebben plaatsgemaakt voor een nogal eigenzinnig singer-songwriter geluid. Het is een inmiddels beproefd recept dat ook op Fink’s nieuwe plaat Perfect Darkness weer de basis vormt voor bijna alle songs. Akoestisch gitaarspel, soms eenvoudig, soms complex en repeterend en altijd duidelijk geïnspireerd door het werk van bijvoorbeeld Bert Jansch en John Fahey, bepaalt ook op Perfect Darkness weer voor een belangrijk deel de instrumentatie, hier en daar aangevuld met wat drums en elektronica. Vergeleken met de vorige platen van Fink, waarop de nodige effecten werden losgelaten op de muziek, klinkt Perfect Darkness opvallend helder en direct, wat de kwaliteit van de muziek van Fink wat mij betreft zeer ten goede komt. Ik heb nog altijd het idee dat er iets niet klopt in de muziek van de Brit en kan dit keer de vinger vrij nauwkeurig op de zere plek leggen. Het mooie akoestische gitaarspel en de donkere, wat weemoedige stem van Fink lijken vaak los van elkaar te opereren, wat de muziek van de Brit lastig te doorgronden maakt, maar ook iets intrigerends geeft. Na een paar keer op het verkeerde been te zijn gezet door de niet alledaagse songstructuren en de soms wat onlogische zanglijnen en melodieën, ben ik inmiddels gewend geraakt aan de muziek van Fink en begin ik Perfect Darkness steeds meer te waarderen. Voortkabbelend op de achtergrond hoor ik vooral warme en aangenaam klinkende singer-songwriter muziek die bijna achteloos lijkt gemaakt. Wanneer ik met aandacht naar de muziek van Fink luister hoor ik daarentegen de onverwachte wendingen en het avontuur en weet Fink me steeds weer te verrassen. Ik heb uit nieuwsgierigheid ook de vorige platen van de Brit er maar weer eens bij gepakt, maar deze platen hebben op mij toch niet hetzelfde effect als Perfect Darkness. Waar Biscuits For Breakfast en Sort Of Revolution voor mij toch vooral veel nauwelijks te combineren puzzelstukjes blijven, vallen de stukjes op Perfect Darkness prachtig in elkaar. Perfect Darkness is al met al een even eigenzinnige als aangename zomerplaat die absoluut gehoord moet worden. Erwin Zijleman

woensdag 15 juni 2011

Madeleine Peyroux - Standing On The Rooftop

De meningen over de muziek van de Canadese Madeleine Peyroux zijn zeer verdeeld. De één hoort in haar de Billie Holiday van het nieuwe millennium, terwijl de ander vooral een saai en slap aftreksel van de grote blues- en jazz-zangeressen uit het verleden hoort. Zelf behoor ik al sinds Madeleine Peyroux’s debuut Dreamland uit 1996 tot de eerste groep. Sindsdien werden haar platen wat mij betreft alleen maar mooier en indringender, wat twee jaar geleden resulteerde in het prachtige Bare Bones; de eerste plaat waarop Madeleine Peyroux uitsluitend eigen songs vertolkte. Op Standing On The Rooftop, de vijfde plaat van Madeleine Peyroux, kiest de Canadese zangeres vooral voor eigen songs, maar de plaat bevat ook een aantal covers. Persoonlijk vind ik dat geen probleem. Madeleine Peyroux is haar vaardigheden als songwriter nog volop aan het ontwikkelen, maar is inmiddels een meester in het vertolken van de songs van anderen. Madeleine Peyroux geeft op Standing On The Rooftop een bijzonder fraaie eigen draai aan songs van Lennon/McCartney, Bob Dylan en Robert Johnson, maar ook haar zelf gepende songs mogen er weer zijn. Voor haar vijfde plaat trok de Canadese een flink blik met gerenommeerde sessiemuzikanten open, onder wie grootheden als meestergitarist Marc Ribot, bassiste Me'Shell Ndegeocello en pianist Allen Toussaint, en deed ze bovendien een beroep op jazzproducer Craig Street. Standing On The Rooftop klinkt in muzikaal en productioneel opzicht geweldig, al zullen de criticasters van Madeleine Peyroux blijven beweren dat het allemaal wel erg braaf en gepolijst klinkt. Zelf ben ik het daar niet mee eens. Met name de gitaarpartijen op deze plaat vol atmosferische klanken zijn wonderschoon en bijzonder avontuurlijk, waardoor Standing On The Rooftop in muzikaal opzicht een spannende plaat is. Met uitzondering van het prachtige gitaarwerk is de instrumentatie op Standing On The Rooftop betrekkelijk sober, waardoor de rokerige vocalen van Madeleine Peyroux centraal staan. Het zijn vocalen die je koud laten of diep raken en het laatste is bij mij weer het geval. Madeleine Peyroux gaat op haar nieuwe plaat op emotievolle en doorleefde wijze aan de haal met blues, jazz, country, folk, soul en pop en laat horen dat ze in al deze genres uitstekend uit de voeten kan. Standing On The Rooftop is in eerste instantie een plaat voor warme zomeravonden en lome zondagochtenden, maar blijkt al snel een plaat die in iedere omgeving en op ieder tijdstip tot zijn recht komt. De twee kampen die Madeleine Peyroux omringen zullen het waarschijnlijk nooit eens worden, maar ik vind Standing On The Rooftop een even knappe als aangename plaat die wederom iets toevoegt aan het inmiddels vijfkoppige oeuvre van deze Canadese zangeres. Erwin Zijleman

dinsdag 14 juni 2011

Shiner Twins - Four Souls - One Heart

Nadat de leden van de band hun sporen hadden verdiend binnen de Nederlandse roots scene debuteerde Shiner Twins zo’n vijf jaar geleden met het overtuigende All In Store. De plaat, die zich liet beluisteren als een road trip door het zuiden van de Verenigde Staten, deed geen moment onder voor de platen van de moordende concurrentie in het genre en Shiner Twins schaarde zich in één keer onder de smaakmakers van de Nederlandse rootsmuziek. De lijn van All In Store werd bijzonder fraai doorgetrokken op het in 2008 verschenen Southern Belles, dat in muzikaal en compositorisch opzicht nog net wat beter was dan het al zo goede debuut. Southern Belles werd bijna bedolven onder de lovende recensies en bracht de band in Nederland en daarbuiten het zo verdiende succes. De afgelopen jaren kreeg Shiner Twins de nodige tegenslagen te verwerken. De studio waarin de band werkte aan haar derde plaat ging in vlammen op en tot overmaat van ramp overleed bassist Dick Wagensveld op het podium. Het zijn gebeurtenissen die hun sporen hebben nagelaten op Four Souls – One Heart. De derde plaat van Shiner Twins is een indrukwekkend eerbetoon aan hun overleden bassist en vriend, maar is boven alles een fantastische en veelzijdige rootsplaat. Ook op Four Souls – One Heart bestrijkt Shiner Twins het volledige spectrum van de Amerikaanse rootsmuziek en het doet dit op buitengewoon knappe en doorleefde wijze. Shiner Twins laat zich op Four Souls bijstaan door een aantal muzikale gasten, onder wie zanger Malford Milligan, gospelzangeressen Glenda Dotson en Sheree Smith, de onvolprezen JW Roy en toetsenist Roel Spanjers en het zijn stuk voor stuk gasten die iets toevoegen aan het geluid van Shiner Twins. Four Souls – One Heart is net als zijn twee voorgangers een muzikale ontdekkingsreis door het diepe zuiden van de Verenigde Staten, maar nog niet eerder was deze reis zo veelkleurig en zo indringend. Shiner Twins put op haar nieuwe plaat uit de archieven van de blues, gospel, country, Southern soul, Southern rock, folk, cajun en rootsrock en verpakt al deze invloeden in ijzersterke songs die ook nog eens perfect worden uitgevoerd. In muzikaal opzicht is het smullen geblazen, maar de belangrijkste kracht van de plaat zit hem in de bezieling waarmee de songs op Four Souls – One Heart worden uitgevoerd en de emotie die in deze songs is verpakt. Het levert een wonderschone rootsplaat op die de concurrentie met alle andere releases in het genre aan kan. Nationaal en internationaal. Petje af voor Shiner Twins. Erwin Zijleman

maandag 13 juni 2011

Brett Dennen - Lover Boy

Met So Much More leverde de Amerikaanse singer-songwriter Brett Dennen een jaar of vijf geleden een hele sterke plaat af. Op So Much More maakte de uit California afkomstige muzikant tijdloze muziek met invloeden uit de folk, pop en rock. Het was muziek die vooral opviel door de aanstekelijke songs en de gloedvolle en geheel eigen wijze waarop Brett Dennen deze songs vertolkte. Brett Dennen werd vergeleken met alles en iedereen, maar de omschrijving “Dylan met een vleugje Billie Holiday” vond ik zelf het meest treffend. Het drie jaar geleden verschenen Hope For The Hopeless was nog wat beter dan So Much More, maar ook met deze plaat brak Brett Dennen helaas geen potten. Dennen’s nieuwe plaat luistert naar de titel Lover Boy; een titel die prachtig contrasteert met het weinig flatteuze portret van de muzikant op de cover. Er zullen niet veel mannen- of vrouwenharten sneller gaan kloppen van Brett Dennen, maar iedereen met een muziekhart moet als een blok gaan vallen voor de nieuwe plaat van de Amerikaan. Lover Boy is nog een stuk aanstekelijker dan de vorige platen van Brett Dennen en bevat een serie popliedjes waarvan je alleen maar heel vrolijk kunt worden. Het zijn popliedjes die een stuk lichtvoetiger zijn dan die op Dennen’s vorige platen, wat mede wordt veroorzaakt door de brede inzet van blazers. Op Lover Boy flirt Brett Dennen opzichtig met pure pop met hier en daar een vleugje Latin, een beetje soul en een Afrikaans tintje. De muziek van Brett Dennen ontleent zijn kracht nog altijd voor een belangrijk deel aan de aangename stem van de Amerikaan en Dennen benut deze stem op Lover Boy nog een stuk beter dan op zijn vorige platen. Hij kan knauwen als Bob Dylan, uithalen als Billie Holiday, een falsetstem opzetten als een willekeurige Bee Gee, verleiden als Jack Johnson en betoveren als Paul Simon. Hiernaast doet Lover Boy ook nog eens denken aan Van Morrison (Brown Eyed Girl), Outkast (Hey Yah!), Bozz Scaggs (Lido Shuffle) en alles er tussenin. Lover Boy van Brett Dennen is een plaat die een regenachtige dag omtovert in een mooie zomerdag en een warme zomerdag voorziet van pure magie. Heel even vond ik het jammer dat Brett Dennen de folkpop van zijn vorige platen heeft verruild voor een geluid dat bijna gemaakt lijkt om populaire Amerikaanse tv-series te voorzien van een muzikale impuls (waarmee Brett Dennen overigens in de voetsporen treedt van zijn evenknie Ron Sexsmith), maar de verleidingskracht van Lover Boy is zo groot dat ik de plaat maar heel even kon weerstaan. Na twee bescheiden pareltjes moet deze glimmende diamant maar worden opgepikt door heel wat liefhebbers van perfecte popmuziek. je krijgt er zeker geen spijt van. Erwin Zijleman

zondag 12 juni 2011

The Naked And Famous - Passive Me, Agressive You

Wat kan de neiging om alle muziek in hokjes proberen te duwen je toch op het verkeerde been zetten. Passive Me, Aggressive You, het debuut van de Nieuw-Zeelandse band The Naked And Famous, heb ik al heel lang liggen, maar dankzij het label electropop had ik er tot dusver steeds geen zin in. Tot ik een paar dagen geleden bij toeval op de radio een briljant popliedje hoorde van, juist ja, The Naked And Famous. Sindsdien ben ik behoorlijk verslingerd geraakt aan Passive Me, Aggressive You en begrijp ik opeens alle lovende woorden in de pers. Het zal duidelijk zijn dat je The Naked And Famous met het label electropop flink tekort doet. De band uit Nieuw Zeeland schudt op haar debuut met achteloos gemak het ene na het andere briljante en volstrekt onweerstaanbare popliedje uit de mouw. Het zijn popliedjes waarin het geluid voor een belangrijk deel wordt bepaald door elektronica, maar op de achtergrond spelen de vaak gruizige gitaren en de onrustige drumpartijen een niet te onderschatten rol. De meest in het oor springende elementen in de muziek van The Naked en Famous zijn echter de heerlijke boy-girl vocalen van Alisa Xayalith en Thom Powers en hun voorliefde voor betoverende melodieën en grootse refreinen. The Naked And Famous maakt op haar debuut het soort popliedjes dat je maar één keer hoeft te horen om vervolgens nooit meer te vergeten. Omdat veel van de songs een ruw of eigenwijs randje hebben, bijvoorbeeld wanneer instrumenten de bocht uit vliegen of de vocalen op een aangename manier schreeuwerig worden, is het debuut van The Naked And Famous echter ook een plaat die je blijft verbazen en hierdoor blijft groeien. Met name wanneer de synths stevig worden ingezet hebben de songs van The Naked And Famous wel wat van die van Orchestral Manoeuvres In The Dark en The Human League, al is de muziek van de Nieuw-Zeelanders veel eigentijdser dan die van alle andere bands die een graantje proberen mee te pikken van de revival van 80s synth-pop en geeft het net als bijvoorbeeld MGMT een eigen draai aan de invloeden uit het inmiddels verre verleden. Passive Me, Aggressive You beperkt zich bovendien niet tot synth-pop. Het debuut van The Naked And Famous schuwt ook uitstapjes richting indierock, shoegaze, indiepop of postpunk niet en gelukkig houdt de band ook in deze uitstapjes vast aan haar sterkste wapens: de vocalen, de melodieën en de refreinen. Passive Me, Aggressive You bevat een aantal uitschieters, waaronder Young Blood dat me op de radio onmiddellijk wist te verleiden, maar ook een aantal wat mindere tracks. De minpuntjes vergeef ik een beginnend bandje graag, zeker omdat de uitschieters stuk voor stuk songs zijn om te koesteren. 2011 is tot dusver een prachtig muziekjaar zonder al te veel memorabele debuten. Deze plaat van The Naked And Famous is er echter absoluut een. Laat je niet misleiden door hokjes en etiketten. Erwin Zijleman

zaterdag 11 juni 2011

Marisa Yeamn - Voices From The Underground

De Australische singer-songwriter Marisa Yeaman draait inmiddels een aantal jaren met wisselend succes mee in de wereld van de rootsmuziek. Haar uit 2005 stammende debuut Pure Motive kreeg in rootskringen bijzonder positieve recensies en ook opvolger Roadmap Heart uit 2008 werd voornamelijk geprezen. Het leverde Marisa Yeaman weliswaar een plekje op in het voorprogramma van onder andere Ron Sexsmith, maar de op basis van de platen zo verdiende erkenning in bredere kring bleef helaas uit. Marisa Yeaman verruilde de afgelopen jaren het verre Australië voor muziekstad Austin in Texas, maar heeft zich inmiddels in het rootsminnende Nederland gevestigd. Met haar derde plaat, Voices From The Undergound, probeert de Australische muzikante wederom een plekje tussen de betere vrouwelijke singer-songwriters van het moment af te dwingen. Op basis van het gebodene op deze plaat lijkt dit me een kansrijke missie. Net als op haar vorige platen maakt Marisa Yeaman op Voices From The Underground lekker in het gehoor liggende singer-songwriter muziek, waarin zowel invloeden uit de country als uit de pop een plekje hebben gekregen, al hebben invloeden uit de country dit keer de overhand. In haar songs vertelt Yeaman mooie verhalen, waarbij het ver van huis zijn meer dan eens als thema opduikt. Omdat ze beschikt over een krachtige en doorleefde stem, komen al deze verhalen aan. Voices From The Underground is een plaat die absoluut impact zal hebben op de liefhebbers van het genre; mede omdat de instrumentatie op de plaat bijzonder verzorgd en aangenaam klinkt. Marisa Yeaman heeft met Voices From The Underground een overtuigende en evenwichtige plaat gemaakt die geen moment onder doet voor de recente platen van veel beroemdere collega’s in het genre. Het onderstreept de bewering dat we hier te maken hebben met een grote belofte in het genre, al is Marisa Yeaman de belofte na drie uitstekende platen wat mij betreft zo langzamerhand wel ontstegen. Ga dat horen en vooral ook zien! MarisA Yeaman heeft zich op het moment in Nederland gevestigd en is daarom op menig klein podium te zien de komende maanden. Check voor de data haar website: http://www.marisayeaman.com/tours.html. Erwin Zijleman

vrijdag 10 juni 2011

The Kinks - Face To Face / Something Else / Arthur, Deluxe Editions

Open een poll en vraag naar de belangrijkste Britse band uit de jaren 60. Ik voorspel een nek aan nek race tussen de Beatles en de Stones en geef The Who de beste kansen op de laatste plek op het podium. Ik ben benieuwd op welke plaats The Kinks uiteindelijk terecht komen. De band uit Londen heeft altijd in de schaduw gestaan van de andere grote Britse bands uit de jaren 60 en dat is zeker niet terecht. Achteraf bezien zijn The Kinks zeer invloedrijk geweest en bovendien een stuk vernieuwender dan menigeen denkt. Dat was nog niet zo goed te horen op de in het voorjaar verschenen Deluxe Editions van Kinks (1964), Kinda Kinks (1965) en The Kink Kontroversey (1965), maar op de deze week verschenen Deluxe Editions van Face To Face (1966), Something Else (1967) en Arthur, Or The Decline And Fall Of The British Empire (1969) hoor je The Kinks op hun best. Na een aantal aardige maar niet opzienbarende platen, was Face To Face uit 1966 de eerste plaat van The Kinks waarop de band zich wist te onderscheiden van de concurrentie. Waar de eerste platen nogal rommelig en direct klonken, hoor je op Face To Face voor het eerst de briljante popliedjes waarmee de band zou uitgroeien tot een inspiratiebron voor velen. Face To Face bevat Kinks klassiekers als Rainy Day In June, Fancy en natuurlijk Sunny Afternoon, maar ook de andere tracks mogen er zijn. Op Face To Face treden de Kinks voor het eerst buiten de gebaande paden van de Britse rockmuziek uit de jaren 60, bijvoorbeeld door net als The Beatles te experimenteren met Oosterse muziek en psychedelica, maar slaan ze ook in tekstueel opzicht nieuwe wegen in door de Britse samenleving vol rangen en standen een spiegel voor te houden. Het is een lijn die wordt doorgetrokken op Something Else uit 1967. Op deze plaat zijn de observaties van voorman Ray Davies nog scherper en zijn songs nog veelkleuriger en indrukwekkender. Something Else is de plaat van Death Of A Clown en vooral Waterloo Sunset (wat mij betreft met afstand de mooiste Kinks klassieker), maar ook alle andere tracks zijn van hoog niveau. Op Something Else hebben The Kinks tijdelijk afstand genomen van hun rockverleden en maken ze Britse pop die in 1967 zijn tijd heel ver vooruit was. Something Else moet worden gerekend tot de belangrijkste platen uit de geschiedenis van de popmuziek en heeft minstens net zoveel invloed gehad als Rubber Soul, Revolver, Beggars Banquet of Who’s Next, om maar een aantal platen te noemen. Het is een klassieker die in geen enkele platenkast of op geen enkele iPod mag ontbreken. Dat geldt in iets mindere mate ook voor het uit 1969 stammende Arthur (Or The Decline And Fall Of The British Empire). Arthur is een conceptplaat vol briljante momenten, maar is als geheel wat minder licht verteerbaar en ook wat minder aangenaam dan Something Else. Op Arthur schiet de muziek van The Kinks alle kanten op en worden folky ballads afgewisseld met behoorlijk stevige rocksongs. Het is een plaat die zich niet makkelijk laat doorgronden. Aan de ene kant omdat het meer is dan een collectie popsongs maar een geheel dat ook als zodanig beluisterd moet worden en aan de andere kant vanwege de dynamiek van de plaat. Behoorlijk zware kost als je het mij vraagt, maar na enige gewenning valt alles op zijn plaats. De Deluxe Editions van Face To Face, Something Else en Arthur zijn fraai verpakt, voorzien van een geremasterde stereo en mono mix en uitgebreid met een disc met bonusmateriaal (outtakes, bonustracks, BBC sessions) dat zo nu en dan zeker iets toevoegt aan het moois van de originele releases. Something Else is wat mij betreft de beste van de drie, maar Face To Face en Arthur volgen op kleine afstand. The Kinks hebben meer klassiekers op hun naam staan (de volgende worp Deluxe Editions is ook zeker interessant, net als de vorig jaar al verschenen luxe editie van Arthur’s evenknie The Village Green Preservation Society), maar met name Something Else werd wat mij betreft niet meer overtroffen. Of het invloed heeft op de uitslag van de poll uit de eerste regel durf ik niet te voorspellen, maar deze Deluxe Editions zullen absoluut bij gaan dragen aan een groeiende waardering voor de briljante muziek van The Kinks. Het is volkomen terecht. Erwin Zijleman






Kinks - Face To Face, Deluxe Edition

The Kinks - Arthur, Deluxe Edition


donderdag 9 juni 2011

Booker T. Jones - The Road From Memphis

Booker T. Jones heeft een bijzonder rijk muzikaal leven achter zich. Als voorman van Booker T. & The MG’s, de huisband van het roemruchte Stax label, stond hij aan de basis van de Southern Soul (of Memphis Soul) en zette hij dit genre op de kaart. Booker T. & The MG’s speelden niet alleen mee op de platen van Stax grootheden als Otis Redding, Wilson Pickett en Sam & Dave, maar scoorden ook zelf hits (met Green Onions als meest bekende voorbeeld), waarin het Hammond orgel van Booker T. Jones altijd een voorname rol speelde. Sinds het uit elkaar vallen van Booker T. & The MG’s halverwege de jaren 70 doet Booker T. Jones het wat rustiger aan, maar stil gezeten heeft hij nooit en zijn wapenfeiten liegen er niet om. Zo produceerde Booker T. Jones onder andere het legendarische debuut van Bill Withers en was hij als sessiemuzikant te horen op talloze platen. In 2008 trad Booker T. Jones eindelijk weer eens uit zijn comfort zone, stapte in de spotlights en maakte met onder andere de Drive-By Truckers en Neil Young het bijzonder overtuigende en bij vlagen flink rockende Potato Hole. Ook op het nu verschenen The Road From Memphis verkiest Booker T. Jones de samenwerking met bekende muzikanten en laat hij zich begeleiden door soul en hip-hop band The Roots. Door de samenwerking met The Roots keert Booker T. Jones weer terug naar de soul en dat is een wijs besluit. Booker T. Jones is immers boven alles een soulmuzikant. The Road From Memphis is een lekker relaxte soulplaat met een hoofdrol voor het Hammond orgel van Booker T. Jones en het geoliede geluid van The Roots. Met name het drumwerk van The Roots drummer ?uestlove is weer van een geweldig niveau en het past ook nog eens prachtig bij het stuwende toetsenwerk van Booker T. Jones. Dit hoor je eigenlijk het best in de vele instrumentale tracks op het album, waaronder een fraaie cover van Gnarls Barkley’s Crazy. In deze tracks zet het fabuleuze drumwerk de lijnen uit en kleurt het orgel van Booker T. Jones de lijnen in. Het knalt werkelijk uit de speakers. In de vocale tracks is wat minder instrumentaal vuurwerk te horen, maar de vocale bijdragen van Jim James (My Morning Jacket), Matt Berninger (The National), Sharon Jones, Lou Reed en de oude meester zelf liggen lekker in het gehoor en zorgen ook nog eens voor voldoende afwisseling. The Road From Memphis ligt zo lekker in het gehoor en kabbelt zo aangenaam voort dat je in eerste instantie niet door hebt hoe knap er wordt gemusiceerd. Wanneer je dit eenmaal door hebt hoor je alle knappe details en kun je The Road From Memphis pas op de juiste waarde schatten. The Road From Memphis is perfect voor een feestje, maar het is ook de perfecte plaat om hard in de auto te beluisteren of met de koptelefoon tot op de laatste noot uit te pluizen. Booker T. Jones heeft op zijn oude dag een plaat gemaakt die de concurrentie met het werk uit zijn hoogtijdagen meer dan aan kan. Fantastische plaat. Erwin Zijleman

woensdag 8 juni 2011

Battles - Gloss Drop

Battles debuteerde in het voorjaar van 2007 met Mirrored. De complexe en nauwelijks te doorgronden plaat werd direct positief onthaald, maar werd pas maanden later op de juiste waarde geschat, toen de plaat tot verrassing van velen een hoge notering in menig jaarlijstje afdwong. Zelf kon ik lange tijd niet overweg met de muziek van Battles; dit ondanks de talloze uren die ik tijdens mijn jeugd vulde met de complexe progrock van bands als Yes, Emerson, Lake & Palmer en Rush, alle drie onbetwist inspiratiebronnen voor Mirrored. Battles’ mix van progrock, Krautrock, jazz, mathrock, avant garde, glamrock, indierock, dance en electronica werkte me door de repeterende gitaarloopjes, kille elektronica, vreemde zang en van de hak op de tak songstructuren vooral op de zenuwen. Dat duurde heel lang, maar op een gegeven moment viel het kwartje en werd Mirrored een bijzondere plaat voor schaarse momenten. De tweede Battles plaat heeft lang op zich laten wachten, maar na ruim vier jaar ligt Gloss Drop deze week eindelijk in de winkel. Gloss Drop kwam er niet zonder slag of stoot. Zanger en multi-instrumentalist Tyondai Braxton, volgens velen het creatieve brein van Battles, verliet de band, waarna de resterende drie leden als trio verder gingen. Heeft het veel invloed gehad op het geluid van Battles? Nee, eigenlijk niet. Gloss Drop moet het doen zonder de vreemde zang van Tyondai Braxton, maar dat vind ik persoonlijk geen gemis, integendeel zelfs. Gloss Drop is door het vertrek van Braxton grotendeels instrumentaal, al komt in vier tracks een gastvocalist opdraven. Met name good old Gary Numan en Blonde Redhead’s Kazu Makino doen dit niet onverdienstelijk, al blijft het belang van vocalen in de muziek van Battles beperkt en hadden ze wat mij betreft ook best achterwege kunnen blijven. Buiten de zang is Battles gelukkig gewoon Battles gebleven. Ook Gloss Drop valt op door de avontuurlijke mix van stijlen, de perfecte synthese van repeterende gitaarloopjes en elektronica en de lastig te doorgronden ritmes en songstructuren. De vraag of Gloss Drop toegankelijker is dan Mirrored is niet eenduidig te beantwoorden. In een aantal tracks hoor je muziek die voor Battles begrippen behoorlijk toegankelijk of zelfs popachtig klinkt, maar in een aantal andere tracks legt Battles de lat voor de luisteraar nog net iets hoger dan op het debuut. Ook Gloss Drop is een plaat waarvoor je tijd moet reserveren. In het begin wordt je horendol van de veelheid aan stijlen (Gloss Drop voegt vergeleken met Mirrored nog flink wat invloeden uit de Latin, Caribische muziek, Afrikaanse muziek en Tropicalia als bonus toe), de gejaagde ritmes, de repeterende gitaren en elektronica en de bijzonder complexe songs. Na enige gewenning blijkt ook Gloss Drop echter weer een complexe puzzel waarvan de stukjes langzaam maar zeker in elkaar vallen. Het muzikale vakmanschap van de leden van de band wordt weer uitvoerig gedemonstreerd, maar Gloss Drop is ook meer dan zijn voorganger een plaat om bij achterover te leunen, omdat de muziek steeds weer nieuwe aanknopingspunten biedt wanneer je het spoor even bijster bent. Battles heeft met Gloss Drop een plaat gemaakt die op het eerste gehoor zeker niet minder is dan zijn bewierookte voorganger. Omdat de muziek van Battles veel tijd en geduld vraagt kan ik echter pas over een paar maanden zeggen hoe goed Gloss Drop echt is. Erwin Zijleman

dinsdag 7 juni 2011

The Felice Brothers - Celebration, Florida

De broertjes Felice doken een paar jaar geleden op uit de onherbergzame Catskill Mountains en verbaasden met platen waarop de tijd stil leek te hebben gestaan. Met hun eerste vier platen manifesteerden The Felice Brothers zich als de muzikale erfgenamen van The Band en deden dit ook nog eens zo goed dat de plaat werd omarmd door een grote groep liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek. Een blik op de cover van de nieuwe plaat van de band doet al vermoeden dat er iets is veranderd. Op de cover dit keer geen mannen met baarden en hoeden, maar kinderen in kitscherige balletpakjes. Het blijft niet bij de cover, want ook in muzikaal opzicht is er veel veranderd. Amerikaanse rootsmuziek uit vervlogen tijden vormt nog altijd de basis van de muziek van The Felice Brothers, maar de songs zijn dit keer een stuk avontuurlijker en uitbundiger en bovendien overgoten met een modern klinkend sausje waarin een belangrijke rol is weggelegd voor elektronica. Ik weet 100% zeker dat lang niet iedereen die de vorige platen van The Felice Brothers heeft gekoesterd uit de voeten zal kunnen met Celebration, Florida, maar ik had zelf eigenlijk maar één luisterbeurt nodig om van deze plaat te houden. Het is in het begin wel even wennen. Waar de fraaie Dylanesque vocalen van Ian Felice het tot dusver moesten doen met een betrekkelijk sober klankenpalet horen we dit keer sprookjesachtige elektronische klanken, flink uitpakkende blazers, hier en daar wat beats en flink wat onverwachte geluiden en effecten. Heel even zat het me in de weg, maar na de vierde track van de plaat, het werkelijk prachtige Oliver Stone, was ik helemaal om. Het blijft soms moeilijk te geloven dat hier dezelfde band aan het werk is als op de vorige platen van The Felice Brothers, zeker wanneer de broertjes Felice flirten met hip hop (!) of synthpop (!!), maar als je open staat voor de nieuwe koers van de band valt er op Celebration, Florida, heel veel moois te ontdekken. Celebration, Florida, is een spannende plaat waarop van alles gebeurt. Er valt zoveel te ontdekken op deze plaat dat je zelfs na vele luisterbeurten horen nog nieuwe dingen hoort en wat mij betreft wordt de plaat alleen maar mooier en indrukwekkender. Na een aantal platen waarop The Felice Brothers hun muzikale helden eerden, gaat de band op Celebration, Florida, helemaal los. Het levert een plaat op die verbaast en misschien zelfs verbijstert, maar uiteindelijk alleen maar betovert en imponeert. Ik ben inmiddels zelf zo onder de indruk van de nieuwe plaat van The Felice Brothers dat ik Celebration, Florida, nu al één van de grote verrassingen van het muziekjaar 2011 durf te noemen. Als de Felice Brothers op hun nieuwe plaat hadden gekozen voor meer van hetzelfde was ik tevreden geweest. Celebration, Florida, lijkt in niets op zijn voorgangers en maakt me zielsgelukkig. Een onbetwist meesterwerk van een band die zich in één klap schaart onder de belangrijkste vernieuwers binnen de Amerikaanse rootsmuziek. Erwin Zijleman

Tijdschrift: Uncut 170

De Juli editie van Uncut brengt eigenlijk alleen maar goed nieuws. In de Uncut lees je als eerste over de nieuwe cd van Gillian Welch. Niet meer verwacht, toch gekomen en nog heel erg goed ook. Verder geeft de Uncut maar liefst 5 sterren aan een nieuwe plaat; iets dat maar heel zelden gebeurt. Ik verklap nog even niet om welke plaat het gaat. De 5 sterren gaan in ieder geval niet naar de nieuwe releases van Arctic Monkeys, Duane Eddy, Neil Young, The Middle East, White Denim of My Morning Jacket, maar deze platen worden, net als tientallen andere releases, wel fraai besproken. Naast heel veel recensies bevat Uncut 170 ook weer flink wat bijzonder fraaie artikelen. Hierin staan deze maand artiesten centraal die je niet al te vaak tegen komt in de muziekbladen: Roy Harper en The Small Faces. Beiden krijgen heel wat pagina's en in beide gevallen is het boeiend. Tenslotte nog een mooi artikel over Bon Iver (zou hij ......?). Kortom, Engeland's beste muziektijdschrift stelt ons ook deze maand niet teleur. Erwin Zijleman

Bestel het tijdschrift Uncut nu online bij MagVilla.nl

maandag 6 juni 2011

My Morning Jacket - Circuital

Wat is het geluid van My Morning Jacket de afgelopen twaalf jaar veranderd. Op het debuut van de band, The Tennessee Fire uit 1999, hoorden we nog voornamelijk alt-country, maar op de albums die sindsdien volgden voegde de band uit Louisville, Kentucky, invloeden uit minstens een ander genre toe. Dat liep op het in 2008 verschenen Evil Urges misschien een beetje uit de hand, al was het ook wel een fascinerende plaat. Dat laatste geldt ook zeker voor opvolger Circuital. Net als op Evil Urges haalt My Morning Jacket haar inspiratie op de nieuwe plaat uit vele genres, maar de plaat klinkt op een of andere manier toch minder fragmentarisch dan zijn voorganger. Circuital opent met een psychedelische track waarvoor Pink Floyd zich aan het eind van de jaren 60 niet zou hebben geschaamd en schakelt hierna over naar wat pompeuze 70s rock. Het is muziek die zo af en toe lijkt af te glijden richting kitsch, maar steeds weer op het rechte pad wordt geholpen door fraai gitaarwerk, bedwelmende keyboards of een andere verrassende wending. Het maakt de beluistering van de nieuwe plaat van My Morning Jacket tot een fascinerende gebeurtenis. Circuital bevat naast een aantal behoorlijk bombastische tracks vol invloeden uit de progrock een aantal bijna zoetsappige popliedjes, maar zeker wanneer je de plaat met de koptelefoon beluistert hoor je steeds meer knappe details en merk je bovendien dat ook de songs die je in eerste instantie nog deden fronsen na enige gewenning steeds dierbaarder worden. Psychedelica speelt een belangrijke rol op Circuital. Dit is het duidelijkst in de bijna epische tracks op de plaat, maar ook een relatief eenvoudige folksong of een Beatlesque popliedje zijn versierd met mooie psychedelische accenten. Circuital is net als zijn voorganger niet makkelijk in een hokje te duwen. My Morning Jacket schiet op Circuital op en neer door de geschiedenis van de popmuziek om vervolgens met alle opgevangen invloeden op een bijzondere manier haar eigen ding te doen. Het resultaat is wat mij betreft niet altijd geslaagd, maar naast de twee of drie missers op deze plaat staan een stuk of zes werkelijk prachtige popliedjes en mijn persoonlijke prijsnummer Slow Slow Tune. Overeenkomsten met de muziek op The Tennessee Fire zijn nauwelijks meer te ontdekken. Dat is aan de ene kant jammer, maar aan de andere kant kun je My Morning Jacket ook prijzen voor het getoonde muzikale lef. De band maakt inmiddels muziek die af en toe dicht bij die van bands als The Flaming Lips en Mercury Rev ligt, al is de muziek van My Morning Jacket wel een stuk veelzijdiger en spannender. Circuital is een plaat die ongetwijfeld gemengde reacties zal oproepen. Ik had persoonlijk de nodige moeite met Evil Urges, maar Circuital vind ik echt prachtig. Erwin Zijleman

zondag 5 juni 2011

EMA - Past Life Martyred Saints

EMA is het alter ego van de Amerikaanse muzikante Erika M. Anderson. Anderson speelde de afgelopen 15 jaar in cultbands als Amps For Christ en Gowns, bands die ik in mijn platenkast niet ben tegen gekomen, maar probeert het met het onlangs verschenen Past Life Martyred Saints voor het eerst in haar uppie. De plaat kan tot dusver rekenen op bijzonder lovende recensies en het hierin gebruikte vergelijkingsmateriaal liegt er niet om. Een muzikante die in één zin wordt vergeleken met Cat Power, Patti Smith en PJ Harvey kan bij voorbaat rekenen op mijn sympathie, maar zal ook de strijd aan moeten gaan met extreem hoge verwachtingen. Ik heb Past Life Martyred Saints inmiddels heel vaak gehoord en kan twee dingen concluderen: (1) mijn sympathie voor EMA heeft plaats gemaakt voor diepe bewondering en (2) mijn hoge verwachtingen zijn op alle fronten overtroffen. De sterkste wapens van EMA op haar solodebuut zijn haar puurheid en eerlijkheid. EMA doet niet aan kunstjes of trucjes maar zet op de plaat wat ze denkt of voelt. Past Life Martyred Saints is hierdoor een hele directe plaat zonder veel opsmuk. Een ieder die op basis van deze omschrijving een verstilde singer-songwriter plaat verwacht die genoeg heeft aan een paar snaren en een stem vol emotie komt echter bedrogen uit. EMA doet wat ze voelt of denkt, maar denkt of voelt steeds iets anders en geeft aan deze gevoelens en gedachten steeds een andere invulling. Past Life Martyred Saints bevat een aantal (lange) tracks die uiterst sober openen, maar uiteindelijk transformeren in vol klinkende songs vol gitaar feedback. EMA is in deze songs niet vies van een flinke portie noiserock, wat naast de hierboven genoemde namen ook de vergelijking oproept met een deel van het werk van Sonic Youth. Het constant schakelen tussen minimale middelen en stevig uitpakken geeft Past Life Martyred Saints een bijzondere dynamiek. Het is een dynamiek die deels wordt verkregen middels de inzet van gitaargeweld, maar ook gillende violen of juist een voorzichtig pompend orgeltje voorzien de songs van EMA zo nu en dan van in het oor springende accenten. Past Life Martyred Saints is een plaat vol invloeden uit het verleden, maar staat dankzij het unieke geluid met twee benen in het verleden. Al het hierboven genoemde vergelijkingsmateriaal doet er absoluut toe en ik wil er de naam van Anna Calvi nog graag aan toevoegen, maar Past Life Martyred Saints heeft uiteindelijk toch vooral een uniek geluid. Het solodebuut van EMA bevat nog wel wat mindere momenten, waardoor ik het geen onbetwist meesterwerk durf te noemen, maar over het algemeen genomen is de plaat zo goed dat ik EMA de paar schoonheidsfoutjes graag vergeef. Vrijwel iedereen is het er over eens dat 2011, ondanks het ontbreken van een substantieel aantal echt memorabele debuten, nu al een prachtig muziekjaar is. Het fraaie en originele debuut van EMA geeft dit al zo mooie muziekjaar alleen maar meer glans. Erwin Zijleman