maandag 31 oktober 2011

Eleanor Friedberger - Last Summer

Broer en zus Matthew en Eleanor Friedberger maakten als The Fiery Furnaces een aantal buitengewoon fascinerende platen, waarvan ik met name Blueberry Boat uit 2004 koester als een onbedoeld meesterwerk. Hoewel de platen die volgden niet zo heel veel onder deden voor Blueberry Boat, deed de muziek van The Fiery Furnaces me steeds minder en uiteindelijk was de magie voor mij zelfs compleet uitgewerkt. Dit gold kennelijk ook voor broer en zus Friedberger, want het in 2009 verschenen I’m Going Away lijkt inmiddels de zwanenzang van The Fiery Furnaces. Eleanor Friedberger probeert het nu in haar uppie met Last Summer. Het blijkt een plaat die heel ver is verwijderd van de behoorlijk experimentele muziek van The Fiery Furnaces en alleen incidenteel raakt aan het nog behoorlijk conventionele debuut van de band (Gallowsbird’s Bark uit 2003). Last Summer is een plaat met behoorlijk toegankelijke en warme popliedjes. Op het eerste gehoor is het niet eens zo opzienbarend wat Eleanor Friedberger op Last Summer doet. Het solodebuut van de Amerikaanse staat vol met popliedjes die ook in de jaren 70 gemaakt hadden kunnen worden, zeker wanneer Eleanor Friedberger heuse discobassen uit de hoge hoed tovert. Op een of andere manier blijven de popliedjes op Last Summer echter erg lekker hangen. Dat is voor een belangrijk deel de verdienste van de bijzonder aangename stem van Eleanor Friedberger, maar ook de gevarieerde instrumentatie (met een hoofdrol voor de piano) en het tijdloze karakter van de songs dragen bij aan het succes van Last Summer. Last Summer zal even schrikken zijn voor een ieder die vooral gecharmeerd was van de experimentele kant van The Fiery Furnaces, maar voor een ieder die, net als ik, was uitgekeken op de muziek van de band, is Last Summer mogelijk een verleiding die nauwelijks is te weerstaan is. Ik was direct zeer gecharmeerd van de muziek die Eleanor Friedberger op haar eerste soloplaat maakt, maar Last Summer is hiernaast ook nog eens een groeiplaat die steeds weer nieuwe dingen laat horen en ook wel degelijk beschikt over een eigenzinnig randje. Last Summer is veertig jaar popmuziek geïnterpreteerd door een eigenzinnige muzikante. The Fiery Furnaces zijn dood. Leve Eleanor Friedberger. Erwin Zijleman

zondag 30 oktober 2011

Laura Veirs - Tumble Bee

Haar in 1999 verschenen titelloze debuut ging nog aan alles en iedereen voorbij, maar sinds de release van het opvallende The Triumphs And Travails Of Orphan Mae in 2001 kan geen enkele liefhebber van vrouwelijke singer-songwriters meer om Laura Veirs heen. Sindsdien werden haar platen eigenlijk alleen maar mooier en inmiddels staat er met Troubled By the Fire (2003), Carbon Glacier (2004), Year Of Meteors (2005), Saltbreakers (2007) en July Flame (2010) een imposant rijtje prachtplaten van de singer-songwriter uit Seattle in de kast. Krijgen deze nu gezelschap van het binnenkort te verschijnen Tumble Bee? Ja en Nee. Laura Veirs werd vorig jaar voor het eerst moeder en dat heeft haar geïnspireerd tot het maken van een plaat met kinderliedjes, of beter gezegd een plaat met folksongs voor kinderen. Dat is een inventief staaltje multitasken, maar nieuw is het zeker niet. Een paar weken geleden deed de ook vorig jaar bevallen Jewel immers precies hetzelfde, wat overigens een draak van een plaat opleverde. Dat het maken van een plaat voor kinderen ook interessante popmuziek op kan leveren bewees Jason & The Scorchers voorman Jason Ringenberg, die als Farmer Jason een aantal geweldige platen afleverde en ook de soundtrack die Jack Johnson maakte voor de kinderfilm Curious George mag er best zijn. Na beluistering van Tumble Bee kan ik concluderen dat de zoon van Laura Veirs op het muzikale vlak een stuk beter af is dan de zoon van Jewel. Tumble Bee is immers een smaakvolle plaat met mooi uitgevoerde folksongs uit de oude doos. Laura Veirs deed voor de productie van de plaat uiteraard een beroep op manlief Tucker Martine, die je een dergelijk klusje wel kunt toevertrouwen, en hiernaast geven gelouterde muzikanten als Jim James (My Morning Jacket), Colin Meloy (The Decemberists), Bela Fleck en Brian Blade act de présence. Met een dergelijke bezetting behoort een Laura Veirs meesterwerk tot de mogelijkheden, maar dat is Tumble Bee uiteindelijk toch niet. Tumble Bee bevat mooi uitgevoerde versies van een aantal traditionals en folksongs die beroemd zijn geworden door onder andere Jimmie Rodgers, Woody Guthrie en Harry Belafonte. Het is allemaal met veel smaak en gevoel opgenomen, waardoor de plaat zeker niet alleen voor kinderen geschikt is. De eigenzinnige inbreng van Laura Veirs geeft haar platen normaal gesproken een flinke meerwaarde en deze ontbreekt dit keer wat. Tumble Bee is een met veel liefde en overtuiging gemaakte folkplaat, die flink wat memorabele momenten bevat en prachtig authenthiek klinkt, maar binnen het geweldige oeuvre van Laura Veirs is het niet meer dan een smakelijk tussendoortje voor jong en oud. Het is nog altijd een krent uit de pop, maar van een geniaal muzikante als Laura Veirs verwacht ik nu eenmaal net wat meer. Erwin Zijleman

vrijdag 28 oktober 2011

Dusty Stray - Light Years Away

Vorige week besprak ik de prima tweede plaat van Sonja van Hamel, die voor de productie van deze plaat naast gitarist JB Meijers ook de legendarische Ken Stringfellow (The Posies) had weten te strikken. Precies dezelfde namen kom ik tegen op Light Years Away, de tweede plaat van Dusty Stray. Dusty Stray is het alter ego van Jonathan Brown, een Texaan die Texas vanwege de liefde verruilde voor Europa. Dusty Stray debuteerde twee jaar geleden met Tales Of Misfortune And Woe, een plaat die slechts in kleine kring werd opgepikt, maar een herkansing kreeg toen de Volkskrant de plaat opnam in haar jaarlijstje over 2009. Ik heb het debuut van Dusty Stray toen ook opgepikt en kon alleen maar concluderen dat de Volkskrant het bij het juiste eind had en ik had zitten slapen. Ik had dan ook zeer hoge verwachtingen met betrekking tot de tweede plaat van Dusty Stray, maar Light Years Away maakt deze direct waar. Net als op het debuut maakt Dusty Stray op Light Years Away Amerikaans aandoende muziek, maar in tegenstelling tot het zowel in muzikaal als thematisch opzicht zeer gefocuste Tales Of Misfortune And Woe, is Light Years Away een gevarieerde en wat minder zware plaat. Dusty Stray maakt op Light Years Away singer-songwriter muziek met uiteenlopende invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek. Deze gaan de ene keer terug tot de archieven van Harry Smith of de muziek uit de Appalachen, maar raken ook aan de singer-songwriter muziek uit de L.A. Canyon, de countryrock uit de vroege jaren 70, de muziek van Neil Young, de eerste soloplaat van Paul McCartney of eigentijdse alt-country. Light Years Away bevat flink wat stemmige en ingetogen songs die je meenemen naar zo’n typisch Amerikaanse veranda op een warme zomeravond, maar Jonathan Brown pakt af en toe ook uit met wat stevigere songs waarin het gitaarwerk van Neil Young kaliber is. De wat meer rock georiënteerde songs liggen erg lekker in het gehoor, maar mijn persoonlijke voorkeur gaat toch uit naar de meer ingetogen songs. Het zijn lome, stemmige en smaakvolle songs die opvallen door de buitengewoon mooie, gevarieerde en trefzekere instrumentatie, de aangename vocalen, de spaarzaam ingezette maar erg mooie vrouwenstem van Jesje De Schepper en de fraaie productie. Light Years Away is een plaat die je onmiddellijk een goed gevoel geeft en aanvoelt als een knisperend haardvuur op een koude winteravond. De ware schoonheid van de songs van Jonathan Brown openbaart zich echter pas wanneer je de plaat meerdere keren hebt gehoord. Ik heb Light Years Away van Dusty Stray inmiddels vele malen gehoord, maar heb het idee dat de plaat nog steeds niet is uitgegroeid. Nederlandse kwaliteitslabels hadden tot dusver vooral patent op de perfecte lenteplaten, maar leveren tegenwoordig prachtmuziek voor alle seizoenen. Light Years Away van Dusty Stray is wat mij betreft een van de betere platen van het moment en dat zegt wat. Heel wat. Ga dat horen. Erwin Zijleman

donderdag 27 oktober 2011

Joe Henry - Reverie

De Amerikaanse muzikant Joe Henry heeft een even opvallend als indrukwekkend cv dat inmiddels zo’n 25 jaar terug gaat in de tijd. Henry debuteerde in de tweede helft van de jaren 80 met platen die alleen aandacht kregen omdat Henry was getrouwd met ene Melanie Ciccone; de zus van Madonna Louise Veronica Ciccone, beter bekend als Madonna. Met het door niemand minder dan T-Bone Burnett geproduceerde Shuffletown maakte Joe Henry in 1990 zijn eerste plaat die er echt toe deed, waarna hij met Short Man’s Room (1992) en Kindness of the World (1993) met hulp van een aantal Jayhawks twee bescheiden alt-country parels maakte. Sindsdien staat Joe Henry niet alleen garant voor geweldige en veelzijdige platen (met name Civilians uit 2007 en Blood From Stars uit 2009 zijn van een bijna onwaarschijnlijk hoog niveau), maar timmerde hij ook stevig aan de weg als producer van onder andere Solomon Burke, Aimee Mann, Ani DiFranco, Elvis Costello, Bettye LaVette en Mary Gauthier. Eerder dit jaar was Joe Henry als producer verantwoordelijk voor één van de mooiste platen van het jaar; het zwaar ondergewaardeerde The Long Surrender van Over The Rhine. Nu doet hij als muzikant een duit in het zakje met het al even fraaie Reverie. Reverie is de opvolger van het met louter superlatieven ontvangen Blood From Stars uit 2009. Op Blood From Stars verruilde Joe Henry zijn jazzy geluid voor een bij vlagen stevig bluesgeluid dat door het formeren van een uit de kluiten gewassen band behoorlijk vol klonk. Hoewel op Reverie vrijwel dezelfde muzikanten zijn te horen als op Blood From Stars (alleen de blazers ontbreken dit keer), klinken beide platen totaal anders. Reverie is een akoestische plaat waarop Joe Henry de gedrevenheid van zijn voorganger heeft verruild voor totale ontspanning. Op Reverie wordt losjes gemusiceerd en lijkt nauwelijks aandacht besteed aan de productie. Schijn bedriegt, want zeker wanneer je de plaat met de koptelefoon beluistert hoor je uit hoeveel lagen de muziek van Joe Henry bestaat en hoe knap het allemaal in elkaar steekt. Het is nog altijd muziek die haar geheimen maar mondjesmaat prijs geeft; waarschijnlijk de belangrijkste reden voor het bescheiden succes dat Joe Henry met zijn platen weet te oogsten. Ook Reverie is weer een plaat die je moet ondergaan en die je op je in moet laten werken, waarna de ene na de andere prachtsong zich openbaart. Op Reverie bestrijkt Joe Henry de Amerikaanse rootsmuziek in de breedste zin van het woord, waarmee de plaat zich bijna laat beluisteren als een retrospectief op zijn imposante oeuvre. Het is wederom geen makkelijke plaat, maar een ieder die er de tijd voor neemt zal getuige zijn van het tot volle wasdom komen van het zoveelste meesterwerk van Joe Henry. Erwin Zijleman

woensdag 26 oktober 2011

Veronica Falls - Veronica Falls

Het is misschien een half uur geleden dat ik voor het eerst kennis maakte met de muziek van het jonge Britse viertal Veronica Falls en inmiddels wil ik niet meer zonder. De band uit Londen maakt op haar debuut onweerstaanbaar lekkere muziek, die vooralsnog alleen maar leuker wordt. Het is muziek die rijkelijk citeert uit vijf decennia popmuziek en klinkt alsof het beste van Lush, Belle & Sebastian, The Pixies, The Pains Of Being Pure At Heart, The Velvet Underground, The xx, The Dum Dum Girls, Fairport Convention, Sonic Youth en The Delgados (eventueel te vervangen door een eigen rijtje namen) is verenigd. Het debuut van Veronica Falls klinkt hierdoor ook bij eerste beluistering als een plaat die je al jaren kent, al verwerkt de band op knappe wijze invloeden die nog niet eerder zijn gecombineerd. De muziek van Veronica Falls bestaat uit op hol geslagen drums, donkere en stuwende basloopjes, aanstekelijke gitaarloopjes die om kunnen slaan in gruizig gitaargeweld en een mengeling van engelachtige en bijna folky vrouwenstemmen en stuurse mannenstemmen. Het is het soort muziek dat een paar jaar geleden alleen maar in Glasgow kon worden gemaakt, maar nu kennelijk naar Londen is overgewaaid. Het is muziek die bijzonder lekker in het gehoor ligt, maar ook iets te bieden heeft. Het debuut van Veronica Falls duurt maar net een half uur, maar in dat half uur komt een dozijn geweldige popliedjes voorbij. Het zijn popliedjes die in eerste instantie allemaal op elkaar lijken, maar wanneer je wat beter naar de plaat luistert hoor je de verschillen. Veronica Falls weet in de twaalf songs op haar debuut de dynamiek en de gruizigheid goed te doseren en varieert ook regelmatig het tempo, wat de songs alleen maar meer kracht geeft. Het debuut van Veronica Falls doet me in meerdere opzichten aan het debuut van The xx denken; wat mij betreft één van de beste debuten van de afgelopen jaren. In muzikaal opzicht zijn de overeenkomsten tussen de bands niet eens zo heel groot (Veronica Falls is met veel fantasie te omschrijven als "The xx on speed"), maar net als The xx slaagt Veronica Falls er in om muziek te maken die je meteen enthousiast doet opveren en je vervolgens alleen maar superlatieven weet te ontlokken. Sinds het debuut van The xx verlang ik naar een volgend debuut dat net zoveel indruk maakt en ook net zo’n goed gevoel geeft. Met de titelloze plaat van Veronica Falls heb ik dit debuut opeens in handen. Debuut van het jaar? Het zou zomaar kunnen. Erwin Zijleman

dinsdag 25 oktober 2011

Ana Lains - Quatro Caminhos

Na de laatste opleving van de zomer eerder deze maand worden de avonden nu in rap tempo langer en kouder. Hoogste tijd dus om witte wijn te verwisselen voor de rode en de zonnige bossa nova klanken uit de speakers te vervangen door zwoele fado. Ik moet eerlijk toegeven dat ik de ontwikkelingen op fado gebied de laatste jaren nauwelijks heb gevolgd, maar met Quatro Carminhos van Ana Lains ben ik bij toeval toch voorzien van de juiste plaat op het juiste moment. Ik had nog nooit van Ana Lains gehoord en ging er daarom van uit dat ik te maken had met een debutante. Na eerste beluistering van Quatro Carminhos wist ik zeker dat dit niet het geval kon zijn. Ana Lains klinkt op Quatro Carminhos immers als een gelouterde fado zangeres, die op indrukwekkende wijze haar songs vertolkt. Heel gelouterd is Ana Lains overigens niet, maar iemand die al bijna 10 jaar meedraait mogen we ook geen debutante meer noemen. De jonge fadozangeressen die ik de afgelopen jaren heb beluisterd deden stuk voor stuk hun uiterste best om maar vooral modern te klinken. Ana Lains heeft hier geen last van. De fado op Quatro Carminhos klinkt, op een incidenteel en zeer voorzichtig uitstapje richting gipsy na, behoorlijk traditioneel. Daar is wat mij betreft niets mis mee; na alle eigentijdse fado varianten verlangde ik wel weer eens naar iets puurs en authentieks. Quatro Carminhos staat vol met warmbloedige, traditioneel aandoende fado, die op buitengewoon temperamentvolle wijze wordt vertolkt. Ana Lains verovert de luisteraar met beproefde middelen. In de meeste songs op Quatro Carminhos wordt het volledige fado instrumentarium uit de kast getrokken en zingt Ana Lains zoals Portugese fadozangeressen dit al tientallen jaren doen. Ana Lains is echter ook niet bang voor soberdere songs waarin de instrumentatie zich beperkt tot een piano. Het zijn deze songs die wat mij betreft de meeste indruk maken, al doen de songs met een wat meer vertrouwde fado aankleding hier nauwelijks voor onder. In instrumentaal opzicht zit Quatro Carminhos geweldig in elkaar, maar het sterkste wapen van Ana Lains is haar stem. Het is een warme en emotievolle stem die betekenisvol kan fluisteren, maar ook stevig en vol passie kan uithalen. Ana Lains verwarmt via Quatro Carminhos nadrukkelijk het hart en zorgt voor onmiddellijke acceptatie van het begin van de koudere en donkere seizoenen Met een plaat als Quatro Carminhos in de cd speler mag de lente nog best even op zich laten wachten. Erwin Zijleman

maandag 24 oktober 2011

Coldplay - Mylo Xyloto

Don’t Panic, de opener van Coldplay’s debuut Parachutes uit 2000, duurt maar net twee minuten, maar na die twee minuten weet je direct dat voor de band een rooskleurige toekomst in het verschiet ligt. Deze toekomst werd veilig gesteld met de prachtige tweede plaat A Rush Of Blood To The Head die in 2001 verscheen. Sindsdien bespeelt Coldplay met heel veel succes een groot publiek, waardoor platen als X&Y (2005) en Viva La Vida (2008) grootser en gepolijster klinken dan de eerste twee platen van de band. Het enorme succes van Coldplay was voor menig criticus voldoende reden om de band genadeloos neer te sabelen, maar dat is als je het mij vraagt niet terecht. Natuurlijk ontbreekt op X&Y en Viva La Vida een belangrijk deel van de intimiteit en ongepolijstheid van de eerste twee platen, maar het merendeel van de sterke punten van de band bleef uiteindelijk onaangetast. Ook X&Y en Viva La Vida zijn platen met stemmige en melodieuze popsongs die het grote gebaar niet schuwen, maar ook boordevol avontuur zitten. Je moet het alleen willen horen. Ook op haar nieuwe plaat Mylo Xyloto (de prijs voor de meest idiote titel van een plaat is alvast binnen) keert Coldplay niet terug naar het geluid van haar eerste twee platen, maar bespeelt het met nog meer overtuiging en machtsvertoon een groot publiek. Dat levert in de vorm van een duet met Rihanna (Princess Of China) één enorme zeperd op, maar verder valt er op de vijfde studioplaat van Coldplay eigenlijk best veel te genieten. De productie van Brian Eno (die de credits dit keer moet delen met een drietal andere producers) is wat minder bombastisch dan op Viva La Vida, maar desondanks pakt Coldplay bij vlagen weer groots uit. Mylo Xyloto bevat een aantal tracks waarbij je het stadion gevuld met devote fans er alleen maar bij hoeft te denken, maar bevat ook een aantal wat meer ingetogen tracks. Persoonlijk heb ik overigens niet zoveel moeite met de grootse songs van Coldplay. Yellow van het debuut Parachutes is er ook een en daar heb ik nog nooit iemand over horen klagen. Het klinkt allemaal weer bijzonder aanstekelijk en bij vlagen onweerstaanbaar en daar gaat het in de popmuziek uiteindelijk toch ook om. Coldplay zoekt op Mylo Xyloto echter ook meer dan eens het avontuur of laat het bombast achterwege in subtiele popliedjes waarin met name zanger Chris Martin en gitarist Jonny Buckland uitblinken. Mylo Xyloto is meer dan zijn twee voorgangers een gitaarplaat, al moeten de gitaren wel continu de strijd aan gaan met een dik en soms overdadig pak elektronica. Het belangrijkste punt van kritiek dat ik heb op Mylo Xyloto is dat het een beetje een allegaartje is. Dit levert zo nu en dan wat mindere momenten op, maar als geheel maakt de plaat op mij toch weer een positieve indruk. Mijn advies: negeer de critici, beluister Mylo Xyloto zelf en pik er je eigen krenten uit. Succes verzekerd. Erwin Zijleman

zondag 23 oktober 2011

Cowboy Junkies - Sing In My Meadow: The Nomad Series, Volume 3

De Canadese band Cowboy Junkies leek een paar jaar geleden compleet uitgekakt. Toen de band na een aantal zwakke platen ook nog eens op de proppen kwam met een totaal overbodige en zouteloze remake van haar meesterwerk The Trinity Session, gaf zelfs ik, als fan van het eerste uur, geen stuiver meer voor de verdere loopbaan van de band rond de broers en zus Timmins. Vorig jaar sloegen de Cowboy Junkies echter keihard terug met Renmin Park; het eerste deel van een serie van vier platen onder de noemer The Nomad Series. Renmin Park overtuigde met een wat experimenteler geluid waarin onder andere invloeden uit de Chinese muziek waren verwerkt en deed uitzien naar het tweede deel van The Nomad Series. Dat tweede deel kwam eerder dit jaar en bleek minstens net zo mooi. Op Demons brachten de Cowboy Junkies een bijzonder fraai eerbetoon aan de in 2009 overleden singer-songwriter Vic Chesnutt en slaagden ze er in om de prachtige songs van Vic Chesnutt te voorzien van het herkenbare Cowboy Junkies geluid; dit zonder afbreuk te doen aan de indringende originelen. Inmiddels ligt ook het derde deel van The Nomad Series in de winkel en Sing In My Meadow is wat mij betreft het meest opzienbarende deel tot nu toe. Sing In My Meadow opent met bijzonder rauw gitaarwerk uit de linkerspeaker en iets wat lijkt op blazers (maar volgens het cd hoesje harmonica en elektrische mandoline moeten zijn) uit de rechter speaker. Ik kon me in eerste instantie nauwelijks voorstellen dat het hier ging om dezelfde band als de band die in haar beginjaren tijdens optredens de bar liet sluiten omdat het gerinkel van de glazen de muziek anders zou overstemmen, maar wanneer Margo Timmins begint te zingen is er geen twijfel meer mogelijk. Het rauwe gitaarwerk blijft niet beperkt tot de eerste noten, maar domineert de hele plaat. De gitaren van Michael Timmins piepen, kraken, schuren en ronken en contrasteren prachtig met de zwoele stem van zuslief Margo, die misschien net iets minder fluistert dan normaal, maar over het algemeen toch zichzelf blijft. Sing In My Meadow is naar verluid geïnspireerd door het werk van Miles Davis, Neil Young & Crazy Horse, The Birthday Party en Captain Beefheart. Zelf hoor ik vooral smerige bluesy en psychedelische rockmuziek met een vleugje vintage Cowboy Junkies. Het is een combinatie die geweldig uitpakt. Waar de Cowboy Junkies van nog maar een paar jaar geleden uitgeblust en ongeïnspireerd klonken, klinkt de band op het derde deel van The Nomad Series energiek en gedreven. Sing My Meadow is niet alleen het beste deel van The Nomad Series, maar ook een van de beste platen van de band tot dusver. Het legt de lat voor het laatste deel in de serie ontiegelijk hoog, maar voorlopig ben ik nog lang niet klaar met het buitengewoon fascinerende en overtuigende Sing In My Meadow. Erwin Zijleman

vrijdag 21 oktober 2011

Rachael Yamagata - Chesapeake

Van een enorme productiviteit kun je de Amerikaanse singer-songwriter Rachael Yamagata nauwelijks beschuldigen, maar alles wat ze tot dusver heeft gemaakt is wel van een onwaarschijnlijk hoog niveau. Dat gold zeker voor haar uit 2004 stammende debuut Happenstance, dat ik persoonlijk schaar onder mijn favoriete vrouwelijke singer-songwriter platen aller tijden, maar ook het in 2008 verschenen en uit twee cd’s bestaande Elephants...Teeth Sinking Into Heart was bovengemiddeld goed. Ik keek dan ook met grote belangstelling, zeer hoge verwachtingen en heel veel ongeduld uit naar de derde plaat van de singer-songwriter met Duits, Italiaans en Japans bloed in haar aderen. Deze derde plaat verscheen vorige week en luistert naar de titel Chesapeake. Ik moet de afgelopen weken geregeld lachen om de juryleden in The Voice Of Holland, die met een uiterst kritische blik luisteren naar op zich prima zangers en zangeressen, maar soms ook, om niet altijd even duidelijke redenen, met veel geweld de rode knop voor hun neus indrukken wanneer ze maar een paar noten gehoord hebben. Bij de eerste noten van Chesapeake deed ik echter precies hetzelfde. Een paar woorden van Rachael Yamagata waren voldoende om ook haar derde plaat voor een ieder die het horen wilde uit te roepen tot onbetwist meesterwerk. Inmiddels heb ik Chesapeake heel vaak gehoord, maar mijn eerste conclusie is niet meer aangepast. Ook op haar derde plaat weet Rachael Yamagata me weer genadeloos te verleiden met haar geweldige stem; een stem die me afwisselend doet denken aan Fiona Apple, PJ Harvey en een beetje Cat Power. Chesapeake heeft echter, net als zijn voorgangers, veel meer te bieden dan alleen een mooie stem. Net als op Happenstance en Elephants...Teeth Sinking Into Heart betovert Rachael Yamagata met prachtige ruwe popliedjes die variëren van lome en zwoele ballads tot stekelige rocksongs. Het zijn net als op haar vorige twee platen de jazzy, bluesy en soulvolle ballads die me het diepst weten te raken, maar ook de wat meer toegankelijke en bijna radiovriendelijke songs op Chesapeake zijn me inmiddels zeer dierbaar. Rachael Yamagata maakt net als de al eerder genoemde Fiona Apple en PJ Harvey en zeker ook Laura Nyro, muziek die niemand onberoerd zal laten, of je het nu mooi vindt of lelijk. Het is intense, vaak wat zwaarmoedige muziek waarvan je moet houden, maar als je er van houdt is de impact ook direct enorm en de liefde onvoorwaardelijk. Vergeleken met haar vorige twee platen is Chesapeake een toegankelijk en opgewekte plaat, al is dat in het geval van Rachael Yamagata maar zeer relatief. Onbegrepen door de grote platenmaatschappijen brengt ze haar muziek tegenwoordig zelf aan de man, waardoor de kans op succes kleiner en het haar aangedane onrecht alleen maar groter wordt. Zelf ben ik er inmiddels wel uit. Mijn jaarlijstje over 2011 krijgt maar zeer langzaam vorm en is voor het overgrote deel nog onzeker, maar de eerste plek is voor Rachael Yamagata en het indrukwekkende en alleen maar mooier wordende Chesapeake. Erwin Zijleman

donderdag 20 oktober 2011

Sonja van Hamel - Transcendental Man

Sonja van Hamel vormde samen met voormalig Bettie Serveert gitarist Berend Dubbe een aantal jaren de spil van de band  Bauer, wat twee prachtige platen met betoverende popmuziek opleverde. Twee jaar geleden debuteerde Sonja van Hamel als soloartiest met het opvallend sterke Winterland. Het bleek een plaat vol prachtig gearrangeerde popliedjes, die de afgelopen twee jaar nog met enige regelmaat in mijn cd-speler te vinden was. Bij herhaalde beluistering van Winterland werd het verlangen naar meer steeds nadrukkelijker aangewakkerd en dit verlangen wordt nu eindelijk bevredigd met Transcendental Man. De tweede plaat van Sonja van Hamel ligt voor een belangrijk deel in het verlengde van de positief ontvangen voorganger, maar is eigenlijk op alle vlakken beter. Voor Transcendental Man koos Sonja van Hamel de samenwerking met niemand minder dan Ken Stringfellow; samen met Joan Auer de man achter de legendarische powerpop band The Posies. Stringfellow heeft zeker invloed gehad op de muziek op Transcendental Man, bijvoorbeeld wanneer Sonja van Hamel voorzichtig flirt met powerpop, maar het is Sonja van Hamel zelf die wederom de meeste aandacht naar zich toe weet te trekken. Ook de popliedjes op Transcendental Man vallen weer op door de mooie, vaak volle, arrangementen en de bijzondere instrumentatie. Net als op Winterland heeft Sonja van Hamel een voorliefde voor stokoude elektronica, maar op Transcendental Man is ook volop plaats voor strijkers en blazers en voor de mooie gitaarlijnen van gitarist/producer J.B. Meijers. De mooie stem van Sonja van Hamel, die me nog altijd afwisselend aan Aimee Mann en Suzanne Vega doet denken, is de kers op de taart. Transcendental Man bevat vergeleken met zijn voorganger net wat minder rootsinvloeden, maar die worden wat mij betreft niet gemist. Transcendental Man is een warme, stemmige en buitengewoon sfeervolle plaat met popmuziek van een bijzonder hoog niveau. Zeer geschikt voor de buitengewoon strenge winter die de meteorologen ons voorspellen, maar ook de tweede van Sonja van Hamel lijkt me wel een plaat die met gemak een jaar of twee mee kan. Na de twee prachtige platen van Bauer liggen er twee wat mij betreft nog mooiere platen van Sonja van Hamel in de winkel, waarmee haar bijdrage aan de Nederlandse popmuziek inmiddels van aanzienlijke waarde is. Transcendental Man is echter goed genoeg om ook internationaal een woordje mee te kunnen spreken. Erwin Zijleman

woensdag 19 oktober 2011

Wild Flag - Wild Flag

Vrijwel onmiddellijk nadat de eerste tonen van het debuut van Wild Flag uit de speakers kwamen moest ik aan Sleater-Kinney denken. Deze band uit Olympia, Washington, maakte tussen 1995 en 2005 zeven platen, waarvan ik er zes koester als miskende meesterwerken. Net als Sleater-Kinney maakt Wild Flag stekelige muziek met wat onvaste en soms wat schreeuwerige vrouwenvocalen, geweldige gitaarloopjes, nerveuze orgeltjes en eigenwijze ritmes. Dat ik bij Wild Flag meteen aan Sleater-Kinney is overigens niet zo gek. Met Carrie Brownstein en Janet Weiss heeft Wild Flag twee derde van de line up van Sleater-Kinney in haar gelederen. Rebecca Cole (The Minders) en Mary Timony (die niet alleen deel uit maakte van Helium, maar ook een aantal hele goede soloplaten maakte) completeren het viertal. Iedereen die de muziek van Sleater-Kinney hoog heeft zitten, zal zeer gecharmeerd zijn van het debuut van Wild Flag. Dat betekent overigens niet dat Wild Flag fantasieloos voortborduurt op de muzikale erfenis van het zwaar onderschatte Sleater-Kinney. De muziek van Wild Flag is vooral een stuk veelzijdiger. In een aantal tracks transformeren de puntige rockliedjes van de band langzaam maar zeker in Phil Spector achtige meidenpop, maar hiertegenover staan een aantal songs waarin de vier dames heavy metal aspiraties lijken te hebben of juist wegzweven op psychedelische aandoende geluidstapijten. Het maakt van het titelloze debuut van Wild Flag een buitengewoon leuke plaat. Net als bij Sleater-Kinney ligt de kracht van de muziek voor een belangrijk deel in de scherpe kantjes, ruwe randjes en enorme hoeveelheid energie, maar Wild Flag voegt hier nog meer muzikaliteit aan toe. Het debuut van Wild Flag is een rauwe, avontuurlijke en dynamische rockplaat vol met ruwe popdiamanten. Het is een plaat die uitnodigt tot het noemen van namen (waarbij alles tussen Lene Lovich, The Shirts en The Bangles in aanmerking komt), maar uiteindelijk is het vooral een plaat om vreselijk van te genieten. Het is een plaat die klinkt alsof hij in een verloren middag is opgenomen en waarschijnlijk is dat nog zo ook. Het draagt alleen maar bij aan de frisheid van de douche die Wild Flag over je heen stort. Eindelijk weer eens een debuut dat er toe doet. Dat de dames niet meer zo piep zijn vergeten we voor het gemak maar even. Erwin Zijleman

dinsdag 18 oktober 2011

Gregory Page - My True Love

Gregory Page is een Britse muzikant die inmiddels een aantal jaren in Amerika woont en werkt. Ik ontdekte hem een jaar of vijf geleden, toen het fraaie Love Made Me Drunk verscheen. Love Made Me Drunk leek met zijn jazzy nachtclub muziek zo weggelopen uit de jaren 20 en 30, maar bleek een ideale soundtrack voor lome zondagochtenden. Sindsdien brengt Gregory Page aan de lopende band platen uit. Erg succesvol zijn ze niet, al werd het vorig jaar verschenen Promise Of A Dream in Nederland relatief warm ontvangen. Ik hield het tot dusver nog altijd bij Love Made Me Drunk en was nog niet toegekomen aan Promise Of A Dream. Dat zal waarschijnlijk ook niet meer gebeuren, want inmiddels is er al weer een nieuwe plaat van Gregory Page verschenen: My True Love. Ook My True Love is weer een plaat die lijkt weggelopen uit een heel ver verleden, maar op ene manier gedijt de muziek van Gregory Page uitstekend in het heden; zeker nu de blaadjes weer beginnen te vallen. Ook My True Love staat vol met heerlijk lome popliedjes. De instrumentatie is over het algemeen uiterst sober maar smaakvol. De basis wordt steeds gevormd door piano of akoestische gitaar, waarna blazers en strijkers zorgen voor de versiering. Het is stemmige muziek die mooi kleurt bij de warme en emotievolle stem van Gregory Page. Zeker in de tracks waarin piano en blazers het geluid bepalen neemt Gregory Page je mee terug naar de rokerige Amerikaanse nachtclubs van de jaren 20 en 30, maar My True Love bevat ook een aantal meer eigentijds klinkende songs. My True Love is een plaat die je bij eerste beluistering direct zal bevallen. De muziek van Gregory Page klinkt immers niet alleen authentiek, maar ook volstrekt tijdloos. Bij eerste beluistering is de muziek van Gregory Page vooral aangenaam. Het lijkt vooral muziek om bij weg te dommelen, de krant te lezen, een fles wijn leeg te drinken of uitgebreid te ontbijten. Net als Love Made Me Drunk heeft My True Love echter ook iets verslavends. In eerste instantie luister je nog bijna achteloos naar de stemmige muziek van Gregory Page, maar op een gegeven moment heeft hij je te pakken, waarbij de wat meer folky songs wat mij betreft meer indruk maken dan de jazzy songs. My True Love begint net als Love Made Me Drunk als de ideale soundtrack voor lome en koude zondagochtenden, maar is uiteindelijk veel meer dan dat. Gregory Page is een unieke muzikant die veel meer waardering verdient dan hij tot dusver krijgt. Erwin Zijleman

maandag 17 oktober 2011

Siena Root - Root Jam

De covert art van Root Jam van Siena Root ziet er precies zo uit als de vage hardrock platen waar ik in een heel, heel ver verleden zo gek op was, al is het natuurlijk jammer dat de klaphoes van de LP’s van vroeger is vervangen door zo’n lullig cd boekje en dat de geur van vers geperst vinyl ontbreekt. De visuele associaties met muziek uit het verre verleden waren voor mij echter voldoende reden om Root Jam van Siena Root eens in de cd speler te stoppen en daar heb ik geen spijt van gekregen. Root Jam van Siena Root ziet er niet alleen uit als een vage hardrock plaat uit het verleden, maar klinkt ook zo. Het is overigens mijn eerste kennismaking met de Zweedse band die al een aardige stapel platen op haar naam heeft staan en het is er een die indruk maakt. Root Jam is een heuse dubbele live-plaat; in de jaren 70 de kroon op carrière van iedere rockband die zichzelf ook maar enigszins serieus nam. De plaat werd vorig jaar opgenomen, maar had net zo goed uit de jaren 70 kunnen stammen. Het is een plaat die qua sfeer en impact herinnert aan de legendarische live-platen van onder andere Kiss en Deep Purple, wat voor een belangrijk deel is te danken aan het besluit om niet teveel te sleutelen aan het ruwe live-geluid van Siena Root. Ook in muzikaal opzicht doet de muziek van Siena Root me wel wat aan Deep Purple denken, zeker wanneer de band wat langer door jamt en invloeden uit de blues verwerkt in haar muziek. Naast invloeden uit de blues spelen ook invloeden uit de psychedelica en de Oosterse muziek een belangrijke rol in de stevige rockmuziek van de Zweden. Siena Root schuift hierdoor ook zo nu en dan op in de richting van Led Zeppelin, maar ook deze vergelijking gaat maar ten dele op. Root Jam overtuigt op Root Jam met 70s hardrock in de breedste zin van het woord. De Zweedse band doet op zich geen enkele poging om te vernieuwen, maar desondanks klinkt de muziek op deze live-plaat niet gedateerd. Siena Root is een trio, maar krijgt dit keer flink wat extra steun, waardoor onder andere violen en een zangeres worden toegevoegd aan de elementaire rockklanken. Root Jam wint hierdoor alleen maar aan kracht. Iedereen die niets heeft met 70s hardrock zal waarschijnlijk niet veel horen in deze plaat, maar voor een ieder die wel overweg kan met dit soort muziek, is Root Jam een schatkist vol moois en wat mij betreft veel meer dan een trip down Memory Lane. Erwin Zijleman

zondag 16 oktober 2011

Feist - Metals

Het is lang stil geweest rond de Canadese singer-songwriter Leslie Feist. Haar vorige plaat, The Reminder, verscheen in de lente van 2007 en zorgde voor haar internationale doorbraak. Deze doorbraak is Leslie Feist niet in de koude kleren gaan zitten. Dat was vorig jaar al te zien op de boeiende DVD Look At What The Light Did Now, maar is nog beter te horen op Feist’s nieuwe plaat Metals. Leslie Feist zocht voor Metals de rust op en trok zich terug in de Californische natuur. Dat heeft zijn weerslag gehad op haar muziek. De bij vlagen uitbundige en hitgevoelige pop van The Reminder, is op Metals verruild voor behoorlijk ingetogen songs en songs waarin Leslie Feist, meer dan op The Reminder, het avontuur opzoekt. Hoewel ik The Reminder een uitstekende plaat vond, bevalt de nieuwe koers van Leslie Feist me wel. Waar The Reminder al haar geheimen met één imposante klap prijs gaf, is Metals een plaat die je moet ontdekken en waarvan je moet leren houden. Dat valt soms niet mee, want Metals is, zeker vergeleken met The Reminder, een behoorlijke grillige plaat. Op Metals laat Feist zich bijstaan door producer Valgeir Sigurosson (Sigur Ros), haar muzikale maatje Chilly Gonzales en een aantal strijkers en verkent ze op opvallende wijze meerdere stijlen. Dit varieert van lome jazzy pop die ook van Norah Jones had kunnen zijn, soulvolle pop die herinnert aan de hoogtijdagen van Laura Nyro en heerlijk intieme folk tot bijna experimentele muziek die net zo goed op Hounds Of Love van Kate Bush had kunnen staan. Een aantal songs op Metals kabbelen aangenaam voort, maar in een aantal andere songs strijkt Leslie Feist nadrukkelijk tegen de haren in, wat zeker in het begin wel enige gewenning vraagt. Ik heb Metals inmiddels een tijdje in huis, maar heb de recensie van de plaat bewust even laten liggen. Ik moet eerlijk toegeven dat ik in eerste instantie wel wat moeite had met een aantal songs op Metals, maar de songs die me in het begin helemaal niet wisten te overtuigen blijken uiteindelijk het mooist. Leslie Feist had met The Reminder Part 2 haar muzikale toekomst veilig kunnen stellen, maar kiest op Metals voor een duidelijk andere weg. Dat dwingt niet alleen respect af, maar levert bovendien een plaat af die waarschijnlijk nog lange tijd door kan groeien. Het is nog steeds wat te vroeg om Metals te onthalen als Leslie Feist’s meesterwerk, maar de plaat is als je het mij vraagt hard op weg. Erwin Zijleman

vrijdag 14 oktober 2011

Ryan Adams - Ashes & Fire

Ryan Adams stond ooit bekend om zijn enorme productie, maar daar is de afgelopen jaren flink de klad in gekomen. Wanneer we het vorig jaar verschenen III/IV beschouwen als een serie kliekjes van de plank, moeten we terug naar 2008 voor de laatste plaat met nieuw werk van Ryan Adams (Cardinology); een magere score voor de man die een jaar of zes geleden nog 4 platen in een jaar wist uit te brengen en hier nog eenzelfde aantal niet officieel uitgebrachte platen aan toevoegde. Met Ashes & Fire ligt er eindelijk weer eens een nieuwe Ryan Adams plaat in de winkel en het is er een die anders klinkt dan zijn directe voorgangers. Ryan Adams en zijn band The Cardinals waren de afgelopen jaren onafscheidelijk, maar op Ashes & Fire is Ryan Adams eindelijk weer eens in zijn uppie. Je hoopt dan natuurlijk direct dat hij weer eens een plaat maakt die lijkt op zijn onbetwiste meesterwerk Heartbreaker uit 2000; een wens die inmiddels al een jaar of 10 onbeantwoord is gebleven. Na Ashes & Fire een aantal malen te hebben beluisterd kan ik eigenlijk alleen maar concluderen dat deze wens eindelijk is uitgekomen. Ashes & Fire is zeker niet Heartbreaker part 2, maar de plaat ligt wel duidelijk in het verlengde van de beste plaat die Ryan Adams tot dusver heeft gemaakt. Ashes & Fire is een ingetogen en melancholische plaat vol uitstekende songs. Ryan Adams heeft de uitspattingen richting hardrock, glamrock, powerpop en countryrock (gelukkig) achter zich gelaten en maakt weer de over het algemeen wat droevige Americana waarmee hij ooit doorbrak. Voor de productie koos Adams niet voor zijn oude maatje Ethan Johns, die Heartbreaker en opvolgers Gold en Demolition produceerde, maar voor diens vader, Glyn Johns. Ook de oude Johns heeft een CV om U tegen te zeggen. Op dit CV prijken immers namen als The Beatles, Led Zeppelin, The Rolling Stones, The Who, The Eagles, The Clash en Emmylou Harris. Laatstgenoemde was te horen op één van de hoogtepunten van Heartbreaker, maar heeft dit keer haar plekje af moeten staan aan Mandy Moore en Norah Jones. Vanuit het verleden van Glyn Johns klinken verder vooral de platen van The Eagles door, al is de naam van Neil Young nog altijd de naam die het meest frequent bij me op komt wanneer ik naar de muziek van Ryan Adams luister. Net als zoon Ethan is ook Glyn Johns een trefzeker producer die hier en daar flink wat uit de kast trekt maar toch een behoorlijk sober geluid aflevert. Ondanks de flinke lijst gastmuzikanten klinkt Ashes & Fire als een echte Ryan Adams soloplaat. Ashes & Fire is een stemmige en mooi klinkende plaat waarop alles weer eens om de songs draait. Deze zijn zonder uitzondering prachtig. Ashes & Fire mist een deel van de magie van Heartbreaker, maar komt verder akelig dicht in de buurt. Ryan Adams is de afgelopen jaren al door menigeen afgeschreven, maar bewijst met Ashes & Fire dat hij het nog steeds kan. En hoe. Erwin Zijleman

donderdag 13 oktober 2011

The Amazing - Gentle Stream

De Zweedse band The Amazing verraste een paar jaar geleden met een buitengewoon knap debuut dat nauwelijks in een hoekje te duwen bleek. Het deed me wel wat denken aan de muziek van landgenoten Dungen en dat was ook niet zo gek, want The Amazing bestaat deels uit leden van deze band. Net als Dungen heeft The Amazing een voorliefde voor psychedelica, maar The Amazing beperkt zich hier zeker niet toe. Gentle Stream, de tweede plaat van de band (de EP Wait For A Light To Come niet meegerekend), bevat acht tracks, waarin psychedelica wordt afgewisseld met folk, rock, pop en zelfs een vleugje progrock. De drijvende kracht achter The Amazing is singer-songwriter Christoffer Gunrup. Hij heeft zich in The Amazing niet alleen omringd met leden van Dungen, maar ook met een tweetal hoog aangeschreven Zweedse jazzmuzikanten. Gentle Stream is hierdoor, zeker in muzikaal opzicht, een spannende en in kwalitatief opzicht hoogstaande plaat. The Amazing staat op haar tweede plaat garant voor veel muzikaal vuurwerk, waaronder met name prachtig gitaarwerk, maar voorman Christoffer Gunrup verliest de essentie van het popliedje op een of andere manier nooit uit het oog. Alle leden van de band mogen in de voornamelijk lange tracks (het merendeel klokt rond de 6 minuten) los gaan op hun instrumenten, maar het staat altijd in dienst van de songs. Gentle Stream is hierdoor niet alleen een spannende en knap in elkaar stekende plaat, maar ook een hele aangename plaat. In eerste instantie was ik vooral bezig met het doorgronden van de niet altijd even makkelijke muziek van The Amazing, maar na verloop van tijd kwam ik er achter dat Gentle Stream ook een plaat is waarbij je lekker weg kunt dromen. De tweede van The Amazing laat zich in dat geval beluisteren als een muzikale tijdreis door een aantal decennia rockmuziek. Het is een reis die zo nu en dan een déjà vu gevoel op zal roepen, maar meestal klinkt de muziek van The Amazing toch net iets anders dan je gewend bent. The Amazing vermengt op Gentle Stream op bijzondere wijze meerdere stijlen. Hierbij wordt recht gedaan aan alle inspiratiebronnen, maar op hetzelfde moment staan deze ook volledig in dienst van de aangename rockmuziek die The Amazing maakt. Uiteindelijk blijf je zitten met een plaat die nauwelijks te beschrijven is (want hoe beschrijf je complexe muziek die toch toegankelijk is?), maar je wel iedere keer weet mee te slepen naar uitgestrekte velden voor kleurige en geurige bloemen. Vergeet deze recensie daarom direct, maar vergeet niet om te luisteren naar de even wonderlijke als wonderschone klanken van The Amazing. Uit Zweden. Erwin Zijleman

woensdag 12 oktober 2011

Brooke Fraser - Flags

In een jaar waarin de zomer het flink liet afweten is het even zoeken naar de jaarlijkse zomerhit. Uiteindelijk kan ik alleen maar uit komen bij Something In The Water (hoe toepasselijk) van Brooke Fraser. Something In The Water is zo’n popliedje waarin werkelijk alles klopt. Je wordt er heel vrolijk van, maar het is geen plat vermaak. Het is lekker lichtvoetig, maar heeft ook wel wat te bieden. Je krijgt het er warm van, maar het is ook een koel briesje. Het smaakt als heel veel koude biertjes, maar je krijgt er geen hoofdpijn van etc. Something In The Water klinkt als Norah Jones met lentekriebels, Paula Cole die het leven weer door een roze bril bekijkt of Sarah MacLachlan die de wierook een keer niet heeft ontstoken. Het is een ongelooflijk knap popliedje, waarmee Brooke Fraser haar plekje in de spotlights vol overtuiging afdwingt. Helemaal uit de lucht vallen komt deze Nieuw-Zeelandse singer-songwriter overigens niet. In haar vaderland maakte ze in haar hele jonge jaren de lokale EO-jongerendagen onveilig, maar wordt ze inmiddels ook al een jaar of acht gerekend tot de smaakmakers van de Nieuw-Zeelandse popmuziek. Met haar cd Flags gaat Brooke Fraser ook de rest van de wereld veroveren, want wat is dit een leuke plaat. Openingstrack Something In The Water is meteen ook de beste track op het album, maar de andere tien perfecte popliedjes op de plaat blijven niet heel ver achter. Brooke Fraser heeft Nieuw-Zeeland voor de opname van Flags verruild voor Los Angeles en dat is te horen. Flags citeert rijkelijk uit de Amerikaanse singer-songwriter pop van de afgelopen twee decennia, maar verrijkt deze vaak net wat te gezapige muziek met een dosis Nieuw-Zeelandse pit en lef. Flags is geen plaat om heel veel woorden aan vuil te maken. Brookse Fraser beschikt over een aangename en warme stem en heeft muzikanten en producers om zich heen verzamelt die precies weten hoe een goed popliedje moet klinken. Omdat Brooke Fraser precies weet hoe ze deze goede popliedjes moet schrijven, valt er eigenlijk niets aan te merken op Flags. Het is een plaat die klopt en ook nog eens vermaakt, al moet gezegd worden dat de meeste songs een stuk minder uitbundig zijn dan het wel heel opgewekte Something In The Water. De criticus zal opmerken dat het allemaal wel erg lichtvoetig is en dat Brookse Fraser vast een veel betere plaat gaat maken wanneer haar levensgeluk een knauw krijgt, maar ik ben helemaal tevreden met de Brookse Fraser van nu. Something In The Water heeft in zijn uppie de zomer van 2011 gered. Flags gaat nu zorgen voor een prachtig najaar. Erwin Zijleman

dinsdag 11 oktober 2011

Zola Jesus - Conatus

Zola Jesus is het alter ego van de uit Madison, Wisconsin, afkomstige Nika Roza Danilova (inderdaad meer een naam voor een tennisster dan voor een muzikant). Vorig jaar maakte de Amerikaanse met Russische voorouders een goede indruk met het veelbelovende Stridulum II. Dit jaar maakt Zola Jesus de belofte helemaal waar met haar nieuwe plaat Conatus. Stridulum II vond ik zelf een interessante en bij vlagen hele mooie plaat, maar als geheel vond ik het toch wat te zwaar op de hand en te overweldigend om met enige regelmaat te beluisteren. Ook Conatus is zeker geen makkelijke plaat, maar op één of andere manier kost het me dit keer helemaal geen moeite om de plaat volledig te beluisteren en zet ik hem met enige regelmatig zelfs gewoon nog een keer op. Ook het geluid van Conatus wordt weer voor een belangrijk deel bepaald door de imposante stem van Zola Jesus. Het is een stem als een misthoorn, die me persoonlijk meer dan eens doet denken aan Siouxsie Sioux en Diamanda Galás, maar ook de stemmen van Elizabeth Frazer (Cocteau Twins), Sinéad O'Connor, Soap & Skin en Fever Ray liggen constant op de loer. Zola Jesus zingt op Conatus meer ingetogen dan op haar vorige plaat, al is dat in haar geval maar relatief. De imposante vocalen worden voornamelijk begeleid door aan de ene kant strakke drums en beats en aan de andere kant atmosferische klanken die zowel elektronisch (synths) als organisch (strijkers) van aard zijn. Het is een combinatie die geweldig uitpakt. Conatus is een bezwerende en betoverende plaat die je met speels gemak weet in te pakken. Wat de muziek van Zola Jesus zo fascinerend maakt is, naast de fantastische zang, de bijna merkwaardige mix van stijlen. Conatus haalt haar inspiratie deels uit de klassieke muziek, maar flirt hiernaast net zo makkelijk met avant garde, gothic en industrial als met synthpop, electronica en pure pop. Conatus ligt hierdoor makkelijk in het gehoor dan zijn voorganger, maar biedt nog altijd meer dan voldoende diepgang en avontuur. Dit is deels de verdienste van het toegankelijkere klankentapijt op Conatus, maar ook de meer gedoseerde wijze waarop Zola Jesus haar stem gebruikt speelt een belangrijke rol. Zola Jesus galmt niet langer continu als een operazangeres, maar klinkt net zo makkelijk als elektro queen of in haar uppie als Stevie Nicks en Christine McVie tijdens de hoogtijdagen van Fleetwood Mac. Het ene moment blaast ze je omver om je vervolgens teder op te tillen en mee te voeren naar surrealistisch aandoende omgevingen die zowel wonderschoon als angstaanjagend zijn. Op basis van Stridulum II verwachte ik mooie dingen van Zola Jesus, maar Conatus overtreft mijn stoutste verwachtingen. Absoluut een van de meest intrigerende releases van het afgelopen jaar en hierdoor nadrukkelijk een jaarlijstjeskandidaat. Erwin Zijleman

maandag 10 oktober 2011

DVD - Il Lombardia

Door alle dopingschandalen van de afgelopen jaren is mijn liefde voor het wielrennen wat bekoeld, maar de grote klassiekers blijven toch mooi. Een van de meest aansprekende klassiekers is ongetwijfeld de Ronde van Lombardije, oftewel Il Lombardia. In een van de laatste belangrijke wedstrijden van het jaar trekken de wielrenners nog eenmaal ten strijde, met een prachtig Italiaans herfstlandschap vol venijnige bergen als decor. Over Il Lombardia, die dit jaar zal worden verreden op zaterdag 15 oktober, is een bijzonder fraaie documentaire gemaakt door regisseur Johannes Sigmond en producer Robert Jan van Noort. Tijdens de afgelopen vier edities van Il Lombardia maakten ze fraaie sfeerimpressies, waarin er niet alleen aandacht is voor de helden van tegenwoordig, maar ook voor de helden van weleer en voor de toeschouwers die de elementen trotseren in hun poging een glimp op te vangen van de wielrenners en de wielersport vol Italiaanse passie en temperament beleven. Het levert een prachtige documentaire op die Il Lombardia vanuit meerdere perspectieven belicht en daarom een waardevolle aanvulling vormt op de beelden van Studio Sport. Ik bespreek de DVD Il Lombardia, met de mooie ondertitel “een liefdesverklaring aan de klassieker van de dode bladeren”, hier niet alleen vanwege de bijzonder fraaie beelden, maar ook vanwege de muziek. Voor de soundtrack bij de film tekende immers regisseur Johannes Sigmond, die de muziekliefhebbers onder ons beter kennen als Blaudzun. Sigmond is een fervent wielerliefhebber en ontleende zijn alter ego aan de relatief onbekende Deense wielrenner Verner Blaudzun. Met Seadrift Soundmachine maakte hij vorig jaar één van de mooiste platen van het jaar en begin 2012 zal zijn nieuwe plaat, Heavy Flowers, verschijnen. De soundtrack bij de film Il Lombardia is  niet direct te vergelijken met de reguliere platen van Blaudzun maar combineert een aantal van zijn liefdes (film, muziek, wielersport). Op de reguliere platen is de muziek van Blaudzun al behoorlijk beeldend, maar op de soundtrack staat de muziek volledig in dienst van de prachtige beelden. Het levert stemmige muziek op die absoluut opvalt en nogmaals het enorme talent van Blaudzun onderstreept. Il Lombardia is hiermee een aardig voorproefje op Heavy Flowers, dat in januari in de winkel moet liggen, maar is vooral een prachtig eerbetoon aan een bloedstollende wielerwedstrijd. Of ik op 15 oktober zal afstemmen op Studio Sport voor de 2011 editie van Il Lombardia weet ik nog niet, maar de schitterende film over de afgelopen edities zal ik zeker nog meer dan eens bekijken .... en beluisteren. Erwin Zijleman

zondag 9 oktober 2011

Drive-By Truckers - Ugly Buildings, Whores And Politicians: Greatest Hits 1998-2009

De Drive-By Truckers reken ik inmiddels precies tien jaar tot mijn favoriete bands. De band uit Athens, Georgia, blies me tien jaar geleden compleet van mijn sokken met het geweldige Southern Rock Opera en weet me sindsdien iedere keer weer te verrassen met steeds net iets anders klinkende, maar zonder uitzondering buitengewoon imponerende platen. Aan een verzamelaar van de Drive-By Truckers had ik op zich geen behoefte (ik heb alle platen van de band al in de kast staan), maar Ugly Buildings, Whores And Politicians: Greatest Hits 1998-2009 (geweldige titel overigens) zit inmiddels al een tijdje in de cd-speler van de auto en is er maar heel moeilijk uit te krijgen. Voor iedereen die nog niets of nog niet veel muziek van de Drive-By Truckers in huis heeft, biedt Ugly Buildings, Whores And Politicians: Greatest Hits 1998-2009 een hele fraaie kennismaking met het werk van de Drive-By Truckers. De 16 tracks op de maar liefst 75 minuten durende plaat, laten horen hoe goed en hoe veelzijdig de Drive-By Truckers zijn. Ook op Ugly Buildings, Whores And Politicians: Greatest Hits 1998-2009 laat de muziek van de band zich beschrijven als het beste van The Replacements, The Rolling Stones, R.E.M., The Band, Lynyrd Skynyrd, Uncle Tupelo en Neil Young en schakelen de Drive-By Truckers traploos tussen dampende Southern rock, rauwe rock ’n roll, donkere alt-country en eigenzinnige American Underground rock. Op deze verzamelaar ligt de nadruk op het wat stevigere werk van de band, maar gelukkig is er ook ruimte voor net wat meer ingetogen momenten, waarin de songwriter skills van de leden van de band misschien nog wel beter tot zijn recht komen. Beluistering van deze verzamelaar is niet zonder risico. Wanneer je deze 16 tracks eenmaal achter de kiezen hebt, wil je eigenlijk alleen maar meer en is de wens tot aanschaf van het complete oeuvre van de band nauwelijks te onderdrukken. Ugly Buildings, Whores And Politicians: Greatest Hits 1998-2009 bestrijkt zoals de titel al aangeeft de periode tussen 1998 en 2009 en bevat daarom geen tracks van de laatste twee platen van de band, The Big To-Do uit 2010 en Go-Go Boots uit 2011. Ook aan deze platen val je je zeker geen buil, maar als ik zelf zou moeten kiezen voor een aanvulling op deze mooie verzamelaar, zou ik toch kiezen voor een van de meesterwerken van de band: Southern Rock Opera uit 2001, The Dirty South uit 2004, A Blessing And A Curse uit 2006 of Brighter Than Creation’s Dark uit 2008. Zelf kijk ik in de tussentijd met extreem hoge verwachtingen uit naar de nieuwe plaat van de band, die me vast weer niet gaat teleurstellen. Erwin Zijleman

zaterdag 8 oktober 2011

Adam Cohen - Like A Man

Kinderen van beroemde muzikanten die zelf muziek gaan maken. Het was niks, het is niks en het zal nooit wat worden. Het is een regel die meestal op gaat en ook lange tijd op ging voor Adam Cohen, zoon van Leonard Cohen. Het belangrijkste probleem van deze muzikale kinderen is dat ze altijd hun uiterste best doen om niet te lijken op hun ouders, waardoor ze ook niet profiteren van de muzikale genen en muzikale opvoeding die ze thuis bewust of onbewust hebben mee gekregen. Adam Cohen is eindelijk gestopt met het vechten tegen de muzikale erfenis van zijn beroemde vader en levert met Like A Man direct een plaat af die er toe doet. Like A Man is in zo ongeveer alles beïnvloedt door de muziek van zijn vader, maar desondanks klinkt Like A Man als een plaat van Adam en niet als een plaat van Leonard. Zeker wanneer Adam Cohen langzaam fluistert komt zijn stem in de buurt van die van zijn vader in zijn jongere jaren, maar over het algemeen genomen is de stem van de jonge Cohen telg hoger en is zijn bereik een stuk groter. Net als zijn vader heeft Adam Cohen een voorliefde voor donkere songs. Like A Man is een plaat vol melancholie waarop eenzaamheid een centraal thema lijkt te zijn. Deze melancholie is verpakt in behoorlijk ingetogen songs waarin een eenvoudige akoestische gitaar en de mooie en warme stem van Adam Cohen meestal de basis vormen. Net als zijn vader is ook Adam Cohen een meester in het oppoetsen van zijn muziek. Het orgeltje dat frequent opduikt lijkt zo weggelopen van een aantal Leonard Cohen platen en hetzelfde geldt eigenlijk voor de spaarzame achtergrondzang. Hiernaast valt Like A Man op door mooie strijkers en bijzonder trefzekere basloopjes, die de over het algemeen genomen bijzonder sobere plaat voorzien van de broodnodige variatie. Like A Man is een plaat die het uitstekend zal doen op natte herfstdagen en koude en donkere winterdagen, maar ook tijdens de verdwaalde zomerse dagen van de afgelopen week kwam de plaat uitstekend tot zijn recht. De popliedjes van Adam Cohen lijken eenvoudig, maar blijken meer dan eens over een dubbele bodem te beschikken, waardoor Like A Man lang blijft verrassen. Wat uiteindelijk overblijft is een sfeervolle en warme plaat met wonderschone popliedjes. Het zijn popliedjes die overduidelijk zijn geïnspireerd door het werk van de oude Leonard, maar zoon Adam geeft er op fraaie wijze een eigen draai aan. Kinderen van beroemde muzikanten die zelf muziek gaan maken. Af en toe wordt het echt wel wat. Erwin Zijleman

vrijdag 7 oktober 2011

**** STEVE EARLE kaartenactie ****

Eerder dit jaar verscheen I'll Never Get Out Of This World Alive van Steve Earle (zie de onderstaande recensie). Het is een plaat die steeds mooier en relevanter wordt, maar op de planken komt de muziek van Steve Earle wat mij betreft toch het best tot zijn recht. 

Op donderdag 13 oktober staat Steve Earle samen met zijn band en vrouwlief Allison Moorer op het podium  van de Effenaar in Eindhoven voor een naar verwachting spetterend optreden.

Als lezer van de Krenten uit de Pop kun je hier met een beetje geluk gratis naar toe. De Effenaar stelt immers 2 x 2 kaarten ter beschikking. 

Stuur dus snel en in ieder geval voor 10 oktober een mailtje naar dekrentenuitdepop@xs4all.nl en wie weet sta jij donderdag 13 oktober bij Steve Earle in Eindhoven.

Voor meer informatie zie: http://www.effenaar.nl/agenda/6968.

Steve Earle -  I'll Never Get Out Of This World Alive

Steve Earle debuteerde in 1986 met het geweldige Guitar Town; als je het mij vraagt één van de meest memorabele debuten uit de jaren 80. Het is een voorbeeld van een plaat die eigenlijk niet is te overtreffen en hierdoor een verlammende uitwerking kan hebben op het verdere verloop van de carrière van een muzikant. Steve Earle heeft hier weinig of eigenlijk geen last van gehad. Sinds Guitar Town maakte Earle een imposante stapel geweldige platen, waarop hij zichzelf steeds weer opnieuw uitvond. Het zijn platen die voor een belangrijk deel in het teken stonden van de behoorlijk heftige levenswandel van de Amerikaanse singer-songwriter, maar met name het afgelopen decennium heeft Steve Earle zich ook regelmatig laten horen als maatschappijcriticus (met Earle’s reactie op 9-11, het nog altijd prachtige John Walker’s Blues uit 2002, als beste voorbeeld). De laatste jaren is het leven van Steve Earle, mede door zijn huwelijk met singer-songwriter Allison Moorer, in een wat rustiger vaarwater terecht gekomen. Dat is niet zonder gevaar, want de gemiddelde muziekcriticus slijpt in dat geval onmiddellijk de messen. Het gemor begon direct bij het in 2007 verschenen Washington Square Serenade, maar verstomde weer bij het prachtige Townes uit 2009. Aan Townes van Zandt komt een zichzelf respecterend muziekcriticus immers niet. Het deze week verschenen I'll Never Get Out Of This World Alive kan niet zonder meer rekenen op positieve recensies, want aan gelukkige muzikanten heeft de gemiddelde muziekcriticus een broertje dood. Ik lees tot dusver vooral dat Steve Earle stil staat op zijn nieuwe plaat en voor het eerst in lange tijd geen nieuwe wegen in slaat. Het is kritiek waar ik me op zich wel in kan vinden. I'll Never Get Out Of This World Alive bevat inderdaad geen grote verrassingen en laat muziek horen die we inmiddels kennen van Steve Earle. De conclusie dat I'll Never Get Out Of This World Alive een weinig opzienbarend tussendoortje is of zelf een slechte plaat gaat me echter veel te ver. I'll Never Get Out Of This World Alive is wat mij betreft zelfs een prima plaat. Het begint al bij de prachtige productie van T Bone Burnett en de geweldige muzikanten die Steve Earle omringen, onder wie wederom vrouwlief Allison Moorer die op komt draven voor een fraaie ballad. Het sterkste punt van I'll Never Get Out Of This World Alive zijn echter de songs. Het zijn songs die wat vaker kiezen voor een akoestische setting en meer dan eens terugkeren naar de folk en country roots van Steve Earle. I'll Never Get Out Of This World Alive klinkt daarom wat minder venijnig of zelfs minder urgent dan de platen die hij gedurende de jaren 90 en aan het begin van het nieuwe millennium maakte, maar dat is slechts schijn. I'll Never Get Out Of This World Alive valt op het eerste gehoor misschien een klein beetje tegen, maar wanneer je je hebt verzoend met het feit dat Steve Earle dit keer meer retrospectief te werk gaat en minder hard en frequent schopt, blijkt het al snel een hele mooie plaat die minder vrijblijvend is dan hij op het eerste gehoor doet vermoeden. De meningen zijn dit keer misschien verdeeld, maar wat mij betreft heeft Steve Earle wederom een plaat gemaakt die voldoet aan de torenhoge standaarden die hij zichzelf al sinds zijn dit jaar precies 25 jaar oude debuut heeft opgelegd. Erwin Zijleman


donderdag 6 oktober 2011

Nirvana - Nevermind, Deluxe Edition

Op 24 september 1991 verscheen Nevermind, de tweede cd van de Amerikaanse band Nirvana. De band uit in Aberdeen, Washington, had met haar debuut Bleach twee jaar eerder redelijk wat aandacht getrokken en een aantal positieve recensies gescoord. Op basis van dit bescheiden succes hoopte de platenmaatschappij van de band stiekem dat Nevermind zo’n 250.000 keer over de toonbank zou kunnen gaan; ook in die tijd een respectabel aantal voor een alternatieve band. Nevermind zou uiteindelijk 30 miljoen keer over de toonbank gaan en al snel worden gerekend tot de belangrijkste rockplaten van de jaren 90. Inmiddels zijn we twintig jaar verder. De release Nevermind is de afgelopen weken op meerdere plaatsen herdacht, waarbij de plaat werd uitgeroepen tot de belangrijkste rockplaat van de laatste 20 jaar, 40 jaar of zelfs aller tijden. Ter ere van de twintigste verjaardag van Nevermind verscheen bovendien een aantal fraaie reissues van de meest succesvolle en de beste plaat van Nirvana. Nevermind uitroepen tot de belangrijkste rockplaat van de afgelopen 20, 40 of 60 jaar vind ik persoonlijk wat veel eer voor een plaat waarop eigenlijk niet zoveel nieuws gebeurde. De band van Kurt Cobain, Krist Novoselic en Dave Grohl kende zijn klassiekers en citeerde nadrukkelijk uit de rockmuziek van de jaren 60, 70 en 80. Persoonlijk hoor ik vooral veel van de Pixies in de muziek van Nirvana, maar iedereen die goed naar Nevermind luistert voegt daar zo een handvol minstens even relevante andere namen aan toe. Nevermind was wat mij betreft niet zo vernieuwend als de laatste weken veelvuldig wordt gesuggereerd, maar dat betekent natuurlijk niet dat het geen goede plaat is. Nevermind is zelfs een hele goede plaat. Het is een plaat met een serie songs die nog net zo trefzeker zijn als op de dag van de release twintig jaar geleden. Nevermind staat vol met rauwe rocksongs vol dynamiek, maar het zijn ook toegankelijke popsongs met onweerstaanbare melodieën. Nevermind dankt haar status als rockklassieker voor een belangrijk deel aan de trieste wijze waarop de band aan haar eind kwam, maar doet er in muzikaal opzicht natuurlijk wel toe. Dat hoor je vooral op de fraai opgepoetste versie van Nevermind, die ter verhoging van de feestvreugde is voorzien van een aantal extra tracks. De liefhebber krijgt er nog een schijf met niet altijd even interessant bonusmateriaal bij, terwijl de ware liefhebber kan kiezen voor een prijzige versie waarin ook nog een alternatieve mix van het album en een DVD met live-opnamen zijn opgenomen. Zelf heb ik genoeg aan de nieuwe versie van Nevermind. Wat mij betreft niet de meest invloedrijke rockplaat van de afgelopen 20, 40 of 60 jaar, maar wel een van de beste. Erwin Zijleman


woensdag 5 oktober 2011

Ray Bonneville - Bad Man's Blood

De van oorsprong Canadese singer-songwriter Ray Bonneville staat inmiddels al een aantal decennia op de planken. Jarenlang combineerde hij het muzikantenbestaan met uiteenlopende andere  banen, maar sinds 1993 is hij fulltime muzikant. Dat heeft hem in vaderland Canada het nodige succes opgeleverd, waaronder een prestigieuze Juno Award, maar daarbuiten is Ray Bonneville nog altijd onbekend en onbemind. Het vorige maand verschenen Bad Man’s Blood is daarom mijn eerste kennismaking met de muziek van Ray Bonneville en het is een kennismaking die aankomt als een mokerslag. Bad Man’s Blood bevat voornamelijk bluesy rootsmuziek die opvalt door de smaakvolle instrumentatie en de geweldige zang. Hoewel er flink wat muzikanten hebben bijgedragen aan Bad Man’s Blood, onder wie medeproducer en snarenwonder Gurf Morlix en saxofonist Dexter Payne, klinkt de muziek van Ray Bonneville behoorlijk sober. Bluesy gitaarspel, een verdwaalde mondharmonica en voetgestamp bepalen voor een belangrijk deel het geluid van de plaat, waardoor de imposante stem van Ray Bonneville alle ruimte krijgt om te schitteren. Het is een stem die me in eerste instantie vooral aan die van een nog niet bejaarde Johnny Cash deed denken, maar na verloop van tijd hoorde ik ook veel van John Hiatt en een heel arsenaal aan legendarische bluesmannen. Doorleefd, soulvol, warm en puur; veel meer te wensen valt er niet. Ondanks het uiterst sobere karakter van de songs van Ray Bonneville, is de impact van zijn songs maximaal. Ray Bonneville heeft zijn songs ontdaan van alle opsmuk en teruggebracht tot de essentie. Het levert een serie songs op die direct indruk maken en je niet veel later hardhandig bij de strot grijpen. Waar vrijwel al zijn soortgenoten het toevoegen van extra tierelantijntjes of omzwervingen buiten de gebaande paden niet kunnen weerstaan, verfijnt Ray Bonneville de eenvoud tot in de perfectie. Bad Man’s Blood zit in muzikaal opzicht zo knap in elkaar dat je vermoedt dat over iedere gitaaraanslag is nagedacht, maar waarschijnlijk komt alles rechtstreeks uit het hart. Bad Man’s Blood is zoals gezegd een uiterst sobere plaat, maar het is desondanks geen eentonige plaat. Door bijzonder subtiele instrumentale accenten en muzikale uitstapjes klinkt de plaat als een consistent geheel, maar klinken alle songs net iets anders. Het is een serie songs waarbinnen je overigens tevergeefs zult zoeken naar een zwakke broeder. Bad Man’s Blood is een plaat waarvoor iedere rootsmuzikant van naam en faam zou tekenen. Het is een plaat die met een wat bekendere naam op de cover ongetwijfeld direct zou worden uitgeroepen tot een meesterwerk, maar nu dreigt de anonimiteit. Of ik daar iets aan kan veranderen weet ik niet, maar laat mijn slotakkoord duidelijk zijn: WERELDPLAAT! Erwin Zijleman

dinsdag 4 oktober 2011

Henk & Melle - Roodnoot

Henk Koorn en Melle de Boer hebben allebei al een buitengewoon interessante en minstens even relevante bijdrage geleverd aan de Nederlandse popmuziek. Henk Koorn kennen we natuurlijk van Hallo Venray; de Haagse band die al sinds het eind van de jaren 80 prima platen uitbrengt en inmiddels een handvol helaas wat ondergewaardeerde Nederpop klassiekers op haar naam heeft staan. Melle de Boer stond in 2004 aan de wieg van wat mij betreft de mooiste Amerikaanse rootsplaat van eigen bodem aller tijden: Lawnmower Mind van het eveneens uit Den Haag afkomstige Smutfish. Smutfish gaf er na de altijd moeilijke tweede plaat de brui aan, maar evolueerde vervolgens fraai in John Dear Mowing Club, dat inmiddels ook al weer twee hele mooie platen heeft uitgebracht. Henk Koorn en Melle de Boer hebben eerder dit jaar de krachten gebundeld en zich een week lang opgesloten in een ijskoude (het was winter) boerderij in Utrecht, boerderij Roodnoot. Het resultaat hiervan is nu te horen op Roodnoot van Henk & Melle. Dat klinkt een beetje als een carnavalskraker, maar gelukkig wordt er op Roodnoot muziek gemaakt die er toe doet. Henk en Melle reisden blanco af naar boerderij Roodnoot en schreven ter plekke een dozijn songs. Een aantal songs werd geschreven in de rustieke omgeving van de boerderij zelf, maar toen het tweetal na een vruchteloze zoektocht naar de Utrechtse Heuvelrug eindigde in een lokale McDonalds, bleek ook dit een voedingsbodem voor wonderschone popliedjes. Alle songs op Roodnoot passen met een beetje fantasie in het hokje Americana en bestrijken hierbinnen een breed en eigenzinnig palet. In de meeste songs op Roodnoot neemt of Henk of Melle het vocale voortouw en op het eerste gehoor zijn de songs van Henk net wat toegankelijker dan die van Melle. Henk zorgt op Roodnoot voor de catchy tunes, terwijl Melle het aan de ene kant zoekt in donkere en bijna verstilde ballads en aan de andere kant de gejaagde muziek maakt zoals we die kennen van zijn bands. Boerderij Roodnoot staat echt in Utrecht, maar op basis van de muziek die Henk & Melle hebben opgenomen zou je eerder een plekje in het diepe Zuiden van de Verenigde Staten verwachten, met aan het eind een kort uitstapje over de Mexicaanse grens. Roodnoot is een plaat die charmant rammelt en hierdoor kan worden getypeerd als lo-fi Americana, maar vrijblijvend is de muziek van Henk & Melle geen moment. Ondanks de beperkte middelen klinkt Roodnoot verrassend goed en maakt de plaat in zowel instrumentaal als vocaal opzicht indruk. De meeste songs op de plaat hebben behoorlijk ruwe randjes, maar dat geeft de muziek van Henk & Melle eigenlijk alleen maar meer zeggingskracht. Roodnoot klinkt zo nu en dan als een plaat van Will (Oldham) & Neil (Young), maar uiteindelijk toch vooral als Henk & Melle. Het is een plaat vol ruwe edelstenen die naarmate je de plaat vaker hoort steeds meer gaan glimmen. Henk & Melle is uiteindelijk meer dan Henk Koorn en Melle de Boer en hierdoor een waardevolle aanvulling op beider oeuvre. Een buitengewoon leuke en interessante plaat. Erwin Zijleman

Roodnoot van Henk & Melle is verkrijgbaar via de webshop van John Dear Mowing Club: http://www.mowingclub.com/17-shop.html?category=5