dinsdag 31 januari 2012

Moss - Ornaments

Ik was ruim twee jaar geleden enorm positief over de tweede plaat van de Nederlandse band Moss, Never Be Scared/Don't Be A Hero (zie hier). Het zijn woorden waar ik nog steeds voor de volle 100% achter sta, want de tweede van Moss was, is en blijft een briljante plaat. Na zo’n plaat kan de opvolger eigenlijk alleen maar tegen vallen, maar dat doet het vorige week verschenen  Ornaments niet. Sterker nog, Ornaments is als je het mij vraagt nog een stukje briljanter dan het vrijwel perfecte Never Be Scared/Don't Be A Hero. Dat vond ik toen ik de plaat, een aantal weken geleden, voor het eerst hoorde en dat vind ik nu, vele luisterbeurten later, nog steeds. Ook op Ornaments grossiert Moss weer in avontuurlijke popliedjes van hoog niveau. Het zijn popliedjes die in een incidenteel geval ook op de vorige plaat van de band rond zanger/gitarist Marien Dorleijn hadden kunnen staan, maar als geheel is Ornaments veel meer dan Never Be Scared/Don't Be A Hero Part II. Vergeleken met de vorige plaat is het geluid van de band wat minder vol geworden, maar op hetzelfde moment is dit geluid ook verrijkt met elektronische impulsen. De overgang van de eerste naar de tweede plaat van Moss, omschreef ik twee jaar geleden als de transformatie van de jonge Beatles naar de Beatles die het experiment ontdekten, oftewel van Revolver naar The White Album. Wanneer ik deze lijn doortrek kan ik Ornaments alleen maar omschrijven als de plaat waar de Beatles helaas nooit aan toe zijn gekomen. Ornaments is lastiger te doorgronden dan zijn twee voorgangers. De aanstekelijke samenzang en de honingzoete melodieën van de voorganger hebben plaats gemaakt voor een wat stekeliger geluid, waarin gitaren en elektronica afwisselend naar de voorgrond treden en gejaagde ritmes zo nu en dan een belangrijke rol spelen. De op Vlieland opgenomen plaat klinkt op het eerste gehoor een stuk minder vol dan zijn voorganger, maar als je goed luistert ontdek je tal van versieringen (of moet ik spreken van ornamenten), waardoor de songs op de plaat beter en beter worden. Ornaments is een plaat vol dynamiek waarop gejaagde songs worden afgewisseld met meer ingetogen songs en waarop Moss net zo makkelijk overtuigt met een ingetogen refreintje als met de 9 minuten durende rockuitbarsting waarmee de plaat eindigt. Alle verhalen die ik tot dusver heb gelezen over Ornaments van Moss zijn bijna overdreven positief en ik doe daar vrolijk aan mee. Ik kan er nog wat superlatieven tegenaan gooien, maar misschien is het maar het beste als iedereen voor zich bepaalt hoe Ornaments binnen komt. De kans op teleurstelling lijkt me overigens verwaarloosbaar klein. Het muziekjaar 2012 is tot dusver een Nederland's onderonsje, met Ornaments van Moss als de volgende plaat van wereldklasse. Erwin Zijleman

maandag 30 januari 2012

Gretchen Peters - Hello Cruel World

De Amerikaanse singer-songwriter Gretchen Peters timmert inmiddels al flink wat jaren aan de weg, maar is tot dusver vooral bekend van de songs die ze schreef voor anderen, onder wie Trisha Yearwood, Martina McBride en Patty Loveless, maar ook Neil Diamond en Bonnie Raitt. Het leverde Gretchen Peters twee Grammy’s op, maar bracht helaas niet de gewenste erkenning als soloartiest. Peters is de 50 inmiddels ruim gepasseerd en heeft een aardig stapeltje platen op haar naam staan, maar desondanks is het deze maand verschenen Hello Cruel World pas mijn eerste kennismaking met het solowerk van de Amerikaanse (de prachtplaat die ze een paar jaar geleden met Tom Russell maakte ken ik uiteraard wel). Het is een kennismaking die me zeker niet is tegen gevallen, want Hello Cruel World is een erg goede plaat. In de openingstrack smijt ze er direct flink wat violen tegenaan, maar verder is Hello Cruel World van Gretchen Peters een behoorlijk sobere rootsplaat met invloeden uit de country en de folk. Dat Gretchen Peters de 50 inmiddels is gepasseerd hoor je in haar stem, die is voorzien van een mooi rauw en doorleefd randje, maar zie je ook terug in haar persoonlijke teksten. Iedereen krijgt zijn of haar portie vervelende ervaringen te verwerken, maar Gretchen Peters is afgaande op haar teksten wel erg ruim bedeeld wanneer het gaat om tegenslag en misère. Het komt de kracht van haar muziek alleen maar ten goede, want de van flink wat melancholie voorziene songs raken je stuk voor stuk in het hart. Hello Cruel World valt niet alleen op door de persoonlijke songs van Gretchen Peters en de emotievolle wijze waarop ze deze vertolkt, maar spreekt ook in muzikaal opzicht aan, wat op het conto van ervaren muzikanten als Will Kimbrough, Vicktor Krauss, John Gardner en Barry Walsh kan worden geschreven, waarvan vooral de eerste opvalt door prachtig gitaarspel. Hiernaast zorgt Kim Richey voor achtergrondvocalen en komt niemand minder dan Rodney Crowell opdraven voor een indringend duet. Met Hello Cruel World heeft Gretchen Peters een plaat gemaakt die beter is dan de laatste platen van grootheden als Emmylou Harris en Lucinda Williams en ook de competitie met de jonkies best aandurft. Alle reden dus om deze plaat op te pikken en Gretchen Peters te erkennen als een van de smaakmakers in het genre. Erwin Zijleman

zondag 29 januari 2012

Lana Del Rey - Born To Die

Er zal dit jaar geen debuut verschijnen waarover zoveel is gesproken en waar met zulke hoge verwachtingen naar is uitgekeken als naar het debuut van Lana Del Rey. Lana Del Rey werd vorig jaar wereldberoemd door het YouTube filmpje waarin ze haar eerste single Video Games vertolkte. Ondersteund door dromerige nostalgisch beelden en haar klassieke schoonheid, verleidde en betoverde de Amerikaanse in een paar maanden tijd een ieder die er naar keek met een buitengewoon stemmig popliedje zonder enige vaart, waarin Lana Del Rey met haar donkere stem en bijpassende strijkers terugkeerde naar de pop-noir van de jaren 50 en 60. Wat haar onder haar eigen naam Lizzy Grant een paar jaar geleden niet lukte, lukte nu opeens wel; de wereld lag aan de voeten van Lana Del Rey. Het zal de druk op de jonge Amerikaanse waarschijnlijk flink hebben opgevoerd, maar daar is niet zo heel veel van te merken op haar langverwachte debuut Born To Die. Dankzij Video Games werd Lana Del Rey de afgelopen maanden in het door haar zelf bedachte hokje Hollywood Sadcore geduwd, maar op Born To Die laat ze horen dat ze zich niet in een hokje laat duwen. Born To Die is een hele afwisselende plaat met tracks die zich tot elkaar verhouden als dag en nacht, zoet en zout of vreugde en verdriet. Aan de ene kant zijn er de trage en donkere tracks die in het verlengde van Video Games liggen en uit kunnen wijken richting duistere filmmuziek (de naam David Lynch valt nauwelijks te onderdrukken) of stemmige electropop zoals Portishead die in haar beste dagen maakte. Het is muziek vol onderhuidse spanning die vrijwel volledig wordt gedragen door de donkere en fascinerende stem van Lana Del Rey. Hiertegenover staan een aantal tracks met popambities. Lana Del Rey verruilt de jaren 50 en 60 in een klap voor het heden, zingt opeens meerdere octaven hoger en laat zich begeleiden door beats met invloeden uit de pop, hiphop en dancehall, waarmee ze de concurrentie met de Lady Gaga’s en Rihanna’s aan kan. Dat is eerlijk gezegd wel even schrikken na de wonderschone en aardedonkere klanken van songs als Video Games, maar het redt uiteindelijk de plaat. Twaalf maal Video Games zou teveel van het goede zijn geweest en op een of andere manier versterken de bijna tegenstrijdige songs op Born To Die elkaar alleen maar. Mijn voorkeur gaat absoluut uit naar de donkere kant van Lana Del Rey, maar wanneer de zonneschijn tijdelijk overheerst haak ik niet af. Lana Del Rey is door de hype die is ontstaan rond Video Games de afgelopen maanden te groot en waarschijnlijk ook te eigenzinnig gemaakt door de media. Desondanks houdt ze zich met haar verrassend veelzijdige en wat mij betreft verrassend sterke debuut moeiteloos staande. Born To Die is geen klassieker in de geschiedenis van de popmuziek en geen jaarlijstjesplaat, maar wel een plaat waar het talent en de belofte van af spatten. Het kan heel makkelijk mis gaan met Lana Del Rey, maar de kans dat ze de volgende keer met een onbetwist meesterwerk op de proppen komt is minstens net zo groot. Tot die tijd koester ik Born To Die als een aangename verrassing vol bezwering. Erwin Zijleman

vrijdag 27 januari 2012

Leonard Cohen - Old Ideas

Leonard Cohen is altijd een laatbloeier geweest. Toen zijn legendarische debuut in 1968 verscheen was hij al 34, toen hij aan het eind van de jaren 80 het muzikale roer flink omgooide op het briljante I’m Your Man was hij al halverwege de 50 en toen hij aan het eind van de jaren 90 na een aantal jaren in een Boeddhistisch klooster een onverwachte comeback maakte had hij de pensioengerechtigde leeftijd al bereikt. De laatste jaren maakt Leonard Cohen het echter wel heel erg bont. Op zijn 75e begon hij, noodgedwongen om zijn verkwanselde pensioen opnieuw te verdienen, aan een wereldtournee waar geen einde aan leek te komen en nu komt hij, inmiddels 77 jaar oud, met een gloednieuwe plaat op de proppen. Old Ideas volgt op een tweetal hele fraaie live-registraties en is de opvolger van het in 2004 verschenen en bijzonder mooie Dear Heather. In muzikaal opzicht ligt Old Ideas duidelijk in het verlengde van Dear Heather. Ook Old Ideas staat vol met buitengewoon stemmige popsongs waarin Leonard Cohen zijn teksten bijna fluistert. De instrumentatie is sfeervol en betrekkelijk sober. Prachtig gitaarspel, piano en een veelgebruikt orgel domineren het vooral door invloeden uit de blues, country, folk en jazz gevoede geluid, hier en daar bijgestaan door wat strijkers en de inmiddels van Leonard Cohen platen bekende vrouwelijke achtergrondzang (van de geweldige Webb Sisters die meerdere songs op de plaat naar grote hoogten tillen). Leonard Cohen klonk nog niet eerder zo doorleefd en breekbaar, wat gezien zijn leeftijd geen verrassing is, maar zijn donkere stem is nog altijd warm en overtuigend. Old Ideas is een spirituele plaat die meerdere malen verwijst naar de dood, maar voorlopig is Leonard Cohen gelukkig nog springlevend. Gezien het uiterst lage tempo van en de donkere en sobere klanken op Old Ideas, vind ik het persoonlijk vooral een plaat voor de vroege of late uurtjes, maar dat is een kwestie van smaak. Old Ideas is pas de derde studioplaat van Leonard Cohen sinds de release van The Future in 1992, maar het is wederom een hele mooie. Old Ideas is bovendien een plaat die iets toevoegt aan Leonard Cohen’s rijke oeuvre en dat is knap. De oude meester heeft zelf aangegeven dat Old Ideas waarschijnlijk zijn laatste wapenfeit zal zijn. Zelf hoop ik stiekem dat hij er nog een tourtje en een volgende plaat uit weet te persen, zoals het een echte laatbloeier betaamt. Erwin Zijleman

donderdag 26 januari 2012

Liz Green - O, Devotion!

Liz Green is een jonge Britse singer-songwriter die een paar jaar geleden al werd getipt als aanstormend talent. We hebben vervolgens lang op haar debuut moeten wachten, maar inmiddels ligt O, Devotion! ook in Nederland in de winkel. In Engeland verscheen het debuut van Liz Green al aan het eind van 2011, wat een imposante stapel bijzonder lovende recensies heeft opgeleverd in tijdschriften van naam en faam als Mojo en Uncut. Het zijn recensies waar ik mij heel goed in kan vinden, want O, Devotion! is een hele mooie en vooral ook bijzondere plaat. In het begin is het wel overigens even wennen. Liz Green beschikt over een wat onvaste en rauwe stem die overloopt van melancholie. O, Devotion is hierdoor geen plaat die de zon doet schijnen, maar zorgt er eerder voor dat de temperatuur een paar graden zakt en donkere wolken zich samen pakken boven de speakers. De niet alledaagse stem van de jonge Britse moet het in eerste instantie doen met sober en vaak repeterend akoestisch gitaarspel, maar al snel duiken de eerste strijkers, bassen en vooral blazers op. Het geeft de muziek van Liz Green een bijzonder en, na enige gewenning, ook aangenaam geluid. De muziek van Liz Green doet op O, Devotion! antiek aan en schakelt continu tussen de stokoude folk en blues uit de Appalachen en een geluid dat je meeneemt naar de donkere en rokerige nachtclubs ten tijde van de drooglegging. Folk vormt het belangrijkste bestanddeel van de muziek van Liz Green, maar ook invloeden uit de blues, jazz, 30s cabaret en Franse chansons hebben op subtiele wijze hun weg gevonden in de muziek van de Britse singer-songwriter, waardoor Liz Green zich met speels gemak kan onderscheiden van de moordende concurrentie in het genre. In eerste instantie was ik blij met de smaakvolle accenten die met name door blazers worden aangebracht, maar wanneer je eenmaal gewend bent aan de bijzondere stem van Liz Green, begin je te verlangen naar verder uitgeklede songs waarin deze stem maximale impact heeft. Je wordt als luisteraar vervolgens op je wenken bedient, want de plaat sluit af met uiterst sobere prachtsongs die het kippenvel centimeters dik op je armen zetten en je doen verlangen naar veel en veel meer. Liz Green is misschien wat te lang een grote belofte geweest, maar is met O, Devotion! de belofte meteen voorbij. Veel betere folkplaten dan haar O, Devotion! zullen er in 2012 immers niet gemaakt worden. Erwin Zijleman

woensdag 25 januari 2012

The Doors - L.A. Woman, 40th Anniversary Edition

Wat is de beste plaat van The Doors? Vraag het de kenners en ik voorspel een nek aan nek race tussen het titelloze debuut uit 1967 en L.A. Woman uit 1971. Dat is lastig kiezen, maar ik ga nu even voor de laatste, al is het maar omdat deze maand de 40th Anniversary Edition van L.A. Woman is verschenen. Dat is rijkelijk laat, want L.A. Woman verscheen in het voorjaar van 1971 en is dus al weer bijna toe aan haar 41e verjaardag. Beter laat dan nooit zullen we maar zeggen, want de nieuwe versie van L.A. Woman is absoluut een interessante reissue. Toen L.A. Woman in april 1971 verscheen was Jim Morrisson net vertrokken naar Parijs, waardoor de toekomst van de band onzeker was geworden. Deze toekomst klapte volledig in elkaar toen Jim Morrisson een paar maanden na de release van L.A. Woman in Parijs overleed, waardoor de plaat de boeken in is gegaan als het laatste serieuze wapenfeit van één van de belangrijkste bands uit de geschiedenis van de rockmuziek. Vergeleken met de meeste andere platen van The Doors bevat L.A. Woman relatief veel invloeden uit de bluesrock. Met name in de tracks waarin de bluesy invloeden domineren, klinken The Doors eigenlijk vrij doorsnee, al is hun bluesrock wel van hoog niveau en blijft Jim Morrisson natuurlijk een unieke zanger. Het interessantst zijn echter de tracks waarin de invloeden uit de bluesrock minder dominant aanwezig zijn, zoals bijvoorbeeld in de twee singles op de plaat; de popwals Love Her Madly en het lang uitgesponnen en soms bijna jazzy Riders On The Storm. Het mooist vind ik persoonlijk het psychedelische L’America; een van de minder bekende maar daarom niet minder mooie albumtracks van The Doors. Ik denk dat het minstens 20 jaar geleden was dat ik L.A. Woman compleet had gehoord en ik moet zeggen dat ik toch weer erg onder de indruk ben van deze klassieker uit de geschiedenis van de popmuziek, die aan de ene kant aangenaam voortkabbelt, maar aan de andere kant ook bol staat van het avontuur. De 40th Anniversary Edition is voorzien van een extra bonusdisc met voornamelijk alternatieve versies en een enkele nieuwe track. Leuk, maar het kan wat mij betreft niet in de schaduw staan van het voor de gelegenheid fraai opgepoetste meesterwerk uit 1971, dat echt in geen enkele platenkast mag ontbreken. Erwin Zijleman

dinsdag 24 januari 2012

Tribes - Baby

Als de we Britse muziekpers moeten geloven kan het uit Londen afkomstige Tribes wel eens uit gaan groeien tot één van de grote sensaties van 2012. De band is inmiddels met van alles en nog wat vergeleken, waarbij het vergelijkingsmateriaal zowel in Engeland (The Libertines, Blur, Oasis, Suede) als in de Verenigde Staten (Smashing Pumpkins, Nirvana, The Lemonheads, The Pixies) wordt gezocht. Als ik eerlijk ben hoor ik alle hierboven genoemde namen op een of andere manier wel terug in de muziek van Tribes, zonder dat er ook maar een echt overheerst. Tribes maakt op Baby aanstekelijke rockmuziek met stadionpretenties. De leden van de band zijn de 20 nog maar net gepasseerd, maar schrijven nu al songs die je na één keer horen niet meer vergeet. Het zijn ook nog eens lekker afwisselende songs, want naast stevige, vaak een beetje gruizige, rocksongs met een laagje glam, bevat Baby ook een aantal mooie ballads vol zeggingskracht. Vrijwel alle songs op Baby zijn groots en meeslepend, maar Tribes klinkt gelukkig ook nog als een stel jonge honden die net hun eerste stap in de richting van een glansrijke carrière hebben gezet. Ik heb het over het algemeen niet zo op de Britse bandjes die op basis van niks worden neergezet als de hype voor het komende jaar, maar Tribes is op Baby echt heel erg goed. De band beschikt in de persoon van zanger Johnny Loyd over een aansprekende voorman met een veelzijdig en aantrekkelijk stemgeluid en ook het veelkleurige gitaarwerk, dat varieert van mooie heldere lijnen tot hoge en dikke muren, op de plaat is dik in orde. Als je dan als band ook nog over het vermogen beschikt om songs te schrijven die je na een keer horen mee kunt zingen, kan ik alleen maar concluderen dat Tribes met haar debuut een plaat in handen heeft waarmee het alleen maar groot kan worden. Of we de band over precies een jaar nog herinneren als een van de sensaties van 2012 valt nog te bezien, maar dat Baby een debuut is waarmee Tribes een fraai visitekaartje heeft afgegeven en vooruit kan is absoluut zeker. De Britse critici zaten er de afgelopen jaren vaak naast met hun voorspellingen, maar deze is raak. En hoe. Erwin Zijleman

maandag 23 januari 2012

Ani DiFranco - Which Side Are You On?

De Amerikaanse singer-songwriter Ani DiFranco is de afgelopen twintig jaar uitgegroeid tot één van de meest eigenzinnige, onafhankelijke, productieve en interessante vrouwelijke singer-songwriters in het genre. Sinds haar titelloze debuut uit 1990 brengt de oorspronkelijk uit Buffalo, New York, afkomstige singer-songwriter aan de lopende band platen uit op haar eigen label Righteous Babe Records en weet ze zich, ondanks de bijna onwaarschijnlijk hoge productie, steeds weer te vernieuwen. Ani DiFranco vond ergens halverwege de jaren 90 de anti-folk uit, maar heeft dat hokje al lang weer verlaten. Het afgelopen decennium flirtte DiFranco vooral met invloeden uit de jazz, voor ze in 2008 met het fraaie Red Letter Year weer terugkeerde naar een voornamelijk folk georiënteerd geluid. Sinds de release van Red Letter Year valt de productiviteit van Ani DiFranco wat tegen. Waar ze in het verleden minimaal één maal per jaar een plaat uitbracht en soms zelfs meer, hebben we drie jaar op Which Side Are You On? moeten wachten. Voor Which Side Are You On? heeft de Amerikaanse bijna onwaarschijnlijk veel tijd genomen, maar desondanks ligt Which Side Are You On? duidelijk in het verlengde van de inmiddels drie jaar oude voorganger Red Letter Year, waarop Ani DiFranco ook al werkte met producer Mike Napolitano en zich bij liet staan door muzikale gasten van uiteenlopende pluimage. Op de gastenlijst voor Which Side Are You On? staan, naast de inmiddels bijna standaard blazers, twee Neville Brothers, gitarist Adam Levy, labelgenote Anais Mitchell en de legendarische Pete Seeger, die in een ver verleden ook eens de titeltrack van de plaat vertolkte. Ondanks de vele overeenkomsten tussen Red Letter Year en de nieuwe plaat, klinkt de nieuwe Ani DiFranco weer net anders dan zijn voorganger. Omdat ze dit keer alle tijd heeft genomen voor het opnemen van de songs, lijken deze beter uitgewerkt, mooier opgenomen en uiteindelijk alleen nog maar verslavender dan die op het al zo goede Red Letter Year. Ani DiFranco is haar wildste haren inmiddels misschien kwijt, maar blijft een singer-songwriter die nadrukkelijk haar eigen ding doet, buiten de gebaande paden treedt en hierdoor steeds weer weet te verrassen met opvallend sterke platen, die zich kunnen meten met het allerbeste in het genre. Liefhebbers van een frisse en strijdbare mix van folk, blues en jazz kunnen nog altijd met geen mogelijkheid om Ani DiFranco heen en kunnen na beluistering van Which Side Are You On? alleen maar heel blij zijn met de zoveelste ijzersterke plaat van de eigenzinnige Amerikaanse. Erwin Zijleman

zondag 22 januari 2012

First Aid Kit - The Lion's Roar

Het lijkt een eeuwigheid geleden dat de piepjonge Zweedse zusjes Johanna en Klara Söderberg als First Aid Kit een platencontract wisten af te dwingen met behulp van een knullig YouTube filmpje, waarin ze in een Zweeds bos op geheel eigen wijze Tiger Mountain Peasant Song van het op dat moment onaantastbare Fleet Foxes coverden. Na de EP Drunken Trees in 2008 volgde in 2010 het volwaardige debuut van First Aid Kit, The Big Black And The Blue. Dit debuut, waarop de zusjes Söderberg een net wat voller geluid lieten horen, kreeg wat minder goede recensies dan verwacht, maar persoonlijk vond ik het, vooral dankzij de wonderschone stemmen van de Zweedse zusjes, een hele mooie plaat. De opvolger van The Big Black And The Blue, het deze week verschenen The Lion’s Roar, werd (deels) opgenomen in Omaha, Nebraska, onder leiding van topproducer Mike Mogis (Bright Eyes, Monsters Of Folk, Cursive, Azure Ray, She & Him). The Lion’s Roar klinkt hierdoor een stuk Amerikaanser dan The Big Black And The Blue en bevat naast invloeden uit de folk ook flink wat invloeden uit de country. The Lion’s Roar klinkt nog wat voller dan zijn voorganger en laat in meerdere tracks een volledig opgetuigd bandgeluid horen. Persoonlijk vind ik het wel passen bij de nog altijd prachtige stemmen van Johanna en Klara Söderberg. Beiden zijn inmiddels rond de twintig en klinken een stuk volwassener dan op de wat naïef klinkende Fleet Foxes cover die First Aid Kit wereldberoemd maakte. De prachtig bij elkaar kleurende stemmen zijn nog altijd het sterkste wapen van First Aid Kit, maar ook de songs van het tweetal hebben duidelijk aan kracht en diepgang gewonnen. De instrumentatie is zoals gezegd voller dan in het verleden, maar desondanks draait alles om de betoverende stemmen van de zusjes Söderberg, wat voor de zoveelste keer illustreert wat een geweldig producer Mike Mogis is. First Aid Kit had zowel met haar debuut EP als met haar volledige debuut niet veel tijd nodig om me te verleiden, maar bij beluistering van The Lion’s Roar was ik al na een paar minuten om. Sindsdien is de plaat alleen maar mooier en indrukwekkender geworden en kan ik al bijna niet meer zonder. De twee Zweedse engeltjes betoveren met sprookjesachtige folksong, verleiden met zwoel en zuidelijk klinkende country en maken je dag definitief goed met een aantal onweerstaanbare kampvuursongs met inhoud. The Lion’s Roar is een plaat om vreselijk verliefd op te worden, maar is veel meer dan een paar lentekriebels. Het is een liefde die nog wel eens heel lang stand kan houden. Heerlijk. Erwin Zijleman

vrijdag 20 januari 2012

Hospital Bombers - At Budokan

Hospital Bombers is een Nederlandse band die voor haar tweede plaat de briljante titel At Budokan heeft verzonnen. Het is een titel die me mee terugneemt naar de jaren 70, toen menig rockband van naam en (en meestal wat teruglopende) faam haar dubbele live-LP bij voorkeur opnam in de Japanse poptempel vol gillende meiden en vervolgens voorzag van de titel At Budokan. De nieuwe plaat van de Hospital Bombers heeft niets te maken met rockmuziek uit de jaren 70 en werd ook niet live opgenomen in de beroemdste concerthal in Tokyo. Hospital Bombers maakt ook op haar tweede plaat weer muziek die zich lastig laat omschrijven. Wanneer ik het probeer kan ik niet om kreten als indie, lo-fi en folkpop heen en daarom maak ik er maar lo-fi indie folkpop van. Hospital Bombers maakt op At Budokan lekker eigenzinnige popliedjes met een geheel eigen geluid. Dat eigen geluid wordt voor een belangrijk deel bepaald door de zeer voorname rol die de viool heeft gekregen, maar ook de stekelige gitaarloopjes en de uitstekende zang dragen bij aan de overtuigingskracht waarmee Hospital Bombers zich op At Budokan presenteert. Hospital Bombers maakt muziek die direct bekend en aangenaam in de oren klinkt, maar desondanks laat de muziek van de band zich lastig vergelijken met de muziek van andere bands en stranden pogingen bij weinig zinvolle vergelijkingen als "The Velvet Underground op een Belle & Sebastian Tribute plaat" (of andersom natuurlijk) of als "The Mountain Goats op het Nederlandse platteland". Het zijn steeds vergelijkingen die maar even stand houden, want net wanneer je denkt dat de Hospital Bombers het pad in de richting van donkere folk zijn ingeslagen, komt de band op de proppen met een vrolijke popsong vol Motown invloeden. En zo valt er steeds weer wat nieuws te beleven op At Budokan. Hospital Bombers maakt muziek die lekker rammelt, maar steeds weer blijkt gegoten in knap in elkaar zittende en vrijwel zonder uitzondering behoorlijk onweerstaanbare popliedjes. Ondanks de kritische teksten en de melancholische vioolklanken is At Budokan een opgewekte plaat, die weliswaar mijlenver is verwijderd van de perfecte lentepop die Excelsior in het verleden uitbracht, maar toch de zon voorzichtig laat schijnen. At Budokan is me inmiddels behoorlijk dierbaar en is als je het mij vraagt een plaat die zich kan meten met die van de internationale concurrentie. De zoveelste parel in de schatkist van Excelsior en een prachtig begin van de muzikale lente van 2012. Erwin Zijleman

donderdag 19 januari 2012

The Big Pink - Future This

De Britse Band The Big Pink debuteerde ruim tweeënhalf jaar geleden met het bijzonder overtuigende A Brief History Of Love. Op basis van de naam van de band had ik een eerbetoon aan The Band verwacht, maar wat ik kreeg was een opwindende mix van shoegaze, noiserock, doompop, synthpop en postpunk, die het beste van The Jesus & Mary Chain, My Bloody Valentine, Ride, Cocteau Twins, The Psychedelic Furs, The Beatles, New Order, M83 en Orchestral Manoeuvres In The Dark leek te verenigen. Met Future This komt The Big Pink eindelijk op de proppen met de echte opvolger van het imponerende A Brief History Of Love (de plaat met remixen uit 2010 tel ik niet mee) en mijn verwachtingen waren dan ook hooggespannen. In eerste instantie kon Future This niet voldoen aan deze verwachtingen en viel de plaat me zelfs vies tegen. Dat heeft vooral te maken met het ambitieniveau van The Big Pink. Op A Brief History Of Love mikten Robbie Furze en Milo Cordell op de kleinschalige en lekker eigenwijze indiescene, maar dit keer gaat men voor het grote publiek. De kleine vieze concertzaaltjes in het centrum van Londen worden in een keer verruild voor het Wembley Stadium of de O2 Arena en dat is wel even slikken. Future This klinkt aanzienlijk grootser en een stuk minder spannend dan zijn voorganger. Het is een plaat die als een stoomwals over je heen moet komen, maar op mij had de plaat in eerste instantie nauwelijks effect. Inmiddels moet ik The Big Pink wat meer krediet geven. Future This kiest weliswaar schaamteloos voor het grote publiek, maar de plaat is uiteindelijk toch een stuk spannender dan je op het eerste gehoor zult ervaren. Wat je in eerste instantie hoort is een geluid dat het moet hebben van (goedkoop) effectbejag. Beukende drums, overdadige synths, aanstekelijke refreinen. Niet langer invloeden uit de shoegaze en noiserock, maar een snufje R&B en vooral heel veel pop. Van de namen die ik hierboven heb genoemd, is met een beetje fantasie alleen Orchestral Manoevres In The Dark nog over en zij hebben gezelschap gekregen van The Stone Roses, Depeche Mode, Tears For Fears en zelfs The Killers. Als ik kwaad wil kan ik hier nog wel wat mindere goden uit de 80s aan toevoegen, maar dat doe ik maar niet. Hoewel er ook na herhaalde beluistering nog een aantal tracks op de plaat staan die me niet heel veel doen, heeft The Big Pink me met een aantal andere tracks overtuigd. Juist in de op het eerste gehoor bijna saaie tracks zijn allerlei invloeden verstopt, met zo hier en daar een geniale vinding als het subtiel verwerken van een sample van Laurie Anderson’s O Superman. Future This is lang niet zo goed als zijn terecht bewierookte voorganger, maar het is wel een plaat die kan groeien en daarom niet zomaar terzijde kan worden geschoven. De tijd zal vervolgens wel uitwijzen of Future This een miskleun is of een bescheiden krentje in de pop. Voorlopig geef ik de twee Londenaren het voordeel van de twijfel. Erwin Zijleman

woensdag 18 januari 2012

Alex Chilton - Free Again: The 1970 Sessions

Omdat de trouwe cd kopers over het algemeen de 35 zijn gepasseerd, verschijnen er de afgelopen jaren opvallend veel fraaie reissues en platen met nieuw opgedoken materiaal van al lang vergeten muzikanten. Dat is een aardige meevaller voor de echte muziekliefhebber, want veel muziek die voorgoed in de archieven leek verdwenen of niet op cd beschikbaar was, verschijnt nu toch nog op cd, vaak nog in een fraai uitgevoerde versie ook. Het geldt ook voor de opnamen die de in 2010 overleden Alex Chilton maakte rond 1970. Voor een ieder bij wie de naam Alex Chilton niet direct een belletje doet rinkelen: Alex Chilton maakte in de jaren 60 deel uit van de blue-eyed soulband The Box Tops (vooral bekend van The Letter), timmerde in de jaren 70 aan de weg met het legendarische en achteraf bezien bijzonder invloedrijke Big Star, maakte hierna een aantal interessante maar over het algemeen onbegrepen soloplaten en keerde in de jaren 90 en de jaren 00 nogmaals terug met Big Star, voordat zijn hart het in 2010 begaf na een leven waarin Alex Chilton het maken van geniale muziek afwisselde met donkere perioden vol ellende en drankmisbruik. De muziek die Alex Chilton rond 1970 maakte is nu verzameld op Free Again: The 1970 Sessions. Het is muziek die Alex Chilton bij voorkeur direct in 1970 had uitgebracht, maar zijn contract met The Box Tops stond dit niet toe. Een deel van de opnamen verscheen al in 1996 op cd, maar Free Again: The 1970 Sessions is een stuk completer en bovendien fraaier uitgevoerd. Free Again is meer dan een plaat met interessante popmuziek van een helaas al weer bijna vergeten genie. De tracks op Free Again laten zich immers beluisteren als de brug tussen de hitgevoelige popmuziek van The Box Tops en de veel invloedrijkere rootsy powerpop van Big Star. Het is bijzonder knap hoe Alex Chilton, op het moment van deze opnamen pas 19 jaar oud, Britse en Amerikaanse muziek combineert (op een moment dat dat nog niet gewoon was) en zowel uit de voeten kan met pop, soul en rhythm & blues als met powerpop en rock ’n roll. Niet alle tracks op Free Again zijn even goed uitgewerkt en in een aantal gevallen gaat het zelfs om niet veel meer dan ruwe demo’s, maar de luistervaring die deze plaat biedt is op zijn minst fascinerend. Free Again laat een in alle opzichten groot muzikant horen die nog zoekende is naar de grootse vorm. Deze zou voor het eerst worden geëtaleerd op het debuut van Big Star uit 1972 (de eerste drie platen van Big Star moet eigenlijk iedere muziekliefhebber in huis hebben), maar ook op Free Again steekt Chilton bij vlagen in een geweldige vorm. Free Again is alles bij elkaar genomen misschien niet veel meer dan een voetnoot in de geschiedenis van de popmuziek, maar het is er wel een die het verdiend om uitvoerig bestudeerd te worden. Erwin Zijleman

dinsdag 17 januari 2012

Lisa Hannigan - Passenger

Ik was eind vorig jaar wat te vroeg met mijn recensie van de nieuwe plaat van Lisa Hannigan. De plaat lag in Engeland weliswaar in de winkel, maar moest nog wachten op een Nederlandse release. Inmiddels is de plaat ook hier verkrijgbaar. Alle reden om nogmaals stil te staan bij deze mooie plaat. Lisa Hannigan trok een paar jaar geleden aandacht als de achtergrondzangeres van Damien Rice op diens legendarische debuut O en begon hierna aan een solocarrière. Haar debuut Sea Sew werd in 2008 groots onthaald, kreeg zeer positieve recensies en in Engeland zelfs een Mercury Music Prize nominatie, maar sinds de release van haar tweede plaat Passenger, inmiddels al weer een maand geleden, vind ik het (met name in Nederland) opvallend stil rond Lisa Hannigan. Aan de kwaliteit van de plaat zal het niet liggen, want ik vind Passenger persoonlijk nog een stuk beter dan het al zo geprezen debuut. Misschien ligt het aan de toegankelijkheid van de plaat, want vergeleken met Sea Sew is Passenger een veel toegankelijkere plaat die openlijk flirt met invloeden uit de pop. Waar Sea Sew een betrekkelijk sobere en folky plaat was, pakt Passenger hier en daar flink uit met sprankelende popliedjes met opvallende ritmes, een lekker vol klankentapijt en een steeds verder opbouwende spanning. Ik zat en zit op het puntje van mijn stoel bij de songs van Lisa Hannigan nieuwe stijl, maar ben wel blij dat ze haar wat rustigere en meer folky kant niet is vergeten. Passenger bevat ook een paar fluisterzachte folksongs (waaronder een prachtig duet met Ray LaMontagne) die ook op haar debuut hadden kunnen staan. Het contrast tussen de uiterst sobere folksongs aan de ene kant en de speelsere popliedjes aan de andere kant, is wat mij betreft de kracht van Passenger. Het ene moment hoor je muziek die ook van Leslie Feist, Fiona Apple, PJ Harvey of zelfs Florence & The Machine had kunnen zijn, het volgende moment hoor je verstilde folksongs die herinneren aan Sandy Denny, Joni Mitchell of, wat dichter bij het heden, Marissa Nadler. Ondanks de grote veelzijdigheid is Passenger zeker geen allegaartje. Alle songs hebben de prachtige stem van Lisa Hannigan, volgens mij een van de mooiste stemmen uit de popmuziek van het moment, als bindend element en hiernaast drukt Lisa Hannigan op alle songs haar eigenzinnige stempel. Het is lastig om te kiezen tussen de ingetogen fluisterliedjes en de veel uitbundigere popliedjes, maar dat hoeft ook niet. Het ene moment heb je behoefte aan lieflijke luisterliedjes, het volgende moment vraagt de geest juist om avontuurlijke en veelkleurige popsongs. In eerste instantie schakelde ik tussen de songs van mijn keuze, maar Passenger is een plaat die uiteindelijk zelf de regie neemt, waarna de beide Lisa Hannigan varianten je weten te verleiden. Passenger is een plaat vol songs van hoge kwaliteit, die zich weten te onderscheiden door de fraaie instrumentatie en de prachtige vocalen. De sprankelende en trefzekere productie van niemand minder dan Joe Henry is de kers op de taart. Lisa Hannigan maakt met Passenger de enorme belofte van haar debuut meer dan waar en verdient alleen maar lof. Dat deze lof tot dusver is uitgebleven is onbegrijpelijk. Erwin Zijleman

maandag 16 januari 2012

Laura Gibson - La Grande

Laura Gibson brak bijna drie jaar geleden door met het prachtige Beast Of Sesaons. De buitengewoon ingetogen folkplaat van de jonge Amerikaanse singer-songwriter verscheen op een moment dat neo-folkies geen kwaad konden doen bij de critici, waardoor Beast Of Seasons met louter superlatieven werd binnengehaald door diezelfde critici en uiteindelijk in behoorlijk brede kring werd opgepikt. Inmiddels zijn we drie jaar verder en zijn neo-folkies al lang niet meer zeker van een positief onthaal door de critici en het publiek. Of Laura Gibson zich ook zorgen moet gaan maken durf ik echter te betwijfelen, want de opvolger van Beast Of Seasons, La Grande, is een hele mooie en overtuigende plaat die zich bovendien niet beperkt tot de strakke kaders van de neo-folk. Voor de opname van La Grande sloot Laura Gibson zich, na het toch wel wat onverwachte succes van haar vorige plaat, op in het gelijknamige dorp in het Noordwesten van de Verenigde Staten. Ver van de bewoonde wereld en haar dynamische thuisbasis Portland vond ze in La Grande, Oregon, de rust en inspiratie om afstand te nemen van Beast Of Seasons en nieuwe muzikale wegen in te slaan. Dat laatste betekent overigens niet dat La Grande helemaal geen raakvlakken heeft met zijn voorganger. Ook La Grande bevat een aantal uiterst ingetogen folksongs waarin we het moeten doen met spaarzaam akoestisch gitaarspel en de breekbare fluisterzang van Laura Gibson. De meeste songs op de plaat klinken echter een stuk voller, wat voor een deel de verdienste is van de vele gastmuzikanten die op de plaat te horen zijn, waaronder leden van Calexico, The Decemberists en The Dodos. De plaat opent met de duister aandoende titeltrack, waarin opgejaagde percussie en het woestijngeluid van Calexico de sfeer bepalen. Het is een geluid wat ver is verwijderd van de Laura Gibson die we kennen, maar het past op een of andere manier wel. Ook de meeste andere songs op de plaat vallen op door het donkere en vaak bijna bezwerende of zelfs spookachtige geluid. Het is een geluid waarin de bijzondere stem van Laura Gibson goed gedijt. Het is nog altijd een stem die lijkt op die van folklegende Karen Dalton en soms zelfs raakt aan die van Joanna Newsom, al ligt de stem van Laura Gibson wel een stuk makkelijker en hierdoor lekkerder in het gehoor. Ondanks het feit dat er flink wat instrumenten uit de kast zijn getrokken voor deze plaat en er ook in productioneel opzicht behoorlijk aan is gesleuteld, klinken de meeste songs sober en intiem. De vocalen van Laura Gibson staan nog altijd centraal en dat is goed nieuws, al is het maar omdat de Amerikaanse vergeleken met haar debuut veel beter is gaan zingen. Ik was persoonlijk best tevreden geweest met Beast Of Seasons deel twee, maar ben zeer tevreden met het debuut van Laura Gibson nieuwe stijl. Met La Grande ontworstelt Laura Gibson zich aan het neo-folk genre en schaart ze zich onder de betere vrouwelijke singer-songwriters van het moment met een plaat die behoort tot de eerste lichtpuntjes van het muziekjaar 2012. Erwin Zijleman

zondag 15 januari 2012

The Little Willies - For The Good Times

De critici hadden er destijds niet heel veel positieve woorden voor over, maar persoonlijk vond ik het debuut van het hobbyproject The Little Willies in 2006 best geslaagd. Nu hebben critici over het algemeen niet zoveel op met supergroepen en dat was het stempel dat The Little Willies kregen opgedrukt. Nu bestaat een supergroep wat mij betreft uit meerdere muzikanten van naam en faam, maar The Little Willies telt er als je het mij vraagt maar één. Deze is niet te vinden tussen de overigens buitengewoon competente muzikanten, maar staat achter de microfoon en luistert naar de naam Norah Jones. Het is volgens mij lastig om met een zangeres van het kaliber van Norah Jones een slechte plaat te maken en het debuut van The Little Willies was dat dan ook niet. Het vijf jaar na het debuut verschenen For The Good Times is, zoals de titel misschien al aangeeft, een poging om het goede gevoel van het debuut te laten herleven. Is de band hierin geslaagd? Als je de critici mag geloven niet, maar ik vind ook For The Good Times weer een hele lekkere plaat, zeker voor een mooie zondagmorgen of een late avond (en in de auto doet de plaat het overigens ook geweldig). For The Good Times volgt grotendeels hetzelfde recept als het recept dat werd gebruikt voor zijn voorganger, wat betekent dat de band een aantal klassiekers uit de bluegrass en de country heeft geselecteerd en vervolgens op vrij authentieke wijze vertolkt. For The Good Times klinkt als een stokoude plaat waarop traditionele country invloeden worden gecombineerd met een beetje jazz. Je moet er misschien van houden, maar ik vind het weer behoorlijk onweerstaanbaar, wat ten dele op het conto van de loom en ontspannen spelende band is te schrijven, maar uiteindelijk toch vooral de verdienste is van Norah Jones die wederom de sterren van de hemel zingt. De songkeuze is net als op het debuut opvallend en bevat songs van onder andere Loretta Lynn, Kris Kristofferson, Johnny Cash, Willie Nelson, Ralph Stanley en Dolly Parton. Het zijn stuk voor stuk songs waarmee je met een ongeïnspireerde vertolking keihard op je bek gaat, maar dat overkomt The Little Willies niet. For The Good Times klinkt op het eerste gehoor misschien als een ontspannen plaat die op een namiddag in elkaar is geknutseld door bevriende muzikanten tussen wie zich toevallig een wereldster bevindt, maar ondertussen klopt gewoon alles en ligt het niveau behoorlijk hoog. Het is heel makkelijk om deze plaat ongehoord terzijde te schuiven en af te doen als een oninteressant uitstapje van iemand die maar beter aan haar nieuwe plaat kan gaan werken. Het is veel lastiger om de plaat aan de kant te schuiven wanneer je hem een paar keer hebt gehoord, want na een paar keer horen is For The Good Times van The Littles Willies een behoorlijk verslavend tussendoortje dat het verlangen naar een nieuwe Norah Jones plaat inderdaad stevig aanwakkert, maar het lange wachten ook zeker verzacht. Erwin Zijleman

vrijdag 13 januari 2012

The Parlor Soldiers - When The Dust Settles

The Parlor Soldiers is een alt-country band uit Fredericksburg, Virginia, die met When The Dust Settles een prima debuut heeft afgeleverd. De spil van de band wordt gevormd door Alex Culbreth en Karen Jonas die samen verantwoordelijk zijn voor de songs, de vocalen, het gitaarwerk en de percussie en voor de gelegenheid worden bijgestaan door een bassist. De plaat opent met een track waarin The Parlor Soldiers The Jayhawks naar de kroon steken met harmonieën die nog onweerstaanbaarder zijn dan die Mark Olson en Gary Louris, maar vervolgens blijkt de band van vele markten thuis. Over het algemeen genomen is de muziek van The Parlor Soldiers behoorlijk traditioneel en verrijkt de band haar alt-country met voorzichtige invloeden uit de Appalachen folk. De instrumentatie bestaat in vrijwel alle gevallen uit een lome en opvallend diepe dubbele bas, sober maar ruimtelijk gitaarspel, zeer eenvoudige en sobere percussie en de emotievolle en indringende vocalen van Alex Culbreth en Karen Jonas. In een beperkt aantal songs zijn de vocalen gelijk verdeeld, maar in de meeste tracks neemt een van de twee het voortouw en schuurt de ander hier heerlijk tegenaan. Ondanks mijn voorkeur voor vrouwenstemmen zijn de songs waarin Alex Culbreth de leadvocalen voor zijn rekening neemt mijn favorieten op deze plaat, al is dit voor een groot deel de verdienste van de heerlijke en voor mij volstrekt onweerstaanbare achtergrondvocalen van Karen Jonas. In de meeste songs ligt het tempo uiterst laag, maar When The Dust Settles (het titelnummer is trouwens wat mij betreft het hoogtepunt van de plaat) bevat ook een aantal buitenbeentjes als een fraai Johnny Cash eerbetoon, een song met blues invloeden en twee songs waarin de band haar liefde voor 50s rock ’n roll laat horen. Nergens is te horen dat het hier gaat om een debuut. De songs van The Parlor Soldiers zitten bijzonder knap in elkaar, klinken rauw en doorleefd, schuwen de tot op het bot uitgeklede songs niet, bieden ruim voldoende variatie en vertellen ook nog eens prachtige verhalen die je meenemen op een road trip door de Verenigde Staten. When The Dust Settles is een plaat vol melancholie die liefhebbers van de betere alt-country alleen maar diep onder de huid kan raken. Aan het begin van deze recensie noemde ik When The Dust Settles al een prima debuut, maar hiermee doe ik The Parlor Soldiers eigenlijk flink tekort. Het debuut van The Parlor Soldiers is een van de betere alt-country platen van de afgelopen maanden of zelfs jaren en kan alleen maar de start zijn van een mooie carrière in dit toch wat doodgebloede genre, dat dankzij deze band uit Virginia opeens weer springlevend is. Vrijdag de dertiende een dag vol pech en ongeluk? Dit jaar niet! Erwin Zijleman 


When The Dust Settles van The Parlor Soldiers ligt in Nederland helaas nog niet in de winkel. Voor 10 US Dollar (dat is nog geen 8 euro) koop je op Bandcamp pagina van de band echter een digitale editie van het album in een prima geluidskwaliteit: http://theparlorsoldiers.bandcamp.com/. Koopje!

donderdag 12 januari 2012

LUIK - Owls

Het muziekjaar 2012 is nog maar net begonnen, maar wanneer het gaat om platen van eigen bodem ligt de lat binnen twee weken meteen ontiegelijk hoog. Na de prachtplaat van Blaudzun vorige week, is het deze week de uit Rotterdam afkomstige band LUIK dat met een hele overtuigende plaat op de proppen komt. Het debuut van de band doet verlangen naar de beloofde horrorwinter die maar niet komt, want met Owls ligt de perfecte soundtrack op ons te wachten. De band omschrijft haar muziek zelf als slowcore en bedroom-indiepop en vergelijkt zichzelf met bands als Low, Beach House en Sparklehorse. Persoonlijk moest ik bij eerste beluistering van Owls vooral aan Pink Floyd denken, wat mij betreft ook geen vergelijking is om je voor het schamen. De muziek van LUIK sleept zich uiterst langzaam voort en heeft een aardedonkere ondertoon. Op de donkere basis liggen twee lagen waarvan er een uit prachtige en heel soms grillige gitaarlijnen bestaat en de ander uit heerlijk dromerige vocalen. Het zijn vooral de vocalen die me aan Pink Floyd doen denken, terwijl het gitaarwerk inderdaad meer in de buurt komt bij dat van Slowcore bands als Low en Codeine. Ik vind slowcore altijd een wat tricky genre, want verveling ligt snel op de loer. LUIK weet deze op de loer liggende verveling echter moeiteloos te pareren met een serie songs die bol staan van de onderhuidse spanning en avontuur. Owls beschikt over een prachtig heldergeluid waarin de doffe en donkere bassen prachtig contrasteren met de heldere gitaarlijnen en incidentele accenten van andere instrumenten. Het is een geluid met heel veel open ruimte, waardoor je makkelijk wegdroomt bij de muziek van LUIK, maar van in slaap vallen is geen moment sprake. Ondanks het lage tempo en het niet heel sterk variërende recept, is Owls een plaat die je direct bij de eerste noten vastgrijpt en pas weer los laat wanneer de laatste tonen wegsterven. Er zijn niet heel veel platen in dit genre die ik graag twee keer achter elkaar zou willen horen, maar van Owls krijg ik maar geen genoeg en vooralsnog groeit de plaat alleen maar. Met betrekkelijk eenvoudige middelen maakt LUIK bedwelmende muziek met een enorme impact. Ik verlang bijna naar weken vol dikke pakken sneeuw en temperaturen ver beneden het vriespunt, omdat dit een omgeving is waarin de muziek van LUIK waarschijnlijk goed zal gedijen, al sluit ik ook niet uit dat Owls het uitstekend doet bij een ontluikend zonnetje en een zacht lentebriesje. Met Owls heeft LUIK een ongelooflijk knap en aangenaam debuut afgeleverd, dat zowel nationaal als internationaal de concurrentie aan kan gaan en het predicaat bescheiden meesterwerk in alle opzichten verdient. Erwin Zijleman

woensdag 11 januari 2012

Allard Robert - Showbizz Friends

Het getuigt van enig lef om, in een tijd waarin de inkomsten in de muziekindustrie terug lopen en het bovendien mogelijk is om met een eenvoudige MacBook en een niet al te prijzig softwarepakket een goed klinkende plaat op te nemen, een professionele muziekstudio te starten. Het getuigt van nog veel meer lef om direct ook maar een nieuw platenlabel te beginnen. De eigenaars van de Unicorn Studios onder de rook van Den Haag deden het en hebben inmiddels ook hun eerste plaat uitgebracht: Showbizz Friends van ene Allard Robert. Deze Allard Robert kocht een jaar of dertig geleden zijn eerste LP en werd verliefd op de muziek van The Beatles, al bleek de LP die hij als 11-jarige zo enthousiast had aangeschaft uiteindelijk niet van The Beatles, maar van The Rutles; een zeer geslaagde Beatles-parodie van Monthy Python’s Eric Idle, die in 1978 onverwacht een geweldige plaat maakte. Sindsdien droomde Allard Robert er van om zijn eigen plaat te maken. Dan is het niet handig om je professioneel te bekwamen in het bespelen van de (Franse) hoorn, al waren de Fab Four ook niet vies van dit instrument. Ruim 30 jaar na de aankoop van het debuut van The Rutles, dat inmiddels een collector’s item en een klassieker is geworden, is de droom van Allard Robert toch nog uit gekomen. Samen met wat muzikale vrienden met een lang verleden in de Nederlandse muziekscene werd Showbizz Friends opgenomen in de Unicorn Studios. De plaat opent met een track die me vooral aan 10CC doet denken, net als The Rutles een band die zich flink liet inspireren door het werk van The Beatles, maar vervolgt met een track met vooral countryinvloeden. Wanneer de hoorn opduikt in de derde track wordt voor het eerst echt duidelijk hoeveel invloed de muziek van The Rutles (lees: The Beatles) heeft gehad op de jonge Allard Robert. Vanaf dat moment begint Showbizz Friends te groeien en wordt de plaat steeds leuker. Showbizz Friends bevat vanaf dat moment vooral Beatlesque popsongs met hier en daar wat invloeden uit de Amerikaanse rootsmuziek en een complete bigband in de track waarmee de plaat wordt afgesloten. Allard Robert is zeker niet de eerste die zich heeft laten inspireren door het werk van The Beatles, maar net als The Rutles slaagt hij er in om een eigen draai te geven aan de invloeden van de Fab Four. Showbizz Friends is misschien niet de meest vernieuwende plaat die de afgelopen tijd is verschenen, maar het is wat mij betreft wel een echte feelgood plaat, die ook in muzikaal opzicht het een en ander te bieden heeft. En voor een ieder die denkt dat je met een MacBook een net zo goed klinkende plaat opneemt als in een professionele studio: luister eens naar deze plaat. Erwin Zijleman

dinsdag 10 januari 2012

Fatoumata Diawara - Fatou

Ik ben niet heel goed thuis in de wereldmuziek en ga daarom vooral af op de mening van anderen wanneer het gaat om platen in dit bijzonder brede genre. Wanneer ik een handvol positieve recensies over een plaat heb gelezen, ga ik meestal wel even luisteren en vaak vind ik het nog goed ook. Fatou van Fatoumata Diawara heb ik tot dusver steeds laten liggen, terwijl ik ondertussen minstens een dozijn bijzonder positieve recensies over het debuut van de uit Afrikaanse muzikante heb gelezen. Fatoumata Diawara heeft flink wat kilometers af moeten leggen voor Fatou kon worden opgenomen. Ze werd als kind van Malinese ouders geboren in Ivoorkust waar ze ook opgroeide, maakte enige tijd deel uit van een theatergezelschap in Parijs en maakte via een logeerpartij bij een tante kennis met de rijke muziekscene in het Malinsese Bamako. Fatoumata Diawara was de afgelopen jaren al veelvuldig te horen op platen van anderen (onder andere op die van Damon Albarn en Cheikh Lo), maar heeft inmiddels haar eigen plekje in de spotlights veroverd. De muziek van Fatoumata Diawara wordt wel vergeleken met die van Rokia Traore; wat mij betreft één van de grootste talenten in het genre. Hoewel ik wel overeenkomsten hoor tussen de muziek van beide dames, hoor ik uiteindelijk toch vooral verschillen. De muziek van Roki Traore is een stuk traditioneler dan die van Fatoumata Diaware en bevat bovendien meer invloeden uit de Mali blues. De muziek van Fatoumata Diawara zit zowel qua instrumentatie als qua arrangementen en songstructuren dichter tegen de Westerse singer-songwriter en soulmuziek aan, al verloochent Fatoumata Diaware haar Afrikaanse afkomst zeker niet. Fatou laat zich beluisteren als een mix van Joni Mitchell, Tracy Chapman en India.Arie; een mix die vervolgens is overgoten met een typisch Afrikaans sausje. Fatou bevat een aantal folky tracks, een aantal tracks met invloeden uit de jazz en soul, en een aantal meer popgeoriënteerde tracks.  In al deze tracks spelen het eenvoudige maar stuwende akoestische gitaarspel, jazzy gitaarriedels, spaarzaam pianospel en de heerlijk warme vocalen van Fatoumata Diawara de hoofdrol. Het Afrikaanse sausje bestaat uit de in een lokale Malinese taal gezongen teksten, de Afrikaans aandoende percussie en de uiterst subtiele bijdragen van een aantal Afrikaanse instrumenten, waaronder uiteraard de door virtuoos Toumani Diabate bespeelde kora. Fatoumata Diawara vertolkt songs die bijzonder aangenaam in het gehoor liggen, maar ze heeft ook zeker wat te vertellen. De vertaalde teksten in het cd-boekje zijn maatschappijkritisch van aard en nemen stelling tegen zaken als gearrangeerde huwelijken, vrouwenbesnijdenis, illegale migratie, oorlogen en corruptie, maar ook sobere liefdesliedjes worden door Fatoumata Diaware niet geschuwd. Dat Fatou wordt gerekend tot de beste wereldmuziek platen van 2011 is wat mij betreft volkomen terecht, al zou ik liever zien dat het etiket wereldmuziek voor een keer achterwege wordt gelaten, zodat de plaat de brede aandacht krijgt die hij verdient. Erwin Zijleman

maandag 9 januari 2012

The Maccabees - Given To The Wild

De Britse band The Maccabees maakte twee jaar geleden met Wall Of Arms een plaat die ik pas na vele maanden op de juiste waarde wist te schatten, waarna de aanstekelijke mix van Talking Heads, Gang Of Four, The Futureheads, The Arcade Fire en The Fall lange tijd behoorlijk onweerstaanbaar bleek. Dit keer ben ik er wat eerder bij, want de derde plaat van de band, Given To The Wild, ligt pas een paar dagen in de winkel. Given To The Wild klinkt totaal anders dan zijn twee voorgangers. Waar The Maccabees zich tot dusver grotendeels beperkten tot stekelige en springerige popliedjes horen we dit keer een veel ruimtelijker geluid, dat in de grotendeels instrumentale openingstrack bijna aan Coldplay doet denken. In de track die volgt dringt de vergelijking met Snow Patrol zich op en weet je eigenlijk al dat de eigenwijze pop van Wall Of Arms definitief tot het verleden behoort. Dat is aan de ene kant jammer, al hebben The Maccabees op hun nieuwe plaat meer een eigen geluid dan op de twee voorgangers. De genoemde vergelijking met Coldplay en Snow Patrol dringt zich in meerdere tracks op. In deze epische en soms bijna pompeuze tracks met dromerige zang en hoge muren van gitaren en synths raakt de muziek van The Maccabees ook nog steeds aan The Arcade Fire, waardoor de tracks een stuk dynamischer en toch ook ongepolijster zijn dan die van stadionvullers als Coldplay en Snow Patrol. Dat The Maccabees hun oude streken nog niet verleerd zijn blijkt eigenlijk slechts uit de nieuwe single Pelican, die een weinig representatief beeld van de nieuwe plaat geeft. Voor een ieder die Wall Of Arms twee jaar geleden heeft gekoesterd als een geweldige popplaat is het vele malen zwaardere Given To The Wild waarschijnlijk flink wennen, en in een aantal gevallen zelfs niet om aan te horen, maar wanneer je de tijd neemt voor deze plaat hoor je dat The Maccabees nog altijd heel veel te bieden hebben en absoluut meer doen dan een poging ondernemen om in de voetsporen van de twee eerder genoemde grote voorbeelden te treden. The Maccabees slagen er op Given To The Wild in om dromerige muziek te maken die toch groots en meeslepend klinkt en weten bovendien atmosferische klanken te verbinden met nog altijd stekelig gitaarwerk. Het vreemde is dat ik in eerste instantie vrijwel niets meer hoorde van de invloeden die op Wall Of Arms domineerden, maar bij herhaalde beluistering duiken ze toch weer een voor een op en hoor ik hier en daar ook iets van Elbow of zelfs een beetje Bowie. Given To The Wild is een plaat die steeds weer nieuwe dingen laat horen en wat mij betreft alleen maar beter wordt. The Maccabees durven zich op hun nieuwe plaat te vernieuwen en dat dwingt respect af, zeker wanneer blijkt dat de grootse muziek op Given To The Wild bij herhaalde beluistering over steeds meer toverkracht blijkt te beschikken. Erwin Zijleman

zondag 8 januari 2012

Abigail Washburn - City Of Refuge

Net zoals je niet eindeloos mensen gelukkig nieuwjaar kunt blijven wensen, moet je ook de jaarlijstjes over het afgelopen jaar een keer loslaten. Driekoningen is misschien een goede grens, al ga ik daar dit jaar twee dagen overheen. Het slotakkoord wanneer het gaat om jaarlijstjes is uiteraard van de hand van Metacritic; een website die (jaar)lijstjes op bijna wetenschappelijke wijze benadert. Uit de jaarlijst over 2011 (http://www.metacritic.com/feature/best-albums-of-2011) kun je misschien opmaken dat 2011 een vrij mager muziekjaar was, maar je kunt er ook iets leuks uitpikken. Ik vond dat leuks helemaal onderaan in de lijst, waar ik Abigail Washburn tegen kwam. Ik ontdekte de Amerikaanse een jaar of zes geleden toen haar uitstekende debuut  Song Of The Traveling Daughter verscheen; een sobere plaat met invloeden uit de folk, bluegrass en Chinese muziek en een onbetwiste hoofdrol voor de banjo van Abigail Washburn. Omdat één banjoplaat in de kast wel genoeg is, ben ik Abigail Washburn sindsdien uit het oog verloren en heb ik haar tweede en derde plaat gemist. De derde heb ik dankzij Metacritic alsnog ontdekt en daar ben ik de Amerikaanse lijstjes site dankbaar om. Op City Of Refuge bewijst Abigail Washburn immers dat ze veel meer kan dan zeer verdienstelijk banjo spelen. City Of Refuge is vergeleken met haar debuut een buitengewoon veelzijdige plaat waarop de songs het hebben gewonnen van de banjo. Voor City Of Refuge heeft Abigail Washburn een beroep gedaan op de productionele vaardigheden van Tucker Martine (Sufjan Stevens, The Decemberists, Laura Veirs) en dat is een verstandige keuze geweest. Tucker Martine heeft de muziek van Abigail Washburn voorzien van een mooi helder geluid, waarin de stem van de Amerikaanse naar de voorgrond is gehaald en de banjo genoegen moet nemen met een plekje op de tweede rij. Abigail Washburn blijkt te beschikken over een prachtige stem, die het goed doet in wat meer ingetogen folksongs. Het zijn folksongs met een vleugje jazz en country die keer op keer prachtig zijn georkestreerd en naast banjo ook prominente bijdragen van piano, gitaar, strijkers en Chinese instrumenten bevatten. Met name het Chinese tintje geeft de stemmige folk van Abigail Washburn een geheel eigen karakter en het is een karakter dat mij zeer aanspreekt. Song Of The Traveling Daughter was uiteindelijk toch een plaat voor de echte liefhebber, maar City Of Refuge is een plaat die in veel bredere kring gewaardeerd zal worden. De derde van Abigail Washburn is min of meer verplichte kost voor een ieder die de stokoude folk uit de Appalachen koestert of een zwak heeft voor Gillian Welch, maar ook liefhebbers van folk die zich vernieuwt zijn vanwege de spaarzaam opduikende Chinese invloeden bij Abigail Washburn aan het juiste adres. Het feit dat de plaat opduikt in de jaarlijst van Metacritic betekent dat de Amerikaanse critici, die deze lijst voor een belangrijk deel bepalen, de laatste plaat van de singer-songwriter uit Illinois op de juiste waarde hebben weten te schatten, maar in Europa hebben we volgens mij zitten slapen. De comebackplaat van Gillian Welch heeft de lat in het genre vorig jaar aardig hoog gelegd, maar Abigail Washburn komt heel dicht in de buurt. Heel erg dicht en misschien gaat ze er zelfs wel overheen. Erwin Zijleman

vrijdag 6 januari 2012

Blaudzun - Heavy Flowers

2012 is pas een paar dagen oud, maar de eerste belangrijke release van het jaar ligt vandaag al in de winkel. Deze release komt op naam van de Nederlander Johannes Sigmond, die we natuurlijk beter kennen als Blaudzun. Blaudzun debuteerde in 2008 met een hele mooie plaat vol stemmige folkliedjes en wist deze twee jaar later op alle fronten te overtreffen met het werkelijk prachtige Seadrift Soundmachine. Vorig jaar moesten we het doen met de mooie DVD Il Lombardia (waarop de beelden het wat mij betreft wonnen van de muziek), maar Heavy Flowers is de ware opvolger van Seadrift Soundmachine. Hoewel Blaudzun muziek maakt die je pas na een tijdje op de juiste waarde kunt schatten, wist ik direct bij eerste beluistering dat Blaudzun er met Heavy Flowers wederom in is geslaagd om de lat een flink stukje hoger te leggen. Vergeleken met Seadrift Soundmachine klinkt Heavy Flowers wat voller en misschien iets lichtvoetiger en bovendien ligt het tempo vaak wat hoger, maar gelukkig is de emotionele impact van de muziek van Blaudzun nog net zo groot als op de twee vorige platen. Blaudzun maakt nog altijd buitengewoon stemmige muziek die naar een hoger plan wordt getild door zijn van emotie overlopende stem. Vergeleken met Seadrift Soundmachine heeft Blaudzun nog wat extra ingrediënten toegevoegd aan zijn muziek, waardoor deze nog voller klinkt, zonder dat dit ten koste is gegaan van de trefzekerheid. Opener Flame On My Head zet direct de toon met aanzwellende strijkers, onrustige percussie en vocalen vol melancholie, maar de plaat bevat ook een aantal minder zware tracks. De muziek van Blaudzun lijkt meer dan in het verleden op die van Sixteen Horsepower, met name wanneer een banjo opduikt en Johannes Sigmond zijn demonen niet helemaal onder controle heeft. Minstens net zo vaak is Blaudzun echter mijlenver verwijderd van de donkere alt-country van de band uit Houston en worden we getrakteerd op grootse popmuziek waarvoor Bowie zich in zijn glamrock jaren niet zou hebben geschaamd en die me bovendien heel vaak doet denken aan de muziek van The Arcade Fire en/of Radiohead. In het verleden duurde het wel even voor ik de puzzelstukjes van een Blaudzun plaat in elkaar kon passen en hield ik ook wel wat stukjes over, maar dit keer valt alles bijna direct op zijn plaats. Heavy Flowers bevat een aantal grootse songs die de aandacht trekken vanwege de hele bijzondere instrumentatie en arrangementen, de bijna getergde vocalen en de totale overgave waarmee ze worden vertolkt. Ondanks het feit dat de plaat dit keer sneller overtuigt dan we van Blaudzun gewend zijn, is ook Heavy Flowers weer een onvervalste groeiplaat. Het zou idioot zijn om nauwelijks een week in het nieuwe jaar al te spreken van één van de mooiste platen van 2012, maar voorlopig moet ik nog maar zien wie hier overheen komt. Blaudzun maakte al een veelbelovende en een geweldige plaat, maar is nu op de proppen gekomen met een waar meesterwerk. Prachtig. Erwin Zijleman

donderdag 5 januari 2012

M83 - Hurry Up, We're Dreaming

Het Franse M83 maakt inmiddels al een aantal jaren platen die de hemel in zijn geprezen door de critici, maar buiten het in 2008 verschenen Saturdays=Youth heeft de muziek van de band rond Anthony Gonzalez mijn cd speler nooit weten te halen. Omdat Saturdays=Youth ook geen onuitwisbare indruk op me wist te maken, heb ik de release van het uit twee cd’s bestaande Hurry Up, We’re Dreaming vorig jaar aan me voorbij laten gaan. Omdat de plaat uiteindelijk de derde plaat van de jaarlijst van Pitchfork wist te halen en ook in veel andere jaarlijsten hoog scoorde, heb ik de plaat toch maar eens beluisterd. Ik zal er niet omheen draaien: Hurry Up, We’re Dreaming heeft me compleet van mijn sokken geblazen en is mijn persoonlijke favoriet van het moment. Hurry Up, We’re Dreaming opent met een zwaar, elektronisch, lang en wat pretentieus intro waarin Zola Jesus voor de vocalen zorgt, maar betovert vervolgens met twee perfecte synthpopliedjes die zich kunnen meten met het beste van Depeche Mode (een band die ik in tegenstelling tot de meeste critici wel bewonder). Hierna schakelt Anthony Gonzalez twee cd’s lang op fascinerende wijze tussen ambient, chillwave, 70s synthesizermuziek, 80s synthpop en een beetje Krautrock. Hurry Up, We’re Dreaming bevat een aantal sober klinkende songs, maar de meeste songs moeten het hebben van een groots, meeslepend en soms bijna overweldigend en bombastisch klankentapijt waarin allerlei synths domineren. Deze synths komen in zoveel lagen op je af dat de muziek van M83 een bijna hypnotiserend effect heeft, wat alleen maar wordt versterkt door de dromerige melodieën en lome vocalen. De muziek van de Fransen weet vaak te verbazen, maar zeker ook te vermaken, want de wat toegankelijkere songs van M83 zijn misschien nog wel verslavender dan die op van Within And Without van Washed Out; wat mij betreft de beste chillwave plaat van 2011. Er zijn niet veel bands die er in deze gejaagde tijden in slagen om twee cd’s lang de aandacht vast te houden, maar M83 slaagt hier dankzij de diversiteit en de onderhuidse spanning in haar muziek glansrijk in. Hurry Up, We’re Dreaming betovert ruim 70 minuten lang met een imponerende mix van Jean-Michel Jarre, Vangelis, Brian Eno, Pink Floyd, Depeche Mode, Talk Talk, Air, Washed Out en een flinke dosis Anthony Gonzalez. Het resultaat is een indrukwekkende luistertrip die ook bij herhaalde beluistering blijft fascineren. Pitchfork had het al met al bij het juiste eind en ik heb vorig jaar zitten slapen. Mea culpa. Erwin Zijleman

woensdag 4 januari 2012

Charlene Soraia - Moonchild

Charlene Soraia is een jonge Britse singer-songwriter die op de inmiddels fameuze BRIT school (voluit The London School for Performing Arts & Technology) heeft gezeten en daar de schoolbanken deelde met niemand minder dan Adele. Ik weet niet of het met haar beroemde klasgenoot te maken heeft, maar ik heb haar debuut cd Moonchild een tijdje geleden binnen gekregen met het stickertje pop op het doosje geplakt, waardoor de plaat op de spreekwoordelijke stapel terecht is gekomen. De plaat was daar waarschijnlijk nooit meer van af gekomen als een lezer van deze BLOG me niet had gewezen op deze plaat en me nieuwsgierig maakte door te melden dat Charlene Soraia een groot fan is van King Crimson; niet de meest voor de hand liggende keuze voor een jonge vrouw van net 23. Inmiddels weet ik dat er op Moonchild maar één track staat die het predicaat pop verdient en dat is de bijna Adele achtige en overigens erg mooie cover van The Calling’s Wherever You Will Go; ook bekend van een reclamespotje voor thee en daarom waarschijnlijk verantwoordelijk voor het onterechte stickertje op het doosje. Iedereen die Moonchild op basis van de single in huis heeft gehaald kan waarschijnlijk niet uit de voeten met de rest van de plaat, want de andere twaalf songs op Moonchild hebben niets met pop te maken. Opener When We Were Five maakt dit direct pijnlijk duidelijk door de luisteraar ruim zesenhalve minuut te trakteren op een complexe song zonder kop of staart waarin de psychedelisch aandoende instrumentatie wordt gedomineerd door een piep die bijna pijn doet aan je oren. Geen handige opener voor een jonge singer-songwriter die nog zieltjes moet winnen, maar door de mooie heldere stem van Charlene Soraia wilde ik absoluut meer horen. Niet alle songs op Moonchild zijn zo ontoegankelijk als de eerste track, maar echt makkelijk maakt Charlene Soraia het je nergens. Haar complexe songs zijn een mengeling van folk en jazz met een psychedelisch aandoende instrumentatie die teruggrijpt op haar jeugdliefdes King Crimson en Pink Floyd (van wie ze een korte sample heeft verwerkt in een van haar songs). In vrijwel alle songs is de instrumentatie gevarieerd (naast piano en gitaar maakt Charlene Soraia ook gebruik van blazers, strijkers en nauwelijks meer gebruikte elektronica, waaronder mellotrons) maar vrij sober, waardoor de fascinerende stem van Charlene Soraia alle ruimte krijgt. De jonge Britse is gezegend met een enorm bereik en kan hierdoor uit de voeten in zwoele jazzy songs, maar kan ook zo hoog zingen dat de pijngrens binnen bereik is. Charlene Soraia klinkt af en toe als een geschoolde en volwassen versie van Birdy, maar is nog een stuk eigenzinniger en getalenteerder, al is het maar omdat ze al haar songs zelf heeft geschreven. Makkelijk is het zoals gezegd niet, maar Moonchild is wel een plaat die zich steeds nadrukkelijk opdringt en uiteindelijk maar heel moeilijk is te weerstaan. Een buitengewoon fascinerende plaat van een groot talent. Ga dat horen. Erwin Zijleman

dinsdag 3 januari 2012

Girls - Father, Son, Holy Ghost

De eerste releases van 2012 verschijnen pas aan het eind van deze week en dus is er nog steeds alle ruimte voor jaarlijstjestips en lezerstips. Father, Son, Holy Ghost van de Amerikaanse band Girls werd me niet alleen aanbevolen door twee lezers, maar haalde ook de top 20 in de jaarlijst van PopMatters en zelfs de top 5 in de jaarlijst van Pitchfork. Girls debuteerde twee jaar geleden met Album; een plaat die over het algemeen kon rekenen op positieve recensies, maar mij toch niet volledig wist te overtuigen. De psychedelische Westcoast pop van de band klonk op het eerste gehoor best aardig, maar bleef bij mij niet hangen. Hierdoor heb ik Father, Son, Holy Ghost eerder dit jaar waarschijnlijk laten liggen, maar dat blijkt een verkeerd besluit. Op haar tweede plaat (de band telt zelf de vorig jaar verschenen EP Broken Dreams Club als volledige plaat mee en spreekt daarom over Record 3) klinkt de muziek van Girls immers een stuk urgenter dan op het aardige maar niet opzienbarende debuut. Waar Album me wat teveel rammelde en bovendien aardige songs afwisselde met beduidend zwakkere songs, is Father, Son, Holy Ghost een mooi en vol klinkende plaat met songs van een constant niveau. In muzikaal opzicht is er niet eens zo heel veel veranderd. Ook op Father, Son, Holy Ghost maakt Girls muziek die met minstens één been in de jaren 60 en 70 staat en put uit de archieven van de Westcoast pop en psychedelica. De band heeft hier wel wat invloeden aan toegevoegd waaronder invloeden uit de 50s rock ’n roll, Beatlesque pop, een klein beetje glamrock en zelfs soul, progrock (!) en classic rock (!!). De plaat opent behoorlijk lichtvoetig met een korte popsong die in de jaren 60 ongetwijfeld een hit was geworden, maar schakelt hierna over op langere, songs vol invloeden. Deze klinken voornamelijk loom en zonnig, maar Girls kan zo nu en dan ook behoorlijk rocken. Waar ik bij Album maar bleef twijfelen, was ik dit keer wel direct bij de eerste luisterbeurt overtuigt van de kwaliteiten van Girls. Het geluid van de band ligt niet alleen heerlijk in het gehoor, maar de songs blijven ook stuk voor stuk hangen, voegen wat toe aan alles wat er de afgelopen decennia al is gemaakt op een vergelijkbaar terrein en worden ook nog eens steeds beter. De muziek op Father, Son, Holy Ghost doet me aan heel veel dingen denken, maar uiteindelijk blijven er nauwelijks namen echt hangen. Pink Floyd, Spiritualized, Mercury Rev, The Shins, Elvis Costello, Real Estate, Teenage Fanclub, The Beach Boys; het zit er allemaal in, maar van schaamteloos kopiëren is geen moment sprake. Al met al kan ik alleen maar concluderen dat Girls met Father, Son, Holy Ghost een plaat heeft gemaakt die behoort tot de leukere platen van 2011. Het is aan de ene kant heel jammer dat ik hem vorig jaar heb gemist, maar het is aan de andere kant wel een erg leuk begin van het muziekjaar 2012. Erwin Zijleman

maandag 2 januari 2012

tUnE-yArDs - W H O K I L L

Als het gaat om gerenommeerde jaarlijstjes mag die van PopMatters (http://www.popmatters.com) natuurlijk niet ontbreken. PopMatters zet toch wel enigszins verrassend Fleet Foxes op de eerste plaats in de lijst met de beste albums van 2011, komt hierna met Bon Iver en Fucked Up op de proppen en tovert dan een echte verrassing uit de hoge hoed. W H O K I L L van tUnE-yArDs deed bij mij immers geen enkel belletje rinkelen, maar omdat ook andere Amerikaanse muzieksites van naam en faam een hoge notering over hadden voor de plaat, was ik zo nieuwsgierig geworden dat ik direct op zoek ben gegaan. Op het moment dat ik dit stukje schrijf komt W H O K I L L voor de derde keer uit de speakers van mijn computer en ben ik op zijn minst geïntrigeerd door de muziek van de band. Een echte band is tUnE-yArDs overigens niet, want alles draait om ene Merrill Garbus, die ook deel uit schijnt te maken van de band Sister Suvi; een naam die me ook al helemaal niets zegt. De tweede plaat van tUnE-yArDs krijgt over het algemeen het etiket lo-fi opgeplakt. Daar is soms wel wat voor te zeggen, al klinkt W H O K I L L in technisch opzicht veel te goed voor een plaat in dit genre. Net als lo-fi platen springt Merrill Garbus graag van de hak op de tak en hierbij is geen genre haar te gek. W H O K I L L bevat invloeden uit de folk, soul, hiphop, jazz, funk, wereldmuziek, avant garde en rock, maar geen van deze invloeden houdt heel erg lang stand. De meeste songs van tUnE-yArDs zetten je continu op het verkeerde been en combineren bijna lieflijke zangpartijen met rauwe uithalen, verenigen stekelige gitaarriffs met onnavolgbare ritmes en wisselen uiterst sobere arrangementen af met een flink uitpakkende saxofoon. Hoewel W H O K I L L inmiddels voor de derde keer voorbij komt kan ik met geen mogelijkheid chocola maken van de meeste songs van tUnE-yArDs, maar op hetzelfde moment vermaakt Merrill Garbus me wel met een muziek die ik nog niet eerder heb gehoord en me hooguit vaag herinnert aan flarden Peter Gabriel, Talking Heads, M.I.A, onze eigen Solex en Paul Simon’s Graceland. Bij de derde luisterbeurt klinken een aantal songs op W H O K I L L me al betrekkelijk normaal in de oren, maar ook dan blijft de muziek van tUnE-yArDs bijzonder intrigerend. Ik besef me terdege dat geen enkele lezer van deze BLOG ook maar iets wijzer wordt van deze recensie, maar het lukt me met geen mogelijkheid om de eigenzinnige muziek van tUnE-yArDs beter te beschrijven. Een jaarlijstjesplaat vind ik W H O K I L L nog lang niet en misschien ga ik het ook wel nooit een jaarlijstjesplaat vinden, maar ondertussen weet Merrill Garbus me wel te betoveren met haar wereldvreemde muziek. Mijn advies: ga zelf luisteren en stop niet na de eerste keer. Erwin Zijleman