zaterdag 30 juni 2012

Wrinkle Neck Mules - Apprentice To Ghosts

Alleen al vanwege de naam van de band zal Wrinkle Neck Mules (probeer het maar eens tien keer achter elkaar te zeggen) waarschijnlijk nooit echt beroemd worden, maar op basis van haar platen verdient de band uit Richmond, Virginia, inmiddels al een jaar of acht alle lof. Op de vier platen die Wrinkle Neck Mules tot dusver afleverde, imponeerde de band met muziek waarin banjo, mandoline en pedal steel in perfecte harmonie leefden met scheurende gitaren. Het leverde muziek op die zich liet vergelijken met die van grootheden uit het genre als Neil Young & The Crazy Horse, Uncle Tupelo, Steve Earle en Drive-By Truckers, om maar eens een paar namen te noemen. Op haar vijfde plaat, Apprentice To Ghosts, kiest Wrinkle Neck Mules voor een net wat steviger geluid, maar gelukkig is er ook ruimte voor meer ingetogen passages, wat de muziek van Wrinkle Neck Mules lekker veel dynamiek geeft. Wrinkle Neck Mules timmert zoals gezegd inmiddels al weer een jaar of acht aan de weg en leverde in deze periode minstens twee platen af die door de liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek als meesterwerk werden omarmd. Persoonlijk koester ik met name Pull The Brake uit 2006 als een van de parels in mijn platenkast, maar Apprentice To Ghosts kan de concurrentie met deze plaat absoluut aan. Op de vijfde plaat van Wrinkle Neck Mules domineren de gitaren. Prachtige riffs en zo nu en dan een uit de bocht vliegende solo’s die live op de band lijken gesmeten worden gecombineerd met lekkere rauwe zang en fraaie harmonieën. Apprentice To Ghosts is wat meer rock en wat minder country, maar dat betekent gelukkig niet dat Wrinkle Neck Mules volledig afstapt van het geluid dat de afgelopen jaren in kleine kring zoveel indruk maakte. Ook op Apprentice To Ghosts worden passages met flink wat gitaargeweld afgewisseld met passages waarin de banjo, mandoline en pedal steel naar de voorgrond treden, wat vooral in de wat rustigere songs op de plaat een uniek eigen geluid oplevert. In de wat stevigere tracks zoekt Wrinkle Neck Mules nadrukkelijk naar een geluid dat ook in bredere kring kan worden omarmd, maar net als Sons Of Bill een week of wat geleden, doet de band dit met veel smaak en zonder belangrijke compromissen.  Een ieder die Wrinkle Neck Mules al wat langer kent is inmiddels gewend geraakt aan het hoge niveau van de platen van de band, waardoor Apprentice To Ghosts misschien wat minder opzien baart dan platen als Pull The Brake en Wicks Have Met. Vergelijk de plaat echter met muziek van andere bands in het genre en je kunt alleen maar concluderen dat Wrinkle Neck Mules wederom een prachtplaat van een bijzonder hoog niveau heeft afgeleverd. Erwin Zijleman


vrijdag 29 juni 2012

Neneh Cherry & The Thing - The Cherry Thing

Je moet al een flink tijdje meedraaien om je Neneh Cherry te kunnen herinneren. Cherry groeide op in Stockholm, maar trok al op haar zestiende naar Londen waar ze zich aan het begin van de jaren 80 aansloot bij cultbands als The Slits en het zwaar onderschatte Rip Rig & Panic. Het grote publiek leerde Neneh Cherry kennen toen in 1989 haar solodebuut Raw Like Sushi verscheen. Raw Like Sushi bevatte grote hits als Buffalo Stance en Manchild en liet een frisse en aanstekelijke mix van pop, rap, hiphop, R&B en dance horen. Raw Like Sushi was zowel in artistiek als in commercieel opzicht een zeer succesvolle plaat, maar helaas bleek het unieke geluid van Neneh Cherry maar beperkt houdbaar. Het in 1992 verschenen Homebrew was objectief bezien een veel betere plaat dan Raw Like Sushi, maar miste singles met de aantrekkingskracht van Buffalo Stance en Manchild. Het in 1996 verschenen Man bevatte met Woman en het samen met Youssou N'Dour gemaakte 7 Seconds wel twee grote hits, maar was als geheel een veel zwakkere plaat dan zijn twee voorgangers. De afgelopen 16 jaar leek Neneh Cherry van de aardbodem verdwenen (slechts een enkeling merkte de twee prima platen die ze maakte met de band cirKus op), maar bijna uit het niets is ze terug met The Cherry Thing. Op haar comebackplaat laat Neneh Cherry zich begeleiden door de Zweedse jazzband The Thing. The Thing is gelukkig geen standaard jazzband, maar een opwindend trio dat ooit begon met het interpreteren van het baanbrekende werk van Neneh’s stiefvader Don Cherry en zich hierna richtte op het in een experimentele jazz vorm gieten van rocksongs.  De leden van The Thing houden er wel van om buiten de kaders van de jazz te denken en dat levert hele bijzondere muziek op vol invloeden uit de pop, rock, funk, jazz en free-jazz. Het is muziek die prima past bij Neneh Cherry, want de inmiddels 48 jaar oude zangeres is haar wilde haren gelukkig nog niet verloren. The Cherry Thing bevat twee nieuwe songs van Neneh Cherry en hiernaast een zestal covers. Hieronder nog wel te verwachten vertolkingen van songs van Ornette Coleman, Don Cherry en  Martina Topley-Bird, maar ook verrassende interpretaties van songs van The Stooges en Suicide. Dat het van Suicide afkomstige Dream Baby Dream is te transformeren in een song die je stevig bij de strot grijpt bewees Springsteen al eens tijdens zijn Devils & Dust tour, maar Neneh Cherry gaat op The Cherry Thing nog een stapje verder en komt op de proppen met een versie die je niet snel zult vergeten. De opwindende instrumentatie (met een hoofdrol voor de scheurende bariton saxofoon, maar ook de avontuurlijke ritmesectie mag er zijn) van The Thing en Neneh Cherry’s rauwe en broeierige vocalen tillen elkaar op The Cherry Thing naar grote hoogten en vooralsnog blijft de plaat maar groeien. Het uiterst kritische Pitchfork en het minstens even eigenzinnige zusje PopMatters hebben The Cherry Thing inmiddels al een verrassend hoog cijfer gegeven (respectievelijk een 8 en een 9) en AllMusic.com heeft het al over de jaarlijstjes. In Nederland heb ik nog niet heel veel over de plaat gelezen, maar dat is een kwestie van tijd. 23 jaar geleden sloeg het debuut van Neneh Cherry in als een bom. Haar ruige, zwoele, agressieve, rokerige en energieke comeback plaat met The Thing is nog een stuk explosiever en is wat mij betreft een plaat die je gehoord moet hebben of je nu van dit soort muziek houdt of niet. De kans dat je compleet van je sokken wordt geblazen door Neneh Cherry en The Thing lijkt me behoorlijk groot. The Cherry Thing is in alle opzichten een sensationele plaat. Erwin Zijleman



donderdag 28 juni 2012

BOY - Mutual Friends

De eerste selectie voor deze BLOG maak ik normaal gesproken op basis van de feiten. Deze feiten spreken zeker niet in het voordeel van Mutual Friends van BOY. BOY is een uit Hamburg afkomstig duo dat bestaat uit de Duitse Sonja Glass en de Zwitserse Valeska Steiner. De dames maken al enkele jaren samen muziek, maar werden pas vorig jaar ontdekt door de Duitse muzikant Herbert Grönemeyer, die BOY onmiddellijk tekende voor zijn label Grönland. Mutual Friends deed het in Duitsland opvallend goed, mede omdat BOY een song bijdroeg aan de populaire Duitse tv-serie Knallerfrauen, aan een Lufthansa reclame en aan de soundtrack van de film Kein Sex Ist Auch Keine Lösung. Er zijn ongetwijfeld mensen die op basis van het bovenstaande een prima plaat verwachten, maar persoonlijk had ik er weinig tot geen vertrouwen in. Vanwege de grappige foto op de cover kon ik het echter niet laten om stiekem toch eens te luisteren en moest ik al snel concluderen dat Herbert Grönemeyer meer smaak heeft dan zijn eigen oeuvre doet vermoeden. Sonja Glass en Valeska Steiner maken op Mutual Friends mooi verzorgde en zonnig klinkende popmuziek, die zich op knappe wijze manoeuvreert tussen de licht eigenzinnige folkpop van zangeressen als Feist, Lykke Li en het Zweedse duo First Aid Kit en de rijk geïnstrumenteerde variant van onder andere Belle And Sebastian en Camera Obscura. De popliedjes van BOY liggen heerlijk in het gehoor en doen het uitstekend op een toevallige zomerdag, maar Mutual Friends is ook een plaat die het verdient om met heel veel aandacht beluisterd te worden. Op het eerste gehoor klinken de zonnige popliedjes van Sonja Glass en Valeska Steiner betrekkelijk eenvoudig, maar wanneer je goed luistert naar Mutual Friends hoor je steeds nieuwe laagjes en hoor je bovendien dat BOY bij vlagen lekker eigenwijs kan zijn (zoals in de bijna onweerstaanbare single Little Numbers). Zeker met de koptelefoon hoor je goed hoe knap Mutual Friends is geproduceerd, hoe veelkleurig en rijk het geluid van Boy is en hoe aangenaam de zoete maar van een ruw randje voorziene stemmen van Sonja Glass en Valeska Steiner klinken. Omdat je steeds nieuwe dingen hoort in de mooie en aangename popliedjes van BOY is Mutual Friends een plaat die dierbaarder en dierbaarder wordt. Ik heb geen hele hoge pet op van de muzieksmaak van het Duitse publiek (zet op zaterdagavond een willekeurige Duitse tv-zender op en je begrijpt wat ik bedoel), maar met de hoge waardering voor het debuut van BOY slaan de Duitsers de spijker op zijn kop. Erwin Zijleman




woensdag 27 juni 2012

Glenn Frey - After Hours

Bij de naam Glenn Frey denken de meeste muziekliefhebbers waarschijnlijk aan twee dingen: Eerst aan The Eagles en hierna (op respectabele afstand) aan het niemendalletje The Heat Is On. Glenn Frey stond samen met Don Henley aan de basis van The Eagles en schreef mee aan vrijwel alle hits van de band. Hiernaast maakte Frey een aantal soloplaten, maar de meeste mensen zullen hem als soloartiest vooral kennen van The Heat Is On; Glenn Frey’s zeer succesvolle maar in artistiek opzicht weinig aansprekende bijdrage aan de soundtrack van de eerste Beverly Hills Cop film. Zelf ken ik Glenn Frey echter ook nog van de bijzonder aangename soloplaat The Allnighter uit 1984; een plaat met bluesy songs die ik in een ver verleden echt heel vaak gedraaid heb. Een jaar na The Allnighter scoorde Glenn Frey zijn wereldhit met The Heat Is On en verdween mijn interesse voor het solowerk van de Amerikaan. Uit de boeken weet ik inmiddels dat ik zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht  niet veel heb gemist. Frey maakte na The Allnighter nog een viertal matige platen en stak de afgelopen twee decennia weer al zijn energie in The Eagles. Met het vorige maand verschenen After Hours heeft Glenn Frey na lange tijd weer eens een soloplaat gemaakt en ik moet zeggen dat het een soloplaat is die me wel bevalt. Dat had ik op voorhand niet verwacht. Op After Hours vertolkt Glenn Frey een aantal bekende popsongs; voor het merendeel popsongs uit de oude doos (1970 en veel eerder). Frey heeft deze songs voorzien van een uiterst laid-back geluid met jazzy accenten en een productie waarin ieder plooitje is glad gestreken. After Hours heeft hiermee alles wat nodig is om uit te groeien tot een dodelijk saaie plaat, maar dat is het op een of andere manier niet geworden. Iedereen die avontuurlijk muzikale uitstapjes, een flinke dosis dynamiek of zelfs aan de Eagles herinnerende klanken verwacht, is op After Hours absoluut aan het verkeerde adres, maar een ieder die op zoek is naar een heerlijk rustgevend plaatje voor de kleine uurtjes en niet allergisch is voor een glimmend laagje kitsch moet After Hours zeker eens proberen. Met After Hours treedt Glenn Frey in de voetsporen van onder andere Paul McCartney (die zich eerder dit jaar liet verleiden tot het vertolken van songs uit de oude doos) en Rod Stewart (die al jaren niets anders meer doet) en begeeft hij zich bovendien op een terrein waarop zangers als Michael Bubblé met heel veel succes opereren. Glenn Frey doet dit net wat anders, want waar ik de platen van de genoemde muzikanten nauwelijks kan verdragen, vind ik After Hours steeds mooier en aangenamer worden, vooral ook door de hele mooie vocalen. Ik moet er niet aan denken dat er alleen nog maar platen als After Hours zouden worden gemaakt, maar voor dit ene plaatje van Glenn Frey maak ik graag een uitzondering en blijf ik net wat langer op. Erwin Zijleman




dinsdag 26 juni 2012

Beachwood Sparks - The Tarnished Gold

Het is heel lang stil geweest rond de uit Los Angeles afkomstige band Beachwood Sparks. De band debuteerde in 2000 met een titelloos debuut waarop de muziek van roemruchte bands als The Byrds, Buffalo Springfield, The Beach Boys, Gram Parsons en The Flying Burrito Brothers op fraaie wijze tot leven werd gewekt. Beachwood Sparks herhaalde dit kunstje in 2001 met het nog veel betere Once We Were Trees, waarop invloeden uit de 60s West Coast pop en 70s countryrock op subtiele wijze werden vermengd met meer eigentijdse invloeden en bovendien een extra dosis psychedelica was toegevoegd. Toen de belangstelling voor West Coast retro een jaar of tien geleden begon af te nemen, was het ook snel gedaan met Beachwood  Sparks. De band maakte nog een redelijk geslaagde maar nauwelijks opgemerkte EP, maar vervolgens werd het stil en bleef het stil. De afgelopen jaren is West Coast pop in een eigentijds jasje weer erg in trek en daarom pronken nu andere bands met de veren waarvoor Beachwood Sparks tien jaar geleden zoveel lof kreeg toegezwaaid. Beachwood Sparks kwam een tijdje geleden bij elkaar voor een feestje van het Sub Pop label en deze hernieuwde samenwerking beviel kennelijk zo goed, dat de band na een aantal optredens de studio indook voor het opnemen van een nieuwe plaat. The Tarnished Gold verschijnt precies tien jaar na het laatste wapenfeit van Beachwood Sparks, maar dat hoor je er niet aan af. De derde volledige plaat van de band uit Los Angeles sluit immers naadloos aan op zijn twee voorgangers, al heeft de band haar geluid in de tussenliggende jaren nog wel wat verder geperfectioneerd en bovendien voorzien van een meer eigen geluid. Desondanks neemt ook The Tarnished Gold je weer onmiddellijk mee terug naar het California van de late jaren 60 en vroege jaren 70. Beachwood Sparks maakt nog altijd muziek die in het verlengde ligt van die van met name The Byrds en Buffalo Springfield en combineert invloeden uit de Westcoast pop, countryrock en psychedelica in songs die maar heel moeilijk zijn te weerstaan. Na de jarenlange afwezigheid zit het met de motivatie en inspiratie wel goed bij Beachwood Sparks. The Tarnished Gold bevat alleen maar ijzersterke songs en het spelplezier spat er werkelijk van af. In vocaal opzicht klinkt het allemaal geweldig en ook in muzikaal opzicht hoorde ik Beachwood Sparks niet eerder zo sterk, wat ook te maken heeft met de gastbijdragen van topmuzikanten als Neal Casal, Ariel Pink en leden van de aan Beachwood Sparks gelieerde cultband The Tyde (check hun briljante platen Once, Twice en Three’s Co.). Eindconclusie: Beachwood Sparks legt met The Tarnished Gold de eigen lat nog net een stukje hoger en steekt de jongere concurrenten van het moment op indrukwekkende wijze de loef af. Sub Pop noemt het zelf de perfecte zondagmiddagplaat, maar persoonlijk wil ik The Tarnished Gold van Beachwood Sparks ook de rest van de week niet missen. Erwin Zijleman



maandag 25 juni 2012

Glen Hansard - Rhythm And Repose

Glen Hansard timmert inmiddels al een jaar of twintig aan de weg met zijn, met name in vaderland Ierland razend populaire, band The Frames. Persoonlijk ken ik Hansard echter vooral van de twee prachtige platen die hij samen met de Tsjechische singer-songwriter Markéta Irglová maakte als The Swell Season. Omdat Hansard en Irglová niet langer als geliefden door het leven gaan hoeven we voorlopig waarschijnlijk niet meer te rekenen op nieuwe muziek van The Swell Season en zullen we het moeten doen met de soloplaten van de Ier en de Tsjechische (maar misschien valt het mee). Markéta Irglová beet eind vorig jaar het spits af met het wat mij betreft geslaagde Anar en nu is het de beurt aan Glen Hansard. Zijn eerste soloplaat luistert naar de titel Rhythm And Repose en het is net als Markéta Irglová’s Anar een plaat die niet direct lijkt op de muziek van The Swell Season. Waar Markéta Irglová vorig jaar koos voor een intieme en bijzonder ingetogen plaat met vooral wat droevige songs, is Glen Hansard’s Rhythm And Repose een warmbloedige en wat voller klinkende plaat. Rhythm And Repose is het resultaat van een lang verblijf in New York, waar Hansard werkte met producer Thomas Bartlett (Doveman, The National, Antony & the Johnsons), technicus Patrick Dillett (David Byrne, Laurie Anderson) en gastmuzikanten als singer-songwriter Sam Amidon en arrangeur Nico Muhly. Het levert een prachtige folky en soulvolle plaat op, die hier en daar wel wat tegen het werk van landgenoot Van Morrison aanschurkt, maar hiernaast ook duidelijk de hand van Glen Hansard verraadt. Vergeleken met de rockmuziek die Hansard maakt met The Frames is de muziek op Rhythm And Repose behoorlijk ingetogen, maar door de bij vlagen wat vollere instrumentatie en het ontspannen klinkende geluid is het zeker geen sombere breakup-plaat geworden. Op Rhythm And Repose wisselt Glen Hansard betrekkelijk ingetogen singer-songwriter songs af met wat rijker georkestreerde songs met flink wat Ierse soul en rhythm & blues. Hoewel Glen Hansard in tekstueel opzicht de zware persoonlijke thema’s zeker niet schuwt en flink wat emotie in zijn prachtige stem heeft, klinkt Rhythm And Repose een stuk lichtvoetiger dan de break-up plaat van Markéta Irglová vorig jaar, waardoor de plaat bij meerdere gelegenheden tot zijn recht komt. Glen Hansard weet buiten Ierland met The Frames helaas nog steeds geen potten te breken, maar komt na de wel succesvolle samenwerking met Markéta Irglová (het duo wist zelfs een Oscar in de wacht te slepen) nu op de proppen met een soloplaat die zich kan meten met de platen van al die blanke soul- en folkzangers die de afgelopen jaren met zoveel succes aan de weg timmeren. Alle reden dus om deze eerste soloplaat van de Ier met heel veel liefde te omarmen. Je krijgt er zeker geen spijt van. Erwin Zijleman




zondag 24 juni 2012

2:54 - 2:54

Gruizige gitaren, diepe bassen, atmosferische elektronische klanken en dromerige vrouwenstemmen; het is over het algemeen een combinatie die aan mij wel is besteed. Op het titelloze debuut van 2:54 (Two - Fifty four) strooien de zusjes Hannah en Colette Thurlow rijkelijk met deze ingrediënten en het debuut van de band rond dit tweetal wist me dan ook onmiddellijk te overtuigen. Op haar debuut combineert 2:54 de dreampop van een band als Lush met de shoegaze van bijvoorbeeld My Bloody Valentine en het surrealistische van de Cocteau Twins. De basis van het geluid van de band uit Londen wordt gevormd door gruizige gitaren, die vaak een ruwe basis neerleggen, maar ook kunnen zorgen voor prachtige en breed uitwaaiende gitaarloopjes. Door de combinatie van deze gitaren met ijle elektronische klanken en de donkere bassen, heeft 2:54 een atmosferisch en soms zelfs wat unheimisch geluid, wat nog eens wordt verstrekt door de dromerige en op hetzelfde moment wat onderkoelde vocalen van de zusjes Thurlow. Heel nieuw is het geluid van 2:54 natuurlijk niet. De aan het begin van deze recensie genoemde ingrediënten vormen de basis voor talloze platen, waarvan een enkeling inmiddels is uitgegroeid tot een klassieker. In grote lijnen sluit 2:54 aan bij de beste voorbeelden uit het verleden, maar op subtiele wijze voegt 2:54 toch ook wel nieuwe elementen toe aan dit inmiddels bekende geluid. Hier en daar is het geluid van 2:54 net wat steviger en schuift het voorzichtig op in de richting van stoner rock, maar aan de andere kant durven Hannah en Colette Thurlow ook gas terug te nemen of kiezen ze juist voor een meer eigentijds geluid dat dicht bij dat van het drie jaar geleden zo bewierookte The Xx ligt. In veel recensies die tot dusver over het debuut van 2:54 zijn verschenen, wordt de muziek van de band overtuigend maar te eenvormig genoemd en dat begrijp ik eerlijk gezegd niet. 2:54 springt op haar debuut weliswaar niet van de hak op de tak, maar in een genre waarin enige monotonie verantwoordelijk is voor een groot deel van het betoverende effect, laat 2:54 als je het mij vraagt flink wat variatie horen. Door deze variatie, maar vooral door de ijzersterke uitvoering en de fantastische productie en mix van de ervaren oude rotten Rob Ellis (PJ Harvey) en Alan Moulder (Depeche Mode, Lush, Blonde Redhead, Smashing Pumpkins), is het debuut van 2:54 inmiddels een zeer graag geziene gast in mijn cd speler. In een zomer waarin het zo nu en dan behoorlijk kan spoken, zorgt de band uit Londen keer op keer voor de perfecte soundtrack. Laat de herfst dus maar komen, ik ben er met deze prima plaat van 2:54 helemaal klaar voor. Erwin Zijleman







zaterdag 23 juni 2012

The Parlor Soldiers - When The Dust Settles

Op zaterdag probeer ik aandacht te besteden aan minder bekende platen uit het roots segment. Dat heeft de afgelopen weken veel mooie platen opgeleverd, maar de in de eerste weken van 2012 besproken plaat van The Parlor Soldiers steekt er met kop en schouders boven uit. Daarom nog een keer aandacht voor het magistrale When The Dust Settles van The Parlor Soldiers. The Parlor Soldiers is een alt-country band uit Fredericksburg, Virginia, die met When The Dust Settles een prima debuut heeft afgeleverd. De spil van de band wordt gevormd door Alex Culbreth en Karen Jonas die samen verantwoordelijk zijn voor de songs, de vocalen, het gitaarwerk en de percussie en voor de gelegenheid worden bijgestaan door een bassist. De plaat opent met een track waarin The Parlor Soldiers The Jayhawks naar de kroon steken met harmonieën die nog onweerstaanbaarder zijn dan die Mark Olson en Gary Louris, maar vervolgens blijkt de band van vele markten thuis. Over het algemeen genomen is de muziek van The Parlor Soldiers behoorlijk traditioneel en verrijkt de band haar alt-country met voorzichtige invloeden uit de Appalachen folk. De instrumentatie bestaat in vrijwel alle gevallen uit een lome en opvallend diepe dubbele bas, sober maar ruimtelijk gitaarspel, zeer eenvoudige en sobere percussie en de emotievolle en indringende vocalen van Alex Culbreth en Karen Jonas. In een beperkt aantal songs zijn de vocalen gelijk verdeeld, maar in de meeste tracks neemt een van de twee het voortouw en schuurt de ander hier heerlijk tegenaan. Ondanks mijn voorkeur voor vrouwenstemmen zijn de songs waarin Alex Culbreth de leadvocalen voor zijn rekening neemt mijn favorieten op deze plaat, al is dit voor een groot deel de verdienste van de heerlijke en voor mij volstrekt onweerstaanbare achtergrondvocalen van Karen Jonas. In de meeste songs ligt het tempo uiterst laag, maar When The Dust Settles (het titelnummer is trouwens wat mij betreft het hoogtepunt van de plaat) bevat ook een aantal buitenbeentjes als een fraai Johnny Cash eerbetoon, een song met blues invloeden en twee songs waarin de band haar liefde voor 50s rock ’n roll laat horen. Nergens is te horen dat het hier gaat om een debuut. De songs van The Parlor Soldiers zitten bijzonder knap in elkaar, klinken rauw en doorleefd, schuwen de tot op het bot uitgeklede songs niet, bieden ruim voldoende variatie en vertellen ook nog eens prachtige verhalen die je meenemen op een road trip door de Verenigde Staten. When The Dust Settles is een plaat vol melancholie die liefhebbers van de betere alt-country alleen maar diep onder de huid kan raken. Aan het begin van deze recensie noemde ik When The Dust Settles al een prima debuut, maar hiermee doe ik The Parlor Soldiers eigenlijk flink tekort. Het debuut van The Parlor Soldiers is een van de betere alt-country platen van de afgelopen maanden of zelfs jaren en kan alleen maar de start zijn van een mooie carrière in dit toch wat doodgebloede genre, dat dankzij deze band uit Virginia opeens weer springlevend is. Erwin Zijleman 






When The Dust Settles van The Parlor Soldiers ligt in Nederland helaas nog altijd niet in de winkel. Voor 10 US Dollar (dat is nog geen 8 euro) koop je op Bandcamp pagina van de band echter een digitale editie van het album in een prima geluidskwaliteit: http://theparlorsoldiers.bandcamp.com/. Koopje! 

vrijdag 22 juni 2012

Husky - Forever So

Forever So van Husky is de afgelopen weken onthaald met zoveel positieve recensies dat ik eigenlijk nauwelijks meer om de plaat van de Australiërs heen kon. Een aantal lezers van deze BLOG gaf me vervolgens het laatste duwtje in de goede richting. Gelukkig maakt Husky alle positieve woorden meer dan waar, want Forever So is een echt een hele goede plaat. Husky opereert voor een belangrijk deel op het speelveld waarop ook een band als Fleet Foxes actief is, maar is gelukkig niet de zoveelste Fleet Foxes kloon (daar hebben we er inmiddels ook wel genoeg van). Het merendeel van de leden van Husky beschikt over de in dit genre zo populaire baard, maar het zijn wel keurig getrimde baarden. Aan de muziek van de band is nog veel meer aandacht besteed dan aan de gezichtsbeharing en dat hoor je. Forever So, het officiële debuut van de band, werd opgenomen in een huis in een afgelegen bos in vaderland Australië, waar de nodige analoge apparatuur was opgesteld en tijd in overvloed beschikbaar was. De plaat werd vervolgens in de Verenigde Staten afgemaakt door de van Devendra Banhart, Joanna Newsom en The Strokes bekende Noah Georgeson en uitgebracht op het roemruchte Sub Pop label (een unicum voor een Australische band). De keuze voor een vertrouwde en intieme plek locatie voor het opnemen van de plaat en het reserveren van voldoende tijd hoor je terug in de muziek van Husky. Forever So ademt rust uit en klinkt heerlijk ontspannen. De band rond voorman Husky Gawenda lijkt in eerste instantie vooral beïnvloedt door 60s singer-songwriters als Bob Dylan en Nick Drake, maar hoe vaker je naar Forever So luistert, hoe meer invloeden en details je hoort. Door het akoestische klankentapijt en de prachtige harmonieën ligt de vergelijking met Fleet Foxes meer dan eens voor de hand, maar veel vaker hoor je flarden van Neil Young, Crosby, Stills & Nash, The Band, The Byrds en Paul Simon (zeker wanneer er wat subtiele Afrikaanse invloeden opduiken. Wanneer we zoeken naar vergelijkingsmateriaal van recenter datum denk ik naast Fleet Foxes vooral aan Father John Misty, Iron & Wine en Angus & Julia Stone, maar hier en daar hoor ik ook wel wat van Radiohead, al kan ik niet ontdekken wat dit precies is. De ingetogen en warmbloedige songs van Husky vallen niet alleen op door hun schoonheid, maar zeker ook door hun onderhuidse kwaliteit. Bij beluistering van Forever So komen steeds weer nieuwe dingen aan de oppervlakte, wat de beluistering van de plaat tot een steeds aangenamere bezigheid maakt. Door de populariteit van Fleet Foxes is het de afgelopen jaren overvol in dit genre, maar het Australische Husky weet zich met Forever So absoluut te onderscheiden en bindt uiteindelijk zelfs de laatste plaat van Fleet Foxes zelf aan de zegekar. Erwin Zijleman



donderdag 21 juni 2012

Peaking Lights - Lucifer

Het man-vrouw duo Peaking Lights verraste vorig jaar met het buitengewoon intrigerende 936; een plaat waarop lome en bedwelmende muziek werd gecombineerd met de meest uiteenlopende invloeden, variërend van synthpop, lo-fi en psychedelica tot dub, reggae en Krautrock. In eerste instantie zat je vooral op het puntje van je stoel, maar uiteindelijk hing je lekker achterover en was er niet meer nodig dan de repeat-knop op de cd-speler of mp3-speler. Op het nu verschenen Lucifer gaan Indra Dunis en Aaron Coyes verder waar ze vorig jaar ophielden maar zetten ze ook flink wat stappen ter verdere vervolmaking van hun unieke geluid. Lucifer werd in tegenstelling tot zijn twee voorgangers niet thuis opgenomen maar in een studio, wat de geluidskwaliteit van de plaat enorm ten goede is gekomen. Lucifer klinkt niet alleen beter dan de vorige twee platen van Peaking Lights, maar is ook nog veelzijdiger dan de al zo breed georiënteerde vorige platen van het duo. Dit keer zijn het vooral invloeden uit de elektronica en de dance die aan terrein hebben gewonnen, maar ook alle invloeden die 936 vorig jaar zo’n aangename en bijzondere plaat maakten zijn weer van de partij. Lucifer is door dit alles een knap gemaakte plaat vol invloeden, vol avontuur en vol hypnotiserende klanken. Peaking Lights maakt ook op haar derde plaat weer lekkere lome muziek waarbij het heerlijk wegdromen is. Lucifer bevat een serie behoorlijk lange tracks (alle tracks op de plaat duren langer dan zes minuten), maar ondanks de lange duur en het lage tempo slaat de verveling geen seconde toe. Het elektronische klankentapijt en de mooie vocalen van Indra Dunis zijn absoluut aangenaam, maar het zijn alle bijzondere muzikale uitstapjes (inclusief vocale bijdragen van de pas geboren zoon van het duo) die de muziek van Peaking Light voorzien van de nodige magie. Het is niet eens zo makkelijk om op te schrijven wat er nu precies zo aangenaam of bijzonder is aan de muziek van Peaking Lights, maar luister naar deze plaat en de kans is groot dat je direct om bent. Dankzij de invloeden uit de reggae en de dub is Lucifer een plaat die het vooral bij hogere temperaturen uitstekend zal doen, maar ook als de regen met bakken uit de lucht komt denk je de zon er bij beluistering van Lucifer vrijwel onmiddellijk bij. 936 leek me vorig jaar een volstrekt unieke plaat die heel moeilijk te overtreffen zou zijn, vooral omdat de verrassing er na één keer wel af zou zijn, maar Lucifer is alleen maar beter, indrukwekkender, veelzijdiger en verslavender. 936 wist ondanks alle positieve aandacht geen potten te breken, maar dit keer moet Peaking Lights maar eens in brede kring gaan scoren. Een mooie en bijzondere plaat als Lucifer verdient niet anders. Erwin Zijleman







woensdag 20 juni 2012

Broken Water - Tempest

De muziek van het uit Olympia, Washington, afkomstige trio Broken Water wordt hier en daar vergeleken met die van Mazzy Star. De vergelijking met Mazzy Star is voor mij altijd reden genoeg om naar een plaat te luisteren en ondanks het feit dat de muziek van Broken Water nauwelijks lijkt op die van Mazzy Star, heb ik Tempest van de eerste tot de laatste noot beluisterd. Bij die ene keer is het niet gebleven, want Broken Water heeft een buitengewoon opwindende en fascinerende plaat gemaakt.  Op Mazzy Star lijkt het zoals gezegd niet of nauwelijks. Helemaal aan het eind van de plaat staat een track die wel wat lijkt op het werk van de band rond Hope Sandoval, maar in eerste instantie klinkt Broken Water, als ik de Mazzy Star vergelijking toch nog even vast probeer te houden, hooguit als Mazzy Star on speed, als Mazzy Star dat songs van Nirvana covert of misschien nog wel het meest als Nirvana dat een greep doet uit het oeuvre van Mazzy Star. Naast het wat rauwere werk van Nirvana hebben ook bands als My Bloody Valentine, Dinosaur Jr. en vooral Sonic Youth flink wat invloed gehad op de muziek van Broken Water. De meeste tracks op Tempest vallen op door lekker stevig gitaarwerk, dat zowel put uit de archieven van de noiserock als uit die van de shoegaze. Het waait allemaal breed uit en klinkt lekker gruizig, maar Broken Water verliest zich (gelukkig) niet in eindeloos gitaargeweld. De grootste kracht van de band schuilt in de kwaliteit van de songs, die zonder uitzondering lekker in het gehoor liggen en goed blijven hangen. Het zijn songs die het beste van de noiserock, shoegaze, grunge, lo-fi en indierock weten te combineren, waardoor de muziek van Broken Water hier en daar wel wat doet denken aan die van de hierboven genoemde bands, maar uiteindelijk toch een geheel eigen geluid heeft. Gitarist Jon Hanna trekt op Tempest de meeste aandacht met zijn fascinerende gitaarspel en zijn prima vocalen, maar ook de twee dames in de band laten zich gelden. Bassist Abigail Ingram voorziet de muziek van Broken Water van heerlijke lome en donkere baslijnen en verrast een paar keer met zanglijnen die zijn te omschrijven als Mazzy Star’s Hope Sandoval die haar valium is vergeten, terwijl drummer Kanako Pooknyw op lo-fi achtige wijze de lege gaten opvult. Met name wanneer het tempo iets terugvalt en invloeden uit de psychedelica aan terrein winnen is Broken Water ijzersterk, maar ook in de wat stevigere en meer rechttoe rechtaan songs weet de band uit Olympia zeer te overtuigen. Voor een plaat van dit kaliber krijgt Tempest van Broken Water tot dusver helaas veel te weinig aandacht, maar ik ben er van overtuigd dat deze band het uiteindelijk wel gaat redden. Wil je nu alvast de indie plaat die pas later dit jaar echt opzien gaat baren in huis halen? Vraag dan naar Tempest van Broken Water. Erwin Zijleman




 

dinsdag 19 juni 2012

Fiona Apple - The Idler Wheel

Is er het afgelopen jaar een plaat verschenen waar ik zo naar heb uitgekeken als naar The Idler Wheel Is Wiser Than The Driver of The Screw And Whipping Cords Will Serve You More Than Ropes Will Ever Do (vanaf nu The Idler Wheel) van Fiona Apple? Ik denk het eigenlijk niet. Fiona Apple overrompelde me 16 jaar geleden met het prachtige Tidal en deed dat drie jaar later nog eens dunnetjes over met het misschien nog wel mooiere When the Pawn Hits .. (de complete titel was nog een stuk langer dan die van The Idler Wheel). Hierna leerde ik dat je soms lang op een Fiona Apple plaat moet wachten, want pas zes jaar later verscheen Extraordinary Machine; het derde meesterwerk van de singer-songwriter uit New York. Inmiddels zijn we weer zeven jaar verder en ligt dan eindelijk de vierde plaat van Fiona Apple in de winkel. The Idler Wheel is zeker geen makkelijke plaat. Aan de ene kant is het een typische Fiona Apple plaat, want zowel haar donkere en emotievolle stemgeluid als haar minstens even donkere pianoklanken (Fiona Apple gebruikt maar zelden de rechterkant van het klavier) herken je uit duizenden. Het zijn met name de songs die dit keer een stuk complexer in elkaar steken. Redelijk toegankelijke delen waarin de stem van Fiona Apple en haar stemmige pianospel domineren, worden afgewisseld met delen waarin complexe ritmes, onverwachte wendingen en niet alledaagse zang de toon zetten. The Idler Wheel kost hierdoor wat meer energie dan de eerste twee platen en het deels uit behoorlijk toegankelijke songs bestaande Extraordinary Machine, maar alles wat je in The Idler Wheel stopt krijg je uiteindelijk dubbel en dwars terug. Na de vaak volle arrangementen van producer Mike Elizondo op Extraordinary Machine, is The Idler Wheel een bijna kale plaat waarop het pianospel van Fiona Apple en de opzwepende en soms wat jazzy ritmes van percussionist Charley Drayton domineren. De combinatie van de sobere maar behoorlijk complexe klanken en dit keer bijzonder indringende vocalen (Fiona Apple was al niet bang voor flink wat emotie in haar muziek, maar gaat nu nog een flinke stap verder) zorgt voor een serie songs die in eerste instantie vooral intrigeren, maar je uiteindelijk genadeloos opslokken. Ik geef eerlijk toe dat ik bij eerste beluistering wat teleurgesteld was in The Idler Wheel, maar nu ik de plaat flink wat keren heb gehoord ben ik zwaar verslaafd aan de nieuwe plaat van Fiona Apple en vind ik hem alleen maar beter worden. Fiona Apple deed op Tidal, When The Pawn... en Extraordinary Machine al precies waar ze zelf zin in had en doet dat op The Idler Wheel in nog veel sterkere mate. Het levert een buitengewoon fascinerende plaat op die waarschijnlijk niet in de smaak zal vallen bij een groot publiek, maar liefhebbers van eigenzinnige popmuziek vol avontuur, bezwering en toverkracht hebben al heel lang geen plaat meer gehoord die zo goed is als The Idler Wheel. The Idler Wheel is het vierde meesterwerk van Fiona Apple en met afstand de beste plaat van dit moment. Er zit vandaag geen krent in de pop maar een ruwe diamant van een enorme omvang die na iedere slijpbeurt mooier en indrukwekkender wordt. Wat een prachtplaat. Erwin Zijleman





maandag 18 juni 2012

The dB's - Falling Of The Sky

The dB’s is een Amerikaanse band die aan het eind van de jaren 70 werd opgericht en tot het midden van de jaren 80 leek door te breken naar een groot publiek. De band rond Chris Stamey en Peter Holsapple (beiden hebben minstens één geniale soloplaat op hun naam staan en ook als duo maakten ze één uitstekende plaat) deed dit met muziek die inmiddels wordt omschreven als de missing link tussen Big Star en R.E.M.. Dat de band uiteindelijk de cultstatus niet wist te ontstijgen lag vooral aan de matige kwaliteit van de latere platen van de band (die het op dat moment al zonder Chris Stamey moest doen), maar zowel het debuut Stands For Decibels uit 1981 als opvolger Repercussion uit 1982 zijn platen die eigenlijk in geen enkele platenkast mogen ontbreken. In 1994 kwamen The dB’s al weer eens bij elkaar, maar die reünie was met name vanwege de zwakke comeback plaat niet erg succesvol. Met Falling Of The Sky proberen The dB’s het nog eens en dit keer is de band er wel in geslaagd om een goede plaat af te leveren. Falling Of The Sky sluit voor een belangrijk deel aan op de eerste twee platen van de band en laat horen dat The dB’s nog altijd muziek maken die overloopt van klasse. Alle vier de leden van de band hebben zich de afgelopen 30 jaar stevig ontwikkeld en dat heeft zijn weerslag op Falling Of The Sky. Nog niet eerder klonken The dB’s zo veelzijdig en lag het niveau van de songs zo hoog. Falling Of The Sky is ook nog eens een bijzonder sprankelende plaat. Van vrijwel alle songs op de plaat kun je alleen maar heel vrolijk worden en omdat de verleidingskracht alleen maar toeneemt, is de comeback van The dB’s maar moeilijk uit de cd speler te krijgen. Net zoals in het verleden is het gitaarwerk geweldig en zijn de vocalen van hoog niveau. Alle vier de leden van de band dragen op eigen wijze bij aan dit succes, waardoor Falling Of The Sky misschien wat minder coherent klinkt dan Stands For Decibels of Repercussion, maar persoonlijk bevalt de variatie me wel. Falling Of The Sky bevat fraaie Beatlesque pop, aanstekelijke powerpop, twangy rock zoals R.E.M. die in haar beste jaren maakte en psychedelische rootsrock. Het klinkt allemaal net wat minder ruw dan 30 jaar geleden (de punky attitude zijn de bandleden wel kwijt), maar de inmiddels op leeftijd zijnde heren klinken absoluut energiek, doorleefd en gedreven. Ik heb het normaal gesproken niet zo op reünie platen van bands uit een ver verleden, maar Falling Of The Sky van The dB’s is gewoon een hele goede plaat die niet onder doet voor hun beste werk. Voor een ieder die het oude werk van The dB’s niet kent werkt de aanbeveling dat Falling Of The Sky zich kan meten met de beste platen van R.E.M. misschien beter en ook van deze aanbeveling is niets gelogen. Er zijn heel wat jonge bands die graag een plaat als Falling Of The Sky zouden willen maken, maar van het huidige niveau van The dB’s kunnen ze voorlopig alleen maar dromen. Erwin Zijleman


zondag 17 juni 2012

Morgan O'Kane - Pendulum

Er zijn de laatste tijd hele mooie dingen opgeschreven over de Amerikaanse banjo virtuoos Morgan O’Kane. Zo werd hij de liefdesbaby van Bruce Springsteen en banjo legende Uncle Dave Macon genoemd en hiernaast getypeerd als de Jimi Hendrix van de banjo. Door dit soort uitspraken begon ik met behoorlijk hoge verwachtingen aan de beluistering van het onlangs verschenen Pendulum, maar desondanks heeft de plaat me totaal van mijn sokken geblazen. De eerste tracks van Pendulum doen wel wat denken aan de muziek die Springsteen maakte op zijn We Shall Overcome: The Seeger Sessions, al geeft Morgan O’Kane wel wat meer gas en trekt hij bovendien een nog rauwere strot open. De heerlijk rauwe folk en bluegrass op Pendulum was op zich al meer dan genoeg om me te overtuigen van de kwaliteiten van Morgan O’Kane, maar de Amerikaanse muzikant heeft ook nog een geheim wapen. Ik heb aardig wat uitstekende banjospelers gehoord, maar het banjospel van Morgan O’Kane is van een buitenaardse kwaliteit. Zowel qua snelheid als complexiteit doet Morgan O’Kane onwaarschijnlijke dingen op zijn banjo, maar hiernaast slaagt hij er ook nog eens in om niet te verzanden in eindeloos gepiel en zijn banjospel volledig in dienst van zijn songs te stellen. Het zijn met name de uptempo songs met onwaarschijnlijk snel banjospel die vreemde dingen met je doen en je uiteindelijk doen smeken om meer, maar Morgan O’Kane is ook niet bang voor meer ingetogen songs en ook deze songs weten zeer te overtuigen. Wanneer je goed naar Pendulum luistert hoor je hoe knap de muziek van Morgan O’Kane in elkaar steekt. Naast banjo en zang van O’Kane zelf is een heel arsenaal aan andere snaar en strijkinstrumenten te horen wat Pendulum een vol en meeslepend geluid geeft. Wanneer onder Pendulum niet de naam Morgan O’Kane maar de naam Bruce Springsteen zou prijken, zou de plaat inmiddels zijn  onthaald als een ware sensatie, maar helaas is Morgan O’Kane vooralsnog een grote onbekende. Met een sensationeel goede plaat als Pendulum op zak kan het echter niet lang meer duren voordat Morgan O’Kane wordt onthaald als groot muzikant. Wil je iedereen eens voor zijn? Haal dan nu Pendulum in huis. Zorg er bovendien voor dat je Morgan O’Kane op een klein podium aan het werk ziet nu dat nog kan. Morgan O’Kane is de komende maand te zien op een aantal Nederlandse podia. Het tourschema staat op http://www.klandermanpromotion.com/. Ga dat zien en horen. Erwin Zijleman




zaterdag 16 juni 2012

Fay Hield & The Hurricane Party - Orfeo

Voor uiterst traditionele Britse folk krijg je in Nederland niet direct de handen op elkaar, maar in Engeland kan het genre nog altijd rekenen op veel sympathie van de critici en op de aandacht van een redelijk omvangrijk publiek. Orfeo van Fay Hield & The Hurricane Party gaat momenteel in Engeland als de spreekwoordelijke warme broodjes over de toonbank en kan bovendien rekenen op lovende recensies. Dat zal in Nederland niet direct gaan gebeuren, maar dat Fay Hield ook hier aandacht verdient staat voor mij inmiddels niet meer ter discussie. Voor Orfeo (de opvolger van het in Engeland ook uitstekend ontvangen en zeer succesvolle Looking Glass) deed Fay Hield een beroep op een aantal jonge muzikanten onder wie Jon Boden (die zelf ook een aantal prima platen op zijn naam heeft staan), maar ook levende Britse folk legende Martin Simpson speelt mee op de tweede plaat van Fay Hield. Het instrumentarium op Orfeo houdt zich keurig aan de conventies van de traditionele Britse folk. Naast accordeon en diverse snaarinstrumenten (variërend van gitaar tot banjo en mandoline) horen we op Orfeo de nodige strijkers (viool en cello) en een aantal bijzondere instrumenten. Al deze instrumenten zorgen voor een stemmig geluid dat aan de ene kant vol maar aan de andere kant ook sober klinkt. Hierdoor krijgt de prachtige stem van Fay Hield alle ruimte en dat is een verstandig besluit. Fay Hield zingt zoals traditionele Britse folkzangeressen al decennia en waarschijnlijk zelfs al eeuwen zingen. De muziek van Fay Hield & The Hurricane Party is daarom niet zo toegankelijk als de Britse folkpop die de afgelopen jaren flink aan terrein heeft gewonnen, maar een ieder die even doorbijt wordt hiervoor rijkelijk beloond. Orfeo bevat uitsluitend traditionals die in een aantal gevallen door Jon Boden zijn bewerkt. Het lijkt me lastig om iets toe te voegen aan de in sommige gevallen al eeuwen oude songs, maar Fay Hield en haar band slagen hier uitstekend in. Voor een ieder die, net als ik, niet dagelijks naar traditionele Britse folk luistert, is Orfeo een plaat die in eerste instantie wat tegen de haren in strijkt, maar na enige gewenning blijkt de muziek van Fay Hield & The Hurricane Party bijzonder overtuigend. De traditionele muziek van de Britse zangeres en haar band blijkt dan opeens bijzonder meeslepend, maar kabbelt net zo makkelijk aangenaam voort op de achtergrond. Britse traditionele folk is nog altijd een genre  waar ik zeker niet iedere dag mee uit de voeten kan, maar zo op zijn tijd klinkt het erg lekker, zeker wanneer je luistert naar het beste dat op het moment te krijgen is. Het zou me niet verbazen als dat op dit moment Orfeo van Fay Hield & The Hurricane Party is. Erwin Zijleman




vrijdag 15 juni 2012

Nick Waterhouse - Time's All Gone

Wanneer Time’s All Gone van Nick Waterhouse voor het eerst uit de speakers knalt, kun je eigenlijk alleen maar concluderen dat je een obscure soulklassieker uit een heel ver verleden in handen hebt gekregen. Je droomt al stiekem over een oude soulman die door de nodige persoonlijke ellende nooit de kans heeft gekregen om zich te scharen tussen de grote soulzangers uit de jaren 60, maar op zijn oude dag dan eindelijk zijn antieke opnamen heeft weten te slijten en alsnog de erkenning krijgt die hij al zo lang verdient. Het boekje bij de cd zet je echter snel weer met beide benen op de grond. Time’s All Gone is immers gloednieuw en afkomstig van een jonge blanke Amerikaanse muzikant uit California. Nu zijn er de afgelopen jaren wel meer jonge blanke soulzangers opgedoken, maar zelden klonken ze zo rauw en zo authentiek als Nick Waterhouse. Waterhouse doet op zijn debuut geen enkele poging om eigentijds te klinken. Hij maakt op Time’s All Gone een mix van vintage soul, rock & roll, swamp blues en rhythm & blues, die net zo makkelijk een aantal decennia geleden gemaakt had kunnen worden. Het is muziek die raakt aan die van soort- en tijdgenoten als Mayer Hawthorne, Eli 'Paperboy' Reed en Jamie Lidell, maar wat mij betreft klinkt de muziek van Nick Waterhouse een stuk rauwer, compromislozer en oorspronkelijker. Het is bijna of Ike Turner uit de dood is opgestaan en aan zijn zoveelste jeugd is begonnen en dat zegt wat. Waterhouse heeft zich omringd met muzikanten die het soul- en rhythm & blues geluid uit de late jaren 50 en vroege jaren 60 moeiteloos kunnen reproduceren. Het is een baggervet en dampend geluid waarin met name de buitengewoon felle blazers opvallen, maar ook de rest mag er zijn. Waterhouse en een trefzeker dameskoortje voorzien de vurige klanken van de band bijna achteloos van passie- en soulvolle vocalen. Time’s All Gone klinkt als een op een namiddag door een aantal gelouterde muzikanten in elkaar gedraaide set met een aantal soulklassiekers, maar op één cover na is al het materiaal op de plaat afkomstig van Nick Waterhouse zelf. Natuurlijk is het geluid van Nick Waterhouse niet nieuw, maar dat hoeft ook niet. Nick Waterhouse heeft een rauwe en gloedvolle plaat met heel veel soul gemaakt en daar hebben we er tegenwoordig veel te weinig van. Vanaf de eerste noten van Time’s All Gone heeft Nick Waterhouse je te pakken met zijn perfect spelende band, zijn rauwe strot en zijn aanstekelijke songs en inmiddels weet ik dat het effect van Time’s All Gone intens en langdurig is. Precies een week na de moderne soulplaat van ouwe rot Bobby Womack, laat jonge hond Nick Waterhouse horen hoe de soul een aantal decennia geleden ook al weer klonk. Ik kan maar lastig kiezen, maar weet wel dat Nick Waterhouse de beste papieren heeft wanneer de temperaturen de komende weken eindelijk eens gaan oplopen. Erwin Zijleman



donderdag 14 juni 2012

Mr Day - Dry Up In The Sun

Mr Day is een band uit het Franse Lyon die zich tot dusver vooral liet gelden binnen de acid jazz; een genre waarin ik me maar zeer zelden beweeg, waardoor ik nog in aanraking was gekomen met de muziek van de band. Op haar nieuwe plaat Dry Up In The Sun heeft Mr Day de acid jazz echter flink naar de achtergrond gedrongen en nemen vooral invloeden uit de 60’s rock, soul en psychedelica een belangrijke plaats in. Mr Day heeft weliswaar Franse roots, maar Dry Up In The Sun klinkt alles behalve Frans.  De meeste tracks op Dry Up In The Sun nemen je mee naar de hoogtijdagen van de Amerikaanse soul en Britse Northern soul en vermaken met zonnige en opwindende klanken. Toch maakt Mr Day geen muziek die ook in de jaren 60 gemaakt had kunnen worden. Door de psychedelische invloeden en de uitstapjes richting funk hebben ook de jaren 70 hun sporen nagelaten in het zwoele geluid van Mr Day (hier en daar klinken ze zelfs als The Rolling Stones op Some Girls en Emotional Rescue), maar wanneer de gitaren aanzwellen en de dosis psychedelica wordt opgevoerd komen de Fransen ook in de buurt van het geluid waarmee The Primal Scream aan het begin van de jaren 90 opzien baarde. De jazzy accenten en lome beats kunnen tenslotte alleen maar uit het heden komen, waardoor Mr Day met haar muziek uiteindelijk een aantal decennia bestrijkt en dat is knap. Dry Up In The Sun is een eersteklas feel-good plaat, die je onmiddellijk weet te veroveren en betoveren. De muziek van de band ligt zo lekker in het gehoor dat je bijna vergeet om er kritisch naar te luisteren. Wanneer je dat doet hoor je pas hoe goed Dry Up In The Sun is. De band beschikt over een fantastische zanger met een schuurpapieren strot vol soul, een heerlijk scheurend orgel dat af en toe helemaal los mag gaan, subtiele strijkers en blazers, catchy gitaarloopjes met hier en daar een ruwe of galmende uithaal en een ritmesectie die de boel op buitengewoon solide wijze aan elkaar weet te breien. Vrijwel alle songs op de plaat zitten na één keer horen in het geheugen en klinken heerlijk tijdloos. Op een of andere manier is de muziek van de Fransen echter ook spannend en avontuurlijk, wat de luisterervaring alleen maar indrukwekkender maakt. Dry Up In The Sun van Mr Day is een plaat die met een beetje geluk uitgroeit tot één van de leukste zomerreleases van 2012. Met deze plaat als soundtrack is ieder zomerfeest geslaagd, maar ook bij andere gelegenheden is luisteren naar Dry Up In The Sun een waar feestje. Omarmen deze plaat. Met zijn allen als het even kan. Erwin Zijleman







woensdag 13 juni 2012

Dexys - One Day I'm Going To Soar

In Nederland kennen we Kevin Rowland vooral als de man die in een hele foute tuinbroek met zijn Dexy’s Midnight Runners een bescheiden hitje scoorde met het aanstekelijke Come On Eileen. In Engeland ziet men Rowland daarentegen als een miskend genie die met een beetje geluk de boeken in was gegaan als een van de grootheden uit de geschiedenis van de popmuziek.  Mijn persoonlijke mening over de muziek van Kevin Rowland zit hier ongeveer tussenin. De soloplaten die Rowland een jaar of tien geleden uitbracht vond ik niet of nauwelijks te pruimen, maar Dexy’s Midnight Runners is als je het mij vraagt veel meer dan een "one hit wonder". De band bracht met Searching For The Young Rebels uit 1980 en Too-Rye-Ay twee klassiekers uit, terwijl de vierde plaat van de band, het in 1985 verschenen Don’t Stand Me Down, de boeken in moet als een zwaar onderschat meesterwerk. Ik kan me daarom wel iets voorstellen bij alle Britse aandacht voor de comeback van Kevin Rowland, waaronder paginagrote recensies in alle belangrijke Britse muziektijdschriften. In Nederland is de plaat van Dexys (de Midnight Runners zijn verdwenen) echter vrijwel geruisloos verschenen. Nieuwsgierig geworden door alle Britse lof heb ik de plaat direct bij binnenkomst beluisterd en ik kan eigenlijk alleen maar concluderen dat alle Britse ophef terecht is. Dexys keert qua bezetting terug naar de jonge jaren van Dexy’s Midnight Runners, waardoor naast Kevin Rowland zelf ook andere Mick Talbot (vooral bekend van The Style Council) is te horen op One Day I’m Going To Soar. Ook in muzikaal opzicht keert Dexys terug naar het vroege werk van Dexy’s Midnight Runners, maar het doet onderweg ook de andere platen van de band en het solowerk van Kevin Rowland aan. One Day I’m Going To Soar bevat een uiterst aangename mix van folk, rhythm & blues, jazz en soul, die het ene moment heerlijk laid-back en het volgende moment behoorlijk theatraal kan klinken. In muzikaal opzicht druipt de klasse en routine er af, maar er wordt zeker niet op de automatische piloot gespeeld, waardoor de plaat een stuk spannender is dan vergelijkbare platen. Ook in vocaal opzicht is One Day I’m Going To Soar een hele boeiende plaat. De stem van Kevin Rowland klinkt misschien niet meer zo soepel als in zijn jonge jaren, maar de hoeveelheid soul en doorleving is alleen maar toegenomen. One Day I’m Going To Soar bevat een serie hele sterke songs, waarin Kevin Rowland, getekend door het nodige persoonlijke leed, indringende verhalen vertelt, maar ook verrast met mooie broeierige muziek. Dat Kevin Rowland behoort tot de genieën uit de geschiedenis van de popmuziek gaat me nog altijd wat te ver, maar dat hij platen af kan leveren van een bijzonder hoog niveau, bewijst hij 27 jaar na het briljante Don’t Stand Me Down opnieuw met het verrassend goede One Day I’m Going To Soar; een plaat die veel te goed is om te negeren, zoals vooralsnog in Nederland dreigt te gebeuren. Erwin Zijleman




dinsdag 12 juni 2012

The Beach Boys - That's Why God Made The Radio

Het is ongeveer een jaar geleden dat alle nog in leven zijnde leden van de legendarische bezetting van The Beach Boys een serie concerten aankondigden. Dat was gezien alle conflicten uit het verleden al een bijzonder gebeurtenis, maar dat de heren ook nog eens de studio in doken voor het opnemen van een nieuwe plaat ging nog een stapje verder. Deze plaat ligt nu in de winkel en heeft als titel That’s Why God Made The Radio mee gekregen. Van de drie Wilson broers is uiteraard alleen Brian nog over en hiernaast is zijn neef Mike Love van de partij. Al Jardine, Bruce Johnston en David Marks maken de line-up compleet. Het zijn grote namen, maar levert het ook een goede plaat op? Op voorhand was er alle reden tot twijfel. De laatste fatsoenlijke Beach Boys plaat stamt immers uit 1977 (Love You) en is dit jaar dus precies 35 jaar oud. Alles wat hierna verscheen was eigenlijk niet de moeite waard. Met That’s Why God Made The Radio nemen The Beach Boys echter op indrukwekkende wijze revanche voor alle matige platen die na 1977 verschenen. Heel veel veranderd is er niet. That’s Why God Made The Radio laat direct bij de eerste noten de vertrouwde Beach Boys harmonieën horen en ook alle andere ingrediënten van het uit duizenden herkenbare Beach Boys geluid laten niet lang op zich wachten. That’s Why God Made The Radio bevat vooral lekker zomers klinkende songs waarin het leven in Californië centraal staat. Het zijn songs die direct weten te overtuigen, maar ook als That’s Why God Made The Radio voor de zoveelste keer voorbij komt zijn vrijwel alle songs nog leuk. Natuurlijk kan That’s Why God Made The Radio niet concurreren met de beste vijf a zes platen uit de catalogus van The Beach Boys, maar tussen het stapeltje platen dat hierop volgt misstaat deze nieuwe worp zeker niet. Waar je bij muzikanten van de leeftijd van de leden van The Beach Boys met name vocaal de nodige slijtage hoort, klinken de vocalen op That’s Why God Made The Radio nagenoeg perfect. In muzikaal opzicht klinkt het allemaal wat lichtvoetiger dan op een meesterwerk als Pet Sounds, maar de muzikale uitverkoop die The Beach Boys bijvoorbeeld gedurende de jaren 80 hielden blijft dit keer gelukkig achterwege. De zomer laat het tot dusver wat afweten en daarom is ook het aantal zomerplaten kleiner dan normaal. That’s Why God Made The Radio van The Beach Boys is er echter één en het is nog een hele goede ook. Natuurlijk kun je er ook een Beach Boys klassieker uit het verleden bij pakken, maar persoonlijk ben ik erg gecharmeerd van deze nieuwe lichting Beach Boys songs. The Beach Boys zijn misschien een dagje ouder, maar ze zijn het buitengewoon invloedrijke kunstje van een aantal decennia geleden nog zeker niet verleerd. Prima plaat! Erwin Zijleman









maandag 11 juni 2012

Amy MacDonald - Life In A Beautiful Light

De Schotse Amy MacDonald was net 20 toen ze in 2007 wereldwijd doorbrak met haar debuut This Is The Life en de hiervan afkomstige singles Mr. Rock & Roll en This Is The Life. Toch kreeg Amy MacDonald het succes niet cadeau. Voor de haar zo gegunde doorbraak deed ze meerdere rondjes langs de Schotse en Engelse podia en talloze pogingen om haar muziek aan de man te brengen bij de platenmaatschappijen. Toen de plaat eenmaal in de winkel lag wilde het in eerste instantie helemaal niet lukken met haar met zo veel energie en passie gemaakte debuut; pas na enkele maanden kwam het succes. Met This Is The Life wist Amy MacDonald eerst de critici en uiteindelijk ook het grote publiek te veroveren. Diezelfde critici moesten in 2010 weinig hebben van Amy MacDonald’s tweede plaat A Curious Thing en ondanks het feit dat de plaat redelijk goed werd verkocht is Amy MacDonald bij het grote publiek nog altijd vooral bekend als het meisje van This Is The Life of Mr. Rock ’n Roll. Ik vrees dat Amy MacDonald hier met haar derde plaat Life In A Beautiful Light weinig aan gaat veranderen. Uit de eerste recensies die zijn verschenen blijkt dat de critici sinds de twee wereldhits niets meer moeten hebben van Amy MacDonald en omdat hits van het kaliber van Mr. Rock & Roll en This Is The Life ontbreken op Life In A Beautiful Light, vrees ik dat ook het publiek de derde plaat van Amy MacDonald niet zo hartstochtelijk gaat omarmen als het debuut vijf jaar geleden. Echt begrijpen doe ik het niet. Ondanks het ontbreken van de echte wereldhits was A Curious Thing objectief bezien een veel betere plaat dan het wat wisselvallige This Is The Life en na een paar keer horen durf ik inmiddels wel te concluderen dat Life In A Beautiful Light op zijn beurt weer een betere plaat is dan A Curious Thing. Heel groot zijn de verschillen tussen de drie platen overigens niet. Ook op Life In A Beautiful Light maakt Amy MacDonald weer lekker in het gehoor liggende folkpop, met haar soepele stem en haar authentieke Schotse accent als meest in het oor springende elementen. Life In A Beautiful Light bevat weliswaar geen 100% perfecte popsongs als Mr. Rock & Roll en met name This Is The Life, maar over het algemeen genomen ligt het niveau op Life In A Beautiful Light hoger dan op zijn twee voorgangers. De songs hebben net wat meer diepgang, de arrangementen zijn wat voller, de teksten zijn wat persoonlijker, in muzikaal opzicht is de plaat afwisselender en persoonlijk vind ik dat Amy MacDonald beter is gaan zingen. Wanneer Amy MacDonald nog niet beroemd zou zijn zou ze absoluut doorbreken met Life In A Beautiful Light en zou de plaat kunnen rekenen op bijzonder lovende recensies. Gezien haar voorgeschiedenis ligt dat kennelijk anders en dat is jammer (of eigenlijk schandalig). Wat mij betreft rekenen we Amy MacDonald gewoon af op haar prestaties uit het heden en in dat geval kan ik alleen maar concluderen dat de Schotse singer-songwriter een prima plaat heeft gemaakt, die het deze zomer prima zal doen bij meerdere gelegenheden. Is dat genoeg? Ja, voor mij wel. Erwin Zijleman




zondag 10 juni 2012

Regina Spektor - What We Saw From The Cheap Seats

What We Saw From The Cheap Seats is de zevende plaat van de Russisch-Amerikaanse singer-songwriter Regina Spektor. De plaat volgt op de aardige live-plaat Live In London uit 2010 en het toch wel wat tegenvallende Far uit 2009. What We Saw From The Cheap Seats is eerlijk gezegd een wat vreemde plaat, waaraan ik lang heb moeten wennen. De door de van Fiona Apple bekende Mike Elizondo geproduceerde plaat opent met een pianotrack die ook van Fiona Apple had kunnen zijn, al is de muziek van Regina Spektor wel wat expressiever en theatraler. In de tweede track slaat Regina Spektor volledig door in theatrale richting met een vrolijk popdeuntje waarin ze rijkelijk citeert uit de oude hit Don’t Let Me Be Misunderstood en hiernaast met een vet Italiaans accent de luisteraar toespreekt. Zelfs Rufus Wainwright zou het waarschijnlijk wat teveel van het goede hebben gevonden. Ik kan er inmiddels wel om lachen, maar mijn favoriete track is het zeker niet. Ook de rest van de plaat schakelt tussen lichtvoetige en vaak wat theatrale popliedjes en mooie indringende (piano)ballads zoals we die kennen uit het verleden van Regina Spektor. Na de eerste beluisteringen heb ik de tracks uit de eerste categorie een tijdje links laten liggen en me geconcentreerd op de mooie en wat meer ingetogen songs die al snel aan kracht begonnen te winnen en hierna snel blonken als schitterende parels. De laatste dagen ben ik een stuk voorzichtiger met het skippen van de tracks in de andere categorie en dat begint zijn vruchten af te werpen.  Regina Spektor die een maffiabaas of pizzabakker imiteert gaat met nog steeds wat te ver, maar een lekker eigenwijze zomerhit met blazers kan eigenlijk heel goed. Wanneer ik nu de balans op maak bevat What We Saw From The Cheap Seats toch voornamelijk tracks die me enthousiast doen opveren. Regina Spektor vermengt op haar nieuwe plaat de intensiteit van Fiona Apple met de dramatiek van Tori Amos, het theatrale van Nellie McKay en de vertelkunst van een ouwe rot als Randy Newman. What We Saw From The Cheap Seats is zeker geen makkelijke plaat, maar neem er de tijd voor en je zult merken dat steeds meer van de eigenzinnige popliedjes op de plaat je dierbaar worden. In eerste instantie gaf ik er niet meer dan een voorzichtig zesje voor, maar inmiddels is het een dikke acht en What We Saw From The Cheap Seats is nog zeker niet uitgegroeid. Mijn luisteradvies: begin met de vertrouwde Regina Spektor tracks en neem er zodra de zon weer wat feller schijnt zo nu en dan een van de meer lichtvoetige tracks bij. Grote kans dat Regina Spektor je uiteindelijk toch te pakken heeft en met haar nieuwe plaat de waardering oogst die ze inmiddels al een jaar of 11 verdient. What We Saw From The Cheap Seats is en blijft een bij vlagen wat vreemde plaat, maar het is wel een hele goede vreemde plaat, die uiteindelijk over flink wat echte kippenvelmomenten en geluksuitbarstingen blijkt te beschikken. Erwin Zijleman