zaterdag 23 september 2017

Eilen Jewell - Down Hearted Blues

De Amerikaanse singer-songwriter Eilen Jewell ken ik inmiddels precies tien jaar. In 2007 verscheen immers het uitstekende Letters From Sinners & Strangers en sindsdien heb ik een zwak voor de muziek van de singer-songwriter uit Boise, Idaho. 

Dat zwak heeft Eilen Jewell vooral verdiend met haar geweldige stem, maar ook de bijdragen van haar vaste gitarist Jerry Miller tillen de platen van de Amerikaanse muzikante stuk voor stuk naar een hoger plan. 

Twee jaar na het geweldige Sundown Over Ghost Town is Eilen Jewell terug met Down Hearted Blues. Waar op de platen van Eilen Jewell invloeden uit de folk, country en blues meestal redelijk in balans zijn, slaat de meter dit keer nadrukkelijk uit richting de blues. 

Down Hearted Blues bevat, zoals de titel al doet vermoeden, heerlijk bluesy songs, waarin uiteraard vooral de schaduwzijden van de liefde worden bezongen. Eilen Jewell vertrouwde dit keer op de songwriting skills van anderen en komt op de proppen met een aantal blues songs uit de oude doos. 

De criticus zal direct roepen dat we te maken hebben met een al dan niet overbodig tussendoortje, maar sinds The Rolling Stones vorig jaar met een plaat vol oude blues hun beste plaat in minstens 35 jaar maakten, ben ik voorzichtig met een te snel oordeel. 

Down Hearted Blues moet het misschien doen zonder de scherpe pen van Eilen Jewell, maar de songs op de plaat zijn stuk voor stuk uitstekend en kiezen gelukkig niet voor de wat uitgekauwde blues klassiekers. Ook op haar vorige platen verwerkte Eilen Jewell al met enige regelmaat invloeden uit de blues, dus de klik tussen het genre en de singer-songwriter uit Idaho wekt geen verbazing. Dat die klik zo’n goede en geïnspireerde plaat op zou leveren had ik echter niet verwacht. 

Natuurlijk is de rol van Eilen Jewell op de plaat groot, maar haar gitarist Jerry Miller verdient eerst een podium. Op Down Hearted Blues excelleert de ouwe rot (overigens niet te verwarren met de naamgenoot die ooit in Moby Grape schitterde) met geweldig gitaarspel. Jerry Miller speelt hier en daar de veters uit je schoenen met rauwe blues riffs, maar kan ook prachtig subtiel spelen. 

Alleen het gitaarspel maakt van Down Hearted Blues al een uitstekende plaat, maar er is nog veel meer moois. Zo speelt de ritmesectie prachtig ingetogen en zijn er hier en daar fraaie gastbijdragen. Het komt allemaal fraai tot zijn recht in de heldere productie, die de gitaar van Jerry Miller alle ruimte geeft, maar er ook voor zorgt dat het gitaargeweld nergens de stem van Eilen Jewell in de weg zit. 

Het is een stem die ook van Down Hearted Blues weer een topplaat maakt. De Amerikaanse singer-songwriter beschikt niet alleen over een stem vol dynamiek, maar heeft ook een timing waar de meeste zangeressen alleen maar heel jaloers op kunnen zijn. Het voorziet Down Hearted Blues van heel veel power, maar uiteraard is het ook een plaat vol gevoel. 

Eilen Jewell brengt de oude blues songs met zoveel gevoel dat ze alle liefdespijn uit de songs op de luisteraar weet over te dragen. Als Jerry Miller vervolgens zijn gitaar ook nog eens laat janken, speelt Eilen Jewell definitief een gewonnen wedstrijd met haar zoveelste prachtplaat op rij. Niks tussendoortje dus. Prachtplaat. Erwin Zijleman





vrijdag 22 september 2017

Frankie Rose - Cage Tropical

Er komt momenteel zo verschrikkelijk veel uit dat iedere plaat die langer dan een week blijft liggen onmiddellijk in de vergetelheid dreigt te raken. 

Het is gelukkig niet gebeurd met de nieuwe plaat van Frankie Rose, die ik eigenlijk alleen maar heb ontdekt omdat Spotify hem maar bleef promoten. 

Frankie Rose kennen we natuurlijk van bands als Vivian Girls, Dum Dum Girls en in iets mindere mate Beverly. Het zijn bands die nog vaak uit mijn speakers komen, waardoor het niet zo gek is dat Spotify denkt te weten dat ik Cage Tropical van Frankie Rose best wel eens een goede plaat zou kunnen vinden. 

Frankie Rose maakte het afgelopen decennium een drietal goed ontvangen soloplaten, maar leek de muziek een aantal jaren geleden vaarwel te hebben gezegd. Na een paar jaar in Los Angeles in een food truck te hebben gewerkt is Frankie Rose weer terug op het oude nest in Brooklyn, waar haar vierde soloplaat Cage Tropical werd opgenomen. 

Het is een plaat die wat dieper graaft dan de bands waarmee Frankie Rose de afgelopen tien jaar zoveel onweerstaanbare platen heeft gemaakt. Cage Tropical heeft maar heel af en toe een zwak voor dreampop en shoegaze, maar verrast met een opvallend loom en rijk geluid, waarin ruimte is voor uiteenlopende invloeden. 

Het zijn invloeden die vooral stammen uit de jaren 80 en afkomstig lijken van de goedgevulde platenkast van haar ouders. Frankie Rose citeert op haar nieuwe plaat flink uit de archieven van de 80s new wave, maar sluit ook aan bij de psychedelisch aandoende popmuziek waarmee The Bangles ooit opdoken. In de wat donkerdere tracks op de plaat duiken bovendien invloeden uit de postpunk op. 

Zeker wanneer de muzikante uit New York zich laat beïnvloeden door new wave uit de late jaren 70 en vroege jaren 80, lijkt het wel of ze met de Simple Minds of Echo & The Bunnymen de studio in is gedoken, maar Frankie Rose kan op Cage Tropical ook met 1001 andere invloeden uit de voeten. Hier en daar keert de Amerikaanse muzikante terug naar de zweverige hoogtijdagen van Cocteau Twins of hoor ik opeens van Kate Bush, maar de nieuwe plaat van Frankie Rose kan ook opvallend lichtvoetig en poppy klinken (ik heb minstens een paar keer aan Bananarama moeten denken en dat overkomt me tegenwoordig nauwelijks meer). 

Cage Tropical volgt op moeilijke tijden in het leven van Frankie Rose en dat hoor je. De plaat klinkt vaak donker en zeker wanneer de synths loom aanzwellen kil of zelfs onderkoeld. Het voorziet de plaat op een of andere manier van urgentie en van het vermogen om behoorlijk diep onder de huid te kruipen. 

De platen van de bands waarin Frankie Rose heeft gespeeld slaagden er stuk voor stuk in om me onmiddellijk te verleiden met honingzoete popsongs. Cage Tropical doet dat zeker niet. Het is een plaat die je vaker moet horen en het is bovendien een plaat waarvoor je in de stemming moet komen. Het opvoeren van het volume helpt hierbij, want zeker bij oppervlakkige beluistering dringt de plaat zich niet erg op en klinkt de muziek van Frankie Rose ongrijpbaar of zelfs vervreemdend. 

Ik had in het begin vooral aarzelingen, maar ben dankzij de volharding van Spotify van deze plaat gaan houden. Eerst nog voorzichtig, maar inmiddels toch behoorlijk intens. Erwin Zijleman





donderdag 21 september 2017

Dig Deeper - In Central European Time

Ik word iedere week weer overspoeld met nieuwe releases. Nieuwe cd’s, downloads en streams strijden iedere week weer om de aandacht en het is niet altijd een gelijke strijd. 

Het label van de Noorse band Dig Deeper was zo slim om me een LP te sturen, want met vinyl is opvallen momenteel een stuk makkelijker. 

Vervolgens gaat het natuurlijk om de muziek en gelukkig weet Dig Deeper ook met haar muziek flink indruk te maken. 

De Noorse band bestaat al een aantal jaren en heeft ook al een aantal platen gemaakt, maar In Central European Time is mijn eerste kennismaking met de muziek van de band uit het Noorse Bergen. 

In Central European bevat slechts zes tracks, maar deze zijn goed voor ruim veertig minuten muziek. De Noorse band komt op haar nieuwe plaat met twee tracks van gemiddelde lengte en vier tracks die zeven tot ruim tien minuten duren op de proppen. Hiermee maakt Dig Deeper het zichzelf niet makkelijk, want wie houdt in deze jachtige tijden nog meerdere minuten de aandacht vast? 

Op In Central European Time laat Dig Deeper horen dat het dit kunstje uitstekend beheerst. De band doet dit met muziek die heel lastig in een hokje is te duwen. Dig Deeper kreeg in het verleden vooral het etiket alt-country opgeplakt, maar met dit etiket vertel je slechts een deel van het verhaal van In Central European Time. 

Bij beluistering van de nieuwe plaat van de Noren duiken hier en daar duidelijke invloeden van Neil Young en zijn Crazy Horse op en schuurt de band dicht tegen een band als Richmond Fontaine aan, maar de muziek van Dig Deeper is op In Central European Time ook geworteld in de psychedelica uit de jaren 60 en 70 en in de American/Paisley Underground uit de jaren 90. 

Zeker wanneer de band kiest voor lang uitgesponnen songs, lome en zweverige klanken van synths en orgels en prachtig melodieus gitaarspel heeft In Central European Time duidelijke raakvlakken met de muziek van Pink Floyd en duikt heel af en toe de vergelijking met Dire Straits (in hun betere jaren) op. 

Wanneer de gitaren wat steviger worden aangezet schuift de band echter op in de richting van American Underground bands als The Dream Syndicate en Green On Red, om vervolgens toch weer uit te komen bij de alt-country. 

Zeker in de lang uitgesponnen tracks op de plaat is een belangrijke rol weggelegd voor het gitaarwerk, dat niet alleen alle ruimte en tijd krijgt, maar ook verrassend veelzijdig en veelkleurig is. De Noren combineren hun breed uitwaaiende klanken en het fantastische gitaarwerk met tijdloos aandoende en wat onderkoelde vocalen, die een oase van rust zijn binnen het bij vlagen aanzwellende gitaargeweld. 

Door het tijdloze karakter van de muziek van Dig Deeper en de voorkeur voor aangenaam voortkabbelende songs vol onderhuidse spanning, doet In Central European Time me ook wel wat denken aan de onlangs verschenen plaat van The War On Drugs, maar de nieuwe plaat van Dig Deeper is wat mij betreft beter. 

Uitstekende keuze overigens om de plaat op vinyl uit te brengen, want dit is een plaat die schreeuwt om vinyl. In Central Time sleurt me door een aantal decennia popmuziek, inclusief die van mijn jeugd, en wat is het genieten. Prachtplaat! Erwin Zijleman





woensdag 20 september 2017

Anna Of The North - Lovers

Anna Of The North klinkt als een vervaarlijk karakter uit Game Of Thrones, maar het is het alter ego van de jonge Noorse muzikante Anna Lotterud. 

Deze Anna Lotterud zette haar eerste stappen als muzikante toen ze in Australië studeerde, scoorde vervolgens een wereldwijde YouTube hit met Sway en debuteert dan nu als Anna Of The North. 

Ik moet toegeven dat ik Lovers bij eerste beluistering zeker niet zag als een krent uit de pop, maar langzaam maar zeker heeft Anna Of The North me toch weten te veroveren met haar debuut. 

Bij eerste en misschien wat oppervlakkige beluistering was ik zoals gezegd niet erg onder de indruk van Lovers. De plaat vulde de ruimte weliswaar met een aangenaam elektronisch klankentapijt, lome beats en een heerlijk onderkoelde stem, maar klonk eerlijk gezegd toch ook wel wat doorsnee en niet heel anders dan de 13 in een dozijn electropop waarmee we momenteel worden overvoerd. 

Lovers van Anna Of The North is echter een plaat die snel aan kracht wint, al moet je er wel voor in de stemming zijn en moet je wel enige liefde hebben ontwikkeld voor hitgevoelige electropop. 

Het sterkste wapen van Anna Lotterud is haar stem. Het is een stem die zoals gezegd heerlijk onderkoeld en aangenaam verveeld kan klinken, maar het is een stem die uiteindelijk ook overeind blijft; iets waar het bij de meeste soortgenoten van Anna Of The North flink aan schort. 

De stem van Anna Lotterud wijkt soms niet zoveel af van die van alle soortgenoten, maar hier en daar verraadt de Noorse zangeres veel talent. Lovers klinkt dan opeens een stuk urgenter, of tijdlozer, want ook het maken van tijdloze popmuziek is een kunstje dat Anna Lotterud uitstekend blijkt te beheersen. 

Lovers klinkt op het eerste gehoor misschien als een 13 in een dozijn electropop plaat, maar luister wat beter en je hoort veel variatie en zo hier en daar ook diepgang. Bij net wat aandachtigere beluistering hoor je dat Anna Of The North een zwak heeft voor elektronische popmuziek uit de jaren 80 en 90, waarbij ze op indrukwekkende wijze balanceert op het randje tussen kunst en kitsch, maar altijd aan de goede kant van de streep blijft. 

Anna Of The North heeft hiernaast een zwak voor de 70s pop van Fleetwood Mac en slaagt er in om tijdloze popliedjes met een 70s feel te voorzien van een hedendaags elektronisch geluid, net zoals een band als HAIM dat zo goed kan. 

Het klinkt misschien wat makkelijk, maar ondertussen kleurt de jonge Noorse Anna stiekem toch flink buiten de lijntjes, bijvoorbeeld in de spannende ritmes of de ijskoude geluidstapijten. Lovers vervloog bij eerste beluistering nog net zo snel als ammoniak, maar hoe vaker ik het debuut van Anna Of The North hoor, hoe dierbaarder de popliedjes van de Noorse muzikante worden. 

Enige liefde voor elektronische popliedjes is zoals gezegd vereist, maar als aan deze voorwaarde is voldaan, verleidt Anna Lotterud net zo makkelijk als de gemiddelde popprinses, maar bezweert ze ondertussen als een Scandinavische ijsprinses. Een waarschuwing is overigens wel op zijn plaats. Bij gevoeligheid voor het genre waarin Anna Of The North opereert, kan haar debuut Lovers angstaanjagend verslavend zijn. Erwin Zijleman





dinsdag 19 september 2017

Jolie Holland & Samantha Parton - Wildflower Blues

Jolie Holland groeide op in het diepe zuiden van de Verenigde Staten (Houston, Texas), maar vergaarde haar eerste muzikale roem vanuit het Canadese Vancouver, waar ze samen Samantha Parton de band The Be Good Tanyas formeerde. 

Aangevuld met Frazey Ford en Trish Klein leverde de band in 2001 een zeer memorabel en succesvol debuut af (Blue Horse). Jolie Holland had de band inmiddels al weer verlaten en koos voor een solocarrière in de Verenigde Staten. 

Dat leverde tussen 2003 en 2014 een handvol geweldige platen op, met The Living And The Dead uit 2006 en Wine Dark Sea uit 2014 als mijn persoonlijke favorieten. In mijn recensie van de laatstgenoemde plaat gunde ik Jolie Holland zelfs een standbeeld voor haar platen en daar sta ik nog steeds achter. 

Het was een tijd stil rond de Amerikaanse singer-songwriter, maar vorige week lag er gelukkig weer een nieuwe plaat van Jolie Holland in de winkel. Op Wildflower Blues doet Jolie Holland het voor de afwisseling eens niet in haar uppie, maar werkt ze samen met Samantha Parton, met wie ze in 1999 The Be Good Tanyas formeerde. Het levert een hele bijzondere en verrassend sterke plaat op. 

Op Wildflower Blues maken Jolie Holland en Samantha Parton bijzonder ingetogen, intieme, donkere en broeierige muziek. Het is laid-back muziek die diep is geworteld in de soul, gospel, blues, jazz en folk van het zuiden van de Verenigde Staten en die direct beelden van snikhete veranda’s aan de Mississippi op het netvlies tovert. 

Wildflower Blues is een bijzonder ingetogen, maar ook verrassend subtiele plaat. De instrumentatie kabbelt zachtjes op de achtergrond en dringt zich slechts incidenteel op met mooie pianoloopjes of wonderschone gitaarlijnen van Jolie Holland, Samantha Parton en Paul Rigby, die tekent voor de bijdragen van de fuzz guitar. 

Het tempo op Wildflower Blues ligt over het algemeen genomen uiterst laag, wat het lome karakter van de muziek op de plaat alleen maar versterkt. Wat geldt voor de instrumentatie, geldt overigens ook voor de vocalen op de plaat. Ook deze slepen zich vaak langzaam voort en zijn over het algemeen fluisterzacht. Het zorgt voor een hele bijzonder sfeer. 

Wildflower is een intieme en wonderschone plaat, maar het is ook een donkere en dreigende plaat. Het is een plaat die op de achtergrond snel zal vervliegen, maar bij aandachtige beluistering is de impact van Wildflower Blues bijna beangstigend groot. Jolie Holland en Samantha Parton hebben een plaat gemaakt die je langzaam maar zeker compleet opslokt, of je dat nu wilt of niet. 

Tijdens dit proces worden de gitaarlijnen op de plaat alleen maar mooier en mistiger en kruipen de fluisterzachte vocalen steeds dieper onder de huid. Het zorgt er voor dat Wildflower Blues snel transformeert van een mooie en intieme plaat met traditioneel klinkende rootsmuziek tot een plaat die je niet meer wilt missen en die je bij iedere nieuwe beluistering nog wat dieper raakt. 

In de eigen songs en vertolkingen van songs van onder andere Townes van Zandt en Bob Dylan bouwen Samantha Parton en Jolie Holland keer op keer de spanning genadeloos op, tot het moment dat je als luisteraar bijna bezwijkt. 

Wildflower Blues is waarschijnlijk geen plaat die hele volksstammen aanspreekt, maar een ieder die een zwak heeft voor broeierige klanken en bezwerende vocalen kan de plaat van Jolie Holland en Samantha Parton wel eens in zijn of haar jaarlijstje zien opduiken. Rijk en beroemd gaat Jolie Holland er niet mee worden, maar dat standbeeld verdient ze na deze bijzonder mooie en indringende plaat nog wat meer. Erwin Zijleman





maandag 18 september 2017

Intergalactic Lovers - Exhale

Little Heavy Burdens was al weer bijna drie jaar geleden mijn eerste kennismaking met het werk van de Belgische band Intergalactic Lovers. 

Met hun tweede plaat haalde de band uit het Vlaamse Aalst vol overtuiging mijn jaarlijstje, waarna mijn liefde voor Little Heavy Burdens alleen maar groeide. 

Mede door het succes van de plaat heeft de band de afgelopen jaren heel veel op het podium kunnen staan (in binnen- en buitenland) en dat hoor je op de nieuwe plaat van Intergalactic Lovers. 

Exhale is een ambitieuze plaat die een wat zelfverzekerder geluid laat horen dan zijn voorganger, wat ongetwijfeld deels de verdienste zal zijn van de gelouterde producer Britse Gil Norton, die eerder werkte met grote bands als Pixies, Echo & the Bunnymen, Foo Fighters en The Triffids. 

Little Heavy Burdens vergeleek ik bijna drie jaar geleden vooral met de muziek van The Sundays en PJ Harvey. Ook Exhale roept associaties op met de muziek van deze twee tegenpolen, zeker wanneer de muziek van Intergalactic Lovers lichtvoetig en zonnig of juist donker en dreigend klinkt. 

Vergeleken met Little Heavy Burdens kiest de Vlaamse band op Exhale echter vaker voor een wat toegankelijker en zelfverzekerder geluid, waarin meer dan eens flarden postpunk (variërend van Interpol en Editors tot The Cure en Siouxsie & The Banshees) opduiken en bovendien de rol van elektronica en strijkers is toegenomen. 

In de wat rechttoe rechtaan songs op de plaat, die overigens erg lekker klinken, mist Exhale het bijzondere van zijn voorganger, maar naarmate de plaat vordert groeit de variatie en voegt de band meer kleur en dynamiek toe aan haar muziek. 

Intergalactic Lovers vertrouwde op haar vorige plaat terecht voor een belangrijk deel op de geweldige stem van zangeres Lara Chedraoui. Zeker in de wat stevigere songs op de plaat moet Lara Chedraoui vechten om aandacht, maar wanneer de band na een aantal tracks gas terug neemt groeit de rol van de zang en stijgt Exhale onmiddellijk naar grote hoogten. 

Intergalactic Lovers beschikte op haar vorige plaat over het vermogen om muziek te maken die steeds weer nieuwe dingen liet horen en ook Exhale is gelukkig weer een plaat die nog heel lang groeit. 

De eerste stream van de plaat heb ik inmiddels een aantal weken in mijn bezit en waar ik Exhale op het eerste gehoor wat vlakker en minder bijzonder vond klinken dan Little Heavy Burdens, is de nieuwe plaat van de Vlaamse band inmiddels enorm gegroeid en zijn er nog steeds nieuwe accenten die genadeloos verleiden. 

De wat grootsere tracks op de plaat hakken er direct lekker in, maar zijn bij herhaalde beluistering zeker niet de beste tracks op de plaat. Even doorbijten is dus het advies, maar de beloning laat niet lang op zich wachten. 

Ook Exhale is weer een plaat vol heerlijk gitaarwerk en geweldige zang en het is bovendien een plaat met songs die bol staan van de invloeden, maar ook anders klinken dan de som van al deze invloeden. Of Exhale over een paar maanden net zo hoog gaat reiken als zijn voorganger drie jaar geleden durf ik nog niet te voorspellen, maar kansloos is Exhale zeker niet. Erwin Zijleman





zondag 17 september 2017

The Lone Bellow - Walk Into The Storm

The Lone Bellow is een band uit Brooklyn, New York, die in de Verenigde Staten de jaarlijstjes haalt, maar in Europa tot dusver helaas geen potten weet te breken. Ik begrijp daar eerlijk gezegd niet zoveel van, want de eerste twee platen van The Lone Bellow waren werkelijk geweldig. 

Op het titelloze debuut van de band uit 2013 liet de band Americana horen zoals die ook door bands als The Civil Wars en The Lumineers (dat helaas nog steeds wordt geassocieerd met één niemendalletje) wordt gemaakt, terwijl het door The National’s Aaron Dessner geproduceerde Then Came The Morning uit 2015 imponeerde met een voller, avontuurlijker, veelzijdiger en gloedvoller geluid en bovendien diepe indruk maakte met vocalen die de hele plaat garant stonden voor kippenvel. 

Walk Into The Storm is de derde plaat van de Amerikaanse band, die het hippe Brooklyn inmiddels heeft verruild voor de bakermat van de country, Nashville, Tennessee. In Nashville dook The Lone Bellow vervolgens de studio in met Dave Cobb, momenteel met afstand de meest gewilde producer binnen de Amerikaanse rootsmuziek. 

De verhuizing naar Nashville en de samenwerking met Dave Cobb hebben zeker hun sporen nagelaten in de muziek van The Lone Bellow. Walk Into The Storm schuurt, zeker vergeleken met Then Came The Morning, dichter tegen de traditionele countrymuziek aan, terwijl Dave Cobb heeft gezorgd voor een geluid vol invloeden uit de jaren 70. 

Het is een geluid dat mogelijkheden biedt voor The Lone Bellow. Zeker in de flirts met countryrock en aandacht voor de muzikale erfenis van Crosby, Stills, Nash & Young en The Eagles kan het muzikale vuurwerk worden ontstoken en dat doet The Lone Bellow dan ook met grote regelmaat op Walk Into The Storm. 

Voorman Zach Williams laat ook op de derde plaat van The Lone Bellow weer horen dat hij een groot zanger is en bovendien een zanger is die zijn ziel en zaligheid in zijn stem kan leggen. De band beschikt met Kanene Donehey Pipkin echter over nog een stem die iets met je doet en zeker wanneer de twee samen de registers open trekken imponeert The Lone Bellow net als op haar vorige platen met zang die door de ziel snijdt. 

Walk Into The Storm klinkt in muzikaal opzicht wat minder imponerend dan zijn voorgangers. Dave Cobb heeft de plaat zoals gezegd voorzien van een behoorlijk traditioneel klinkend geluid en heeft dit geluid ook nog eens volgestopt met strijkers. The Lone Bellow zet vergeleken met het zo bijzondere Then Came The Morning een stap terug wanneer het gaat om muzikaal avontuur en een eigen gezicht, maar in tegenstelling tot een groot deel van de Amerikaanse critici, vind ik ook Walk Into The Storm weer een geweldige plaat. 

In muzikaal opzicht is het misschien wat minder spannend, maar het traditionelere geluid vol invloeden uit Nashville past uitstekend bij The Lone Bellow. Zeker wanneer de instrumentatie in dienst staat van de vocalen, en dat is op het grootste deel van de plaat het geval, maken deze vocalen nog meer indruk dan in het verleden en zit ik toch weer op het puntje van de stoel. De tijdloze popsongs op de plaat prikkelen bovendien de stoffen in het lijf die zorgen voor geluk, waardoor de zon weer gaat schijnen.

Walk Into The Storm is niet de logische stap die ik na de vorige plaat had verwacht, maar onderstreept wat mij betreft wel het enorme talent van deze band, die ook dit keer weer meerdere keren zorgt voor flink wat kippenvel, wat toch een bijzondere ervaring blijft. Erwin Zijleman





zaterdag 16 september 2017

Angus & Julia Stone - Snow

Toen Angus en Julia Stone in 2007 debuteerden met de intieme en eigenzinnige folkplaat A Book Like This, kwamen de critici superlatieven tekort. 

Het overigens prachtig, als een zeer lijvig boekwerk verpakte debuut van de broer en zus uit het Australische Sydney, dook op in menig jaarlijstje en was voor liefhebbers van lome folkpop lange tijd de ideale soundtrack voor een luie zondagmiddag. 

Inmiddels zijn we een flinke stapel platen verder. Angus en Julia maakten er een paar samen en een paar alleen en zagen de waardering van de critici langzaam maar zeker verdampen. 

De titelloze en door niemand minder dan Rick Rubin geproduceerde plaat van het Australische tweetal uit 2014 kreeg gelukkig weer wat positievere kritieken en daar viel ook niets op af te dingen. Op de plaat eerden de twee nog altijd de oude liefde folk, maar er werd ook schaamteloos geflirt met pop en rock, waardoor de plaat klonk als de spreekwoordelijke omgevallen platenkast. 

Het deze week verschenen Snow wordt op het eerste gezicht weer lauwtjes ontvangen, maar ik vond het direct bij eerste beluistering bijzonder lekker klinken. Op Snow hoor je af en toe nog wel wat flarden van het inmiddels al weer tien jaar oude debuut van Angus en Julia Stone, maar ook op de nieuwe plaat heeft de muziek van het tweetal weer een flinke popinjectie gekregen. 

Angus en Julia Stone produceerden hun plaat dit keer zelf en hebben gekozen voor een opvallend geluid, waarin akoestische en elektronische geluiden op bijzondere wijze samenvloeien. Ook op Snow kiest het Australische duo voornamelijk voor wat lome songs, die omslaan in heerlijk broeierige songs wanneer Julia Stone de vocalen voor haar rekening neemt. 

Snow krijgt een wat zweverig karakter wanneer de synths stevig aanzwellen, maar klinkt over het algemeen opvallend direct. Door het veelvuldige gebruik van een ritmebox doet Snow af en toe wat denken aan platen uit de jaren 80, wat wordt versterkt door de bijzondere gitaarlijnen, die af en toe van de hand van U2’s The Edge zouden kunnen zijn. Het is een instrumentarium dat prachtig past bij de zwoele en verleidelijke stem van Julia Stone en de wat onderkoelde vocalen van broer Angus, die elkaar prachtig afwisselen. Vooral voor de stem van Julia heb ik nog steeds een zwak. 

Op het eerste gehoor is Snow vooral een plaat vol lekker in het gehoor liggende popliedjes, maar Angus en Julia Stone graven op hun nieuwe plaat ook dieper dan de gemiddelde recensie van de plaat doet vermoeden. 

Ondanks de titel is Snow in eerste instantie vooral een plaat die de zon laat schijnen, maar zeker wanneer je het volume wat opschroeft is het ook een bezwerende plaat die snel aan schoonheid wint en die bijvoorbeeld in de teksten ook wel wat scherpe randjes bevat. 

Ik heb tot dusver een zwak voor vrijwel alle platen van broer en zus Stone en Snow is zeker geen uitzondering. Sterker nog, persoonlijk bevalt de plaat me nog beter dan de wel goed ontvangen voorganger, zeker nadat ik de op het eerste gehoor wat irritante ritmebox had omarmd. Erwin Zijleman





vrijdag 15 september 2017

Cat Stevens / Yusuf - The Laughing Apple

Het is dit jaar precies 50 jaar geleden dat Cat Stevens debuteerde met twee nog niet direct opzienbarende, maar uiteindelijk wel belangrijke platen. 

Met New Masters en met name Matthew & Son legde Cat Stevens de basis voor zijn in 1970 en 1972 verschenen meesterwerken Tea For The Tillerman en Teaser And The Firecat, die absoluut moeten worden gerekend tot de beste en meest invloedrijke singer-songwriter platen uit de jaren 70. 

Cat Stevens viert dit jaar misschien zijn 50e verjaardag als muzikant, maar van een lange carrière is zeker geen sprake. De Britse muzikant raakte al in de eerste helft van de jaren 70 gefrustreerd door de machtige muziekindustrie en hing zijn gitaar aan de wilgen nadat hij zich in 1978 had bekeerd tot de Islam en zich vanaf dat moment Yusuf Islam noemde. 

Het zou bijna 30 jaar duren voor we weer als muzikant van hem zouden horen, maar het in 2006 onder de naam Yusuf verschenen Another Cup bleek een sterke plaat vol echo’s uit het verleden. Het in 2009 verschenen Roadsinger was nog veel sterker en ook het uit 2014 stammende Tell ‘Em I’m Gone had zeker zijn momenten. 

Ter ere van de 50e verjaardag van zijn muzikantenbestaan staat op de cover van de man’s nieuwe plaat niet alleen de naam Yusuf, maar keert ook de naam Cat Stevens terug. Het is een keuze die vast deels is ingegeven door commerciële motieven, maar na beluistering van The Laughing Apple kan ik alleen maar concluderen dat het een besluit is dat ook vanuit artistieke motieven goed te rechtvaardigen is. 

Op The Laughing Apple keert niet alleen de oude naam terug, maar werkt Cat Stevens ook weer samen met producer van het eerste uur Paul Samwell-Smith en oudgediende Alun Davies, die de grote platen van Cat Stevens voorzag van het zo herkenbare gitaarspel. Omdat The Laughing Apple ook nog eens voor een deel bestaat uit nieuwe bewerkingen van oude songs en songs die nog op de plank lagen, is het een plaat geworden die naadloos aansluit op de grote platen van Cat Stevens uit de eerste helft van de jaren 70. 

Of de Brit hiermee nieuwe zieltjes gaat winnen durf ik te betwijfelen, maar voor de muziekliefhebber met een zwak voor nostalgie en een zwak voor de meesterwerken van Cat Stevens is The Laughing Apple waarschijnlijk een bijzonder aangename plaat. 

De instrumentatie op de plaat is hier en daar voorzien van eigentijdse accenten en de stem van Cat Stevens is niet volledig ontsnapt aan het proces van veroudering, maar laat The Laughing Apple uit de speakers komen en je waant je weer in de tijd dat je Tea For The Tillerman en Teaser And The Firecat ontdekte (wat voor mij overigens pas ergens in de jaren 90 was). 

The Laughing Apple is gelukkig niet alleen goed voor nostalgische gevoelens. De songs op de plaat zijn van hoog niveau en persoonlijk vind ik de hier en daar licht krakende stem van Cat Stevens misschien nog wel mooier dan de stem die de genoemde platen uit het verleden zo’n herkenbaar eigen geluid gaven. Genoeg redenen om blij te zijn met de wederopstanding van Cat Stevens, maar The Laughing Apple is ook gewoon beter dan de platen van de jonge Britse singer-songwriters. Erwin Zijleman





donderdag 14 september 2017

Susanne Sundfør - Music For People In Trouble

De Noorse singer-songwriter Susanne Sundfør heeft de afgelopen jaren een wat wispelturig oeuvre opgebouwd. 

Ik was zelf behoorlijk overdonderd door het in 2012 verschenen The Silicone Veil, dat volgens mijn eigen recensie continu schakelde van sereen naar bombastisch en van sprookjesachtig naar spookachtig en hierdoor hopeloos intrigeerde. 

Opvolger Ten Love Songs deed me daarentegen weinig tot niets, maar was wel veel succesvoller dan zijn voorganger. Ik heb de extraverte synthpop van de plaat onlangs nog een nieuwe kans gegeven, maar Ten Love Songs was en is aan mij helaas niet besteed. 

Een ieder die had verwacht dat Susanne Sundfør na het succes van haar vorige plaat zou blijven hangen in de uptempo synthpop komt (gelukkig) bedrogen uit. Op Music For People In Trouble (mooi verzonnen) maakt de Noorse singer-songwriter vooral uiterst ingetogen muziek. 

Music For People In Trouble kiest voor een basis van piano en gitaar en klinkt daarom conventioneler dan we van Susanne Sundfør gewend zijn. De Noorse zingt even ingetogen als de instrumentatie op de plaat en schuurt met haar muziek dicht tegen de folk en de jazz aan. Het is een verrassende stap voor een muzikante die tot dusver zeer nadrukkelijk kiest voor uitstapjes buiten de gebaande paden, al is Music For People In Trouble niet zo conventioneel als de plaat op het eerste gehoor lijkt. 

Susanne Sundfør is nog altijd een meester in het opbouwen van de spanning in haar songs, maar doet dat dit keer met subtiele middelen (het bombastische slot uitgezonderd). Ingetogen songs met een kop en een staart staan centraal op de nieuwe plaat van Susanne Sundfør. Het zijn songs met stemmige pianoklanken, ondersteunende gitaren en de werkelijk prachtige zang van de Noorse singer-songwriter. 

Het is al meer dan voldoende voor een hele mooie plaat, maar Susanne Sundfør heeft ook dit keer haar geheime wapens. Music For People In Trouble is voorzien van flink wat uiterst subtiele accenten. De ene keer is het een prachtige pedal steel die een song voorziet van breed uitwaaierende klanken, de volgende keer zijn het al even fraaie blazers, geluiden uit de natuur of stiekem toch weer behoorlijk spookachtige soundscapes die de songs van Susanne Sundfør op fascinerende wijze tot leven brengen. 

Het zal even schrikken zijn voor een ieder die de Noorse op basis van Ten Love Songs omarmde, maar ik vind Music For People In Trouble een prachtige plaat. Het is bovendien een plaat die steeds meer schoonheid prijs geeft. 

Waar ik bij eerste beluistering vooral redelijk conventionele songs met invloeden uit de folk en de jazz hoorde, hoor ik nu songs vol emotie en onderhuidse spanning. De arrangementen op de plaat zijn in vrijwel alle gevallen wonderschoon en passen prachtig bij de indrukwekkende stem van Susanne Sundfør, die goed is voor heel veel kippenvel. 

Zeker bij beluistering op wat hoger volume valt op hoe mooi het geluid op Music For People In Trouble is en hoe knap het in elkaar steekt. Wanneer je je eenmaal verliest in de bijzondere songs op de plaat, is de nieuwe plaat van Susanne Sundfør er snel een die minstens net zo intrigeert als het veelkleurige en dynamische The Silicone Veil van een paar jaar geleden. 

Of Music For People In Trouble net zoveel aandacht gaat trekken als zijn voorganger durf ik te betwijfelen, maar ik ben inmiddels zelf compleet betoverd door deze wonderschone en fascinerende plaat. Erwin Zijleman





woensdag 13 september 2017

Alvvays - Antisocialites

Het is al weer drie jaar geleden dat ik genadeloos werd verleid door het debuut van Alvvays. De band het Canadese Toronto deed dan ook precies waar ik een zwak voor heb. 

Het titelloze debuut van Alvvays stond vol met heerlijk gruizige popliedjes met een honingzoet suikerlaagje. 

Alvvays viste met haar debuut in een overvolle vijver, maar de Canadese band betoverde met popliedjes die net iets aanstekelijker, verleidelijker en onweerstaanbaarder waren dan die van de concurrentie. 

Ondanks de zoete verleiding van het debuut van Alvvays ging ik er niet van uit dat de band er in deze week vol grote releases uit zou springen met haar tweede plaat. Alvvays doet dat echter wel, want de tweede plaat van de band is een fantastische plaat, die vergeleken met het debuut een flinke stap zet. 

De basis van de receptuur van de songs van Alvvays is gelijk gebleven. Ook op Antisocialites maakt de band licht gruizige popliedjes met aangenaam suikerlaagje. Vergeleken met het debuut van de band citeert Alvvays wel wat minder nadrukkelijk uit de shoegaze en de dreampop en heeft het wat meer invloeden uit de new wave (hier en daar heeft het wat van Blondie) en de indiepop toegelaten in haar muziek. 

De wat minder prominente rol voor de gruizige gitaren voegt wat meer ruimte toe aan de muziek van Alvvays en die ruimte wordt volledig opgevuld met de vocalen van zangeres Molly Rankin. 

Zeker in de wat meer pop georiënteerde songs op de plaat, en daar telt Antisocialites er flink wat van, overtuigt Molly Rankin met uitstekende en voor mij volstrekt onweerstaanbare zang, die de kwaliteit van het debuut vele malen overtreft. 

Alleen al door de zang weet de tweede plaat van Alvvays zich makkelijk te onderscheiden van die van de talloze concurrenten in het genre, maar ook in muzikaal opzicht is de tweede plaat van Alvvays de concurrentie een aantal stappen voor. 

Alvvays heeft de shoegaze en dreampop nog zeker niet afgezworen, maar maakt ook het soort popliedjes waar The Sundays ooit het patent op hadden en kan bovendien uit de voeten binnen het territorium van bands als Belle & Sebastian en Camera Obscura. De vergelijking met dit soort bands legt de lat hoog voor Antisocialites, maar de plaat kan het aan. 

Alvvays heeft een plaat gemaakt die in vocaal opzicht indruk maakt, maar ook de instrumentatie op en de productie van de plaat zijn van hoog niveau. Antisocialites staat vol met klanken waarvan je alleen maar heel vrolijk kunt worden, terwijl producer John Congleton er niet alleen voor heeft gezorgd dat het uit vele lagen bestaande geluid van de band fris en luchtig klinkt, maar heeft bovendien de stem van Molly Rankin een flinke boost gegeven. 

Tenslotte zijn er de songs op de plaat en ook deze zijn vrijwel zonder uitzondering ijzersterk. Antisocialites komt inmiddels voor de zoveelste keer voorbij en de verleiding van de plaat wordt eigenlijk alleen maar groter. Het aanbod aan nieuwe muziek is deze weken extreem groot, maar dit is wat mij betreft een van de pareltjes binnen dit enorme aanbod. Echt een heerlijke plaat. Erwin Zijleman





dinsdag 12 september 2017

Motorpsycho - The Tower

De Noorse band Motorpsycho is sinds haar oprichting in 1989 enorm productief en heeft inmiddels een zeer imposant oeuvre opgebouwd. The Tower wordt hier en daar de 31e plaat van de band uit Trondheim genoemd en ik ga er maar even van uit dat het klopt.

De band bracht eerder dit jaar nog de soundtrack bij een fictief toneelstuk uit, maar The Tower is wat mij betreft de echte opvolger van het vorig jaar verschenen Here Be Monsters. 

Voor The Tower koos Motorpsycho voor de afwisseling eens voor een studio ver van huis, want de plaat werd opgenomen in Los Angeles en Joshua Tree. Heel veel invloed op het geluid van de Noorse band heeft het niet gehad, want Motorpsycho doet nog altijd heel nadrukkelijk haar eigen ding. 

The Tower opent met de bijna 9 minuten durende titeltrack, waarin een stevige stonerrock achtige riff wordt gecombineerd met invloeden uit de psychedelica en vooral de progrock. Ik heb bij beluistering van de platen van Motorpsycho wel vaker associaties met de platen van Yes uit de jaren 70, maar zo duidelijk als in de openingstrack van The Tower hoorde ik invloeden van Yes nog niet vaak. Het zijn invloeden die ook in de andere tracks op de plaat een belangrijke rol spelen en persoonlijk vind ik dat een pre. 

Motorpsycho doet vervolgens haar eigen ding met de invloeden uit het verleden en combineert de zweverige sfeer en het muzikaal spierballenvertoon waarvoor Yes zich niet zou hebben geschaamd met redelijk rechttoe rechtaan rock ’n roll, waardoor de energie werkelijk uit de speakers knalt. 

Motorpsycho heeft zoveel platen gemaakt die ik koester, dat iedere nieuwe plaat moet opboksen tegen heel veel moois, maar The Tower had me dankzij de ijzersterke openingstrack onmiddellijk te pakken. Hierna moet er nog heel veel moois komen, want zoals gewoonlijk neemt de Noorse band de tijd voor haar muziek en krijgen we dit keer bijna anderhalf uur muziek voor de kiezen. Dat is bijna altijd teveel, maar iedereen die de platen van Motorpsycho koestert, weet dat de Noren met hun muziek niet snel vervelen. 

De loodzware en zoals gezegd bijna aan de stonerrock ontleende riffs uit de openingstrack keren met grote regelmaat terug op The Tower wat veel dynamiek toevoegt aan de plaat. Motorpsycho heeft een lekker stevige rockplaat afgeleverd en het is een rockplaat die kan vermaken met meedogenloze riffs maar ook kan betoveren met muziek die alle kanten op schiet. 

Het is een plaat die je mee terugneemt naar de hardrock en symfonische rock uit de jaren 70, maar Motorpsycho staat ook met minstens één been in het heden en voorziet haar muziek ook van allerlei accenten uit de rockmuziek uit de afgelopen decennia.  Een aantal songs op de plaat is verrassend toegankelijk, maar The Tower kan ook flink ontsporen in psychedelische klanken die zorgen voor fascinerende beelden op het netvlies.

Muziekliefhebbers die niets hebben met moeilijkdoenerij zullen The Tower waarschijnlijk wat teveel van het goede vinden, maar liefhebbers van muziek die net zo makkelijk betovert als overweldigt, horen op The Tower verschrikkelijk veel moois. The Tower is daarmee het zoveelste voorbeeld van het bijzondere of zelfs unieke muzikale universum dat Motorpsycho de afgelopen twee decennia heeft gecreëerd. Erwin Zijleman

De platen van Motorpsycho zijn tegen een aantrekkelijke prijs te bestellen bij het label van de band: https://www.stickman-records.com/band/motorpsycho/.





maandag 11 september 2017

Gregg Allman - Southern Blood

Toen Gregg Allman aan het begin van 2016 begon aan het opnemen van Southern Blood, wist hij waarschijnlijk al wel dat het zijn laatste plaat zou worden. 

De gezondheid van de muzikant die zo lang furore maakte in The Allman Brothers Band ging hard achteruit en zelfs een levertransplantatie mocht niet meer baten. 

Uiteindelijk overleed Gregg Allman in mei van dit jaar en ontviel ons wederom een groot muzikant. Southern Blood was toen gelukkig al af en verschijnt nu postuum. 

Gregg Allman wilde een afscheid in stijl en wist voor Southern Blood niet alleen topproducer Don Was, maar ook flink wat muzikanten van naam en faam te strikken. 

In de fameuze FAME Studios in Muscle Shoals doken onder andere Jackson Browne, Buddy Miller, pedal steel tovenaar Greg Leisz en blazer veelvraat Jay Collins op en uiteraard stonden ook de orgels van Gregg Allman opgesteld. 

Het maken van een goede afscheidsplaat is maar weinigen gegeven. David Bowie deed het op unieke wijze, Leonard Cohen op een buitengewoon ontroerende manier, terwijl Johnny Cash er in slaagde om een hele stapel goede afscheidsplaten te maken. 

Wat op Southern Blood opvalt is dat je slechts zeer incidenteel hoort dat je te maken hebt met een muzikant die met zijn laatste project bezig is. Voor de songs op de plaat deed Gregg Allman vrijwel uitsluitend een beroep op songs van anderen, onder wie tijdgenoten als Bob Dylan, Tim Buckley, Jerry Garcia, Lowell George en Jackson Browne. Gregg Allman vertolkt deze songs op gloedvolle wijze. 

Hij is verrassend goed bij stem (al moesten de gastvocalisten op de plaat af en toe flink bijspringen) en steekt in muzikaal opzicht in een blakende vorm. Don Was heeft Southern Blood voorzien van een volstrekt tijdloos geluid en het is een geluid waarin de invloeden uit de country, folk, R&B, blues en rock uitstekend gedijen. 

Het is een geluid dat op een of andere manier direct vertrouwd klinkt, maar dat hier en daar ook weet te verrassen, bijvoorbeeld wanneer blazers en pedal steel op bijzonder fraaie wijze samenvloeien. 

Southern Blood is een plaat die met een beetje fantasie ook een aantal decennia geleden gemaakt had kunnen worden en ook een aantal decennia geleden was het een topplaat geweest. Southern Blood is een plaat van afscheid, maar het is ook een plaat waarop Gregg Allman nog één keer doet waar hij goed in is: muziek maken. Southern Blood heeft hierdoor niet het mystieke, emotionele of breekbare van de hierboven genoemde afscheidsplaten, maar viert het leven met muziek vol passie en soul. 

Gregg Allman heeft een rijk verleden met The Allman Brothers Band, maar een niet al te imposante solocarrière. Hij maakte in 1973 het geweldige Laid Back, maar hier staan talloze missers tegenover, met het samen met echtgenote Cher gemaakte Two The Hard Way als triest dieptepunt. Met Southern Blood revancheert Gregg Allman zich voor zijn slechte platen en maakt hij een plaat die naast zijn solodebuut mag staan. Het levert een afscheid in stijl op. Erwin Zijleman





zondag 10 september 2017

The National - Sleep Well Beast

The War On Drugs maakte vorige maand een plaat waarop het de transformatie van een eigenzinnige indie-band naar een grootse rockband voltooide. Ik blijf dat een bijzonder proces vinden, vooral omdat het zeer heftige reacties oproept bij zowel de critici als de fans. 

De plaat van The War On Drugs is de hemel in geprezen en volledig afgebrand, ook door de critici die de vorige platen van de band (die niet zo gek veel verschilden van de laatste) nog intens koesterden. Het zou ook zomaar kunnen gebeuren met een plaat van The National, misschien zelfs wel met de nieuwe plaat van de band. 

De band uit Cincinnati, Ohio, debuteerde in 2001 bescheiden, maar wist met Sad Songs For Dirty Lovers twee jaar later de jaarlijstjes te halen. Met Alligator (2005), Boxer (2007), High Violet (2010) en Trouble Will Find Me (2013) volgden nog vier prachtplaten die de jaarlijstjes kleur gaven en nu is er dan Sleep Well Beast. Het is een plaat die voor een deel in het verlengde ligt van zijn voorgangers, maar The National zet ook stappen in andere richtingen en dat is niet zonder risico. 

In de zich langzaam voortslepende openingstrack is er nog niets aan de hand. Nobody Else Will Be There is een prachtige en intense song, die langzaam maar zeker de spanning opbouwt met een uiterst subtiele instrumentatie en die bij herhaalde beluistering alleen maar mooier en vooral ook intiemer wordt. Precies zoals we ze van de band kennen dus.

In de tweede track gaat het roer om. Day I Die is een groots klinkende track vol invloeden uit de post-punk. Het is een track waarin The National een band als Editors naar de kroon steekt en daar nog aardig in slaagt ook. Het is een song die nadrukkelijk de aandacht van de critici trekt en The National hier en daar zelfs de vergelijking met U2 of Coldplay oplevert, wat ik overigens volkomen misplaatst vind. 

Sleep Well Beast is absoluut meer beïnvloed door platen uit het verleden dan zijn voorgangers, maar enige relativering is op zijn plaat. Hier en daar duiken zeer nadrukkelijk invloeden van Joy Division en New Order op, maar dat zijn wat mij betreft invloeden waar geen enkele band zich voor hoeft te schamen. Sleep Well Beast is ondanks de zeer incidentele flirt met groots klinkende rock en de wat toegenomen invloed van elektronica, echter ook een plaat die voor een belangrijk deel aansluit op de vorige platen van The National. 

Het contrast tussen de introverte en indringende songs en de extroverte en grootser of rauwer klinkende rocksongs op de plaat maakt de eerste serie songs alleen maar mooier en trefzekerder en waar The National in een, overigens zeer beperkt aantal songs absoluut kiest voor een wat grootser, steviger en toegankelijker geluid blijven eigenzinnigheid en avontuur gelukkig voorop staan. 

Luister wat beter naar Sleep Well Beast en je hoort met hoeveel aandacht, smaak en avontuur The National haar nieuwe plaat heeft gemaakt. Iedere song op de plaat is weer anders en in iedere song zitten prachtige details verstopt. 

The National kan op Sleep Well Beast groots en meeslepend klinken, maar de band levert ook een aantal van haar meest subtiele en bezwerende songs af. Ook ik heb een voorkeur voor de intense en intieme songs vol fluisterzachte vocalen en wonderschone accenten en deze domineren gelukkig op Sleep Well Beast, maar ook als The National op het eerste gehoor wat eenvoudiger rockt behoudt de band haar bijzondere geluid en overwint uiteindelijk de schoonheid. 

Sleep Well Beast maakt om voor mij onduidelijke redenen niet direct de onuitwisbare indruk van zijn voorgangers, maar hoe vaker ik de plaat hoor hoe meer ik er van overtuigd raak dat The National ook dit keer een plaat heeft gemaakt die het uiteindelijk goed kan doen in de jaarlijstjes. Sleep Well Beast wint immers alleen maar aan kleur, dynamiek en schoonheid en past uitstekend binnen het fascinerende oeuvre van de Amerikaanse band. Erwin Zijleman