donderdag 29 juli 2010

Sheryl Crow - 100 Miles From Memphis

Denk aan Sheryl Crow en je denkt aan haar debuut Tuesday Night Music Club uit 1993. Er zijn nogal wat mensen die beweren dat Sheryl Crow sindsdien geen fatsoenlijke plaat heeft gemaakt, maar die mensen zitten er wat mij betreft flink naast. Wat mij betreft is Tuesday Night Music Club niet eens de beste plaat van Sheryl Crow. Sheryl Crow uit 1996, The Globe Sessions uit 1998 en C’Mon, C’Mon uit 2002 waren eigenlijk veel beter, terwijl vrijwel alle andere platen van de Amerikaanse singer-songwriter op zijn minst in de buurt kwamen van het zo bewierookte debuut. Alle reden dus om uit te zien naar Sheryl Crow’s nieuwe plaat 100 Miles From Memphis. Het als een comeback gelanceerde 100 Miles From Memphis blijkt Sheryl Crow’s beste plaat in jaren en schaart zich met gemak in het hierboven genoemde rijtje met sterke Sheryl Crow platen. In muzikaal opzicht doet 100 Miles From Memphis me af en toe wel wat denken aan Tuesday Night Music Club. Zo wordt er ook op deze plaat ontspannen maar gedreven gemusiceerd en pint Sheryl Crow zich niet vast op een of twee stijlen. 100 Miles From Memphis legt echter wel wat andere muzikale accenten dan Tuesday Night Music Club. Met name invloeden uit de zwarte muziek spelen een belangrijke rol op de nieuwe plaat van Sheryl Crow. Veel van de songs bevatten funky accenten en hiernaast klinkt 100 Miles From Memphis bij vlagen net zo soulvol als Dusty Springfield’s Dusty In Memphis of een willekeurige andere soulplaat uit de jaren 60 of 70. Producers en multi-instrumentalisten Doyle Bramhall II en Justin Stanley hadden niet alleen flink wat invloed op het fraaie, hier en daar met strijkers en blazers opgepoetste geluid van 100 Miles From Memphis, maar schreven ook mee aan vrijwel alle songs op de plaat, wat een serie ijzersterke en behoorlijk veelzijdige songs heeft opgeleverd. Dat Justin Timberlake en Keith Richards op komen draven voor een gastbijdrage en dat Sheryl Crow zich op redelijk overtuigende wijze vergrijpt aan Terence Trent d’Arby’s Sign Your Name baat of schaadt 100 Miles From Memphis verder niet of nauwelijks. Het is voor de een de slagroom op de taart en voor de ander de rotte appel in een fruitmand. Of Sheryl Crow een ieder die haar na Tuesday Night Music Club heeft afgeschreven zal weten te overtuigen met 100 Miles From Memphis zal de tijd moeten leren. Voor een ieder die Crow pas na haar debuut tot bloei zag komen, is 100 Miles From Memphis daarentegen minstens de vijfde Sheryl Crow plaat die er echt toe doet. Let op: de limited edition van 100 Miles From Memphis bevat een cover van I Want You Back van The Jackson 5, waarmee Sheryl Crow haar voormalige werkgever Michael Jackson op fraaie wijze eert. Erwin Zijleman

dinsdag 27 juli 2010

Dixie Chicks - Playlist: The Very Best Of Dixie Chicks

Vorige week schreef ik een stukje over de cd van Court Yard Hounds, oftewel tweederde van de Dixie Chicks. Waar de toekomst van de Dixie Chicks er bij het verschijnen van het debuut van Court Yard Hounds een paar maanden geleden nog weinig rooskleurig uit zag, lijkt Natalie Maines inmiddels weer terug van lang weggeweest en kunnen de Court Yard Hounds waarschijnlijk de boeken in als een tijdelijk zijuitstapje. Binnenkort staan de Dixie Chicks weer samen op het podium (als support act van The Eagles) en ook een nieuwe plaat van het drietal lijkt een kwestie van tijd. Om het lange wachten wat gemakkelijker te maken ligt er nu (in de Verenigde Staten) een verzamelaar van de band in de winkel, Playlist: The Very Best Of Dixie Chicks. Het is een verzamelaar die wat mij betreft goed laat horen wat de Dixie Chicks te bieden hebben. In Nederland zijn de Dixie Chicks helaas nooit erg serieus genomen en over het algemeen versleten als countrytutjes uit Nashville. Een ieder die wel eens onbevooroordeeld naar een plaat van het drietal heeft geluisterd weet wel beter. Vanaf hun doorbraakplaat Wide Open Spaces uit 1998 maken de Dixie Chicks muziek die niets heeft te maken met de aalgladde countrypop uit Nashville. Op hun platen vermengen de Dixie Chicks invloeden uit de traditionele Amerikaanse rootsmuziek met nagenoeg perfecte popdeuntjes en smelt muzikale virtuositeit prachtig samen met de mooiste harmonieën die de afgelopen jaren in het genre te horen waren, wat allemaal nog eens versterkt wordt door de emotievolle vocalen en eigenzinnige wendingen van Natalie Maines. Liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek die de platen van de Dixie Chicks vanwege hun vooroordelen buiten de deur hielden, deden niet alleen de Dixie Chicks, maar uiteindelijk vooral zichzelf stevig te kort. De Dixie Chicks maakten na Wide Open Spaces nog drie platen waarop vrijwel niets viel af te dingen: Fly uit 1999, Home uit 2002 en Taking The Long Way uit 2006. Als ik deze platen had moeten reduceren tot 12 tracks had ik in een andere keuze gemaakt dan de samenstellers van Playlist, maar desondanks valt er niet zoveel af te dingen op de voor deze verzamelaar geselecteerde tracks. Playlist laat prachtig horen hoe veelzijdig en getalenteerd de Dixie Chicks zijn. De ware liefhebber van dit soort muziek is met Wide Open Spaces, Fly, Home en Taking The Long Way waarschijnlijk veel beter af, maar als deze verzamelaar nog wat twijfelaars over de streep kan trekken vind ik dat ook best. Toen de Dixie Chicks een paar jaar geleden George Bush neersabelden werden de dames in Europa binnengehaald als politieke helden. Op basis van de muziek die het drietal de afgelopen twaalf jaar heeft gemaakt moeten de Dixie Chicks ook in muzikaal opzicht eindelijk maar eens de waardering krijgen die ze al zo lang verdienen. Erwin Zijleman

zondag 25 juli 2010

Sarah Harmer - Oh Little Fire

De Canadese singer-songwriter Sarah Harmer is misschien niet erg productief, maar als ze een cd uitbrengt kun je er bijna zeker van zijn dat het een goede cd is. Harmer debuteerde in 1999 met het intieme en nauwelijks opgemerkte Songs For Clem en brak vervolgens in 2000 door met het geweldige You Were Here; een plaat waarop ingetogen rootssongs prachtig samensmolten met veelkleurige popsongs. Dit recept werd vervolgens verder uitgewerkt op All Of Our Names uit 2004, waarna I’m A Mountain uit 2006 juist weer wat meer opschoof in de richting van de traditionele Amerikaanse rootsmuziek en met name de bluegrass. De afgelopen jaren zette Sarah Harmer zich vooral in voor het milieu en kwam er weinig van muziek maken, al dook de Canadese wel zo af en toe op bij bevriende muzikanten. Van deze bevriende muzikanten is Neko Case van de partij op de vijfde plaat van Sarah Harmer, Oh Little Fire. Oh Little Fire klinkt wat minder traditioneel en wat meer up-tempo dan zijn voorganger en laat wederom horen dat Sarah Harmer een buitengewoon getalenteerd en veelzijdig singer-songwriter is. De muziek van Sarah Harmer is de afgelopen jaren vergeleken met die van onder andere Joni Mitchell, Nanci Griffith, Lucinda Williams, Neil Young, Kathleen Edwards, David Gray, Suzanne Vega, Laura Veirs, Leslie Feist en Harmer’s relatief onbekende landgenote Emily Haines. Geen van deze vergelijkingen is echt onzinnig, maar bij beluistering van Oh Little Fire is slechts een beperkt deel van het vergelijkingsmateriaal relevant. Oh Little Fire laat zich wat mij betreft beluisteren als een echte popplaat, wat in rootskringen helaas bijna een scheldwoord is. Het krediet dat Harmer in deze kringen verkreeg met I’m A Mountain zal ze met deze plaat waarschijnlijk direct weer verspelen, maar dat betekent uiteraard niet dat Oh Little Fire een slechte plaat is. Integendeel. Ik vind Oh Little Fire zelfs een erg goede plaat. Waar Sarah Harmer zich met I’m A Mountain wat mij betreft niet wist te onderscheiden van de singer-songwriters in het pure rootssegment, onderscheidt ze zich met Oh Little Fire wel moeiteloos van de concurrentie in het rootspopsegment. Oh Little Fire is een geweldige plaat met songs die je moeiteloos zullen weten te betoveren. Hier en daar klinkt de muziek van Sarah Harmer nog wel enigszins traditioneel (zoals in het overigens bijzonder fraaie duet met Neko Case), maar over het algemeen overheerst toch het zonnige en lichtvoetige popgevoel. Oh Little Fire wakkert het toch al zo nadrukkelijk aanwezige zomergevoel nog eens extra aan, al verheug ik me stiekem ook al op de regenachtige lentedagen of donkere winteravonden in het gezelschap van Sarah Harmer's prima vijfde plaat. Erwin Zijleman

donderdag 22 juli 2010

The Magic Numbers - The Runaway

Het was de afgelopen jaren angstvallig stil rond The Magic Numbers. De band verraste in 2005 en 2006 met hippiemuziek die zo leek weggelopen uit het San Francisco van de jaren 60 en 70, maar na het fraaie titelloze debuut uit 2005 en het minstens net zo goede Those The Brokes uit 2006 hoorden we eigenlijk niets meer van de band uit Londen. Tot nu dan, want met The Runaway zijn The Magic Numbers eindelijk weer terug. Ook de derde plaat van The Magic Numbers roept weer herinneringen op aan de muziek van The Beach Boys, The Lovin' Spoonful en The Mamas & the Papas, maar The Runaway laat ook horen dat The Magic Numbers de afgelopen jaren niet stil hebben gezeten. The Runaway werd geproduceerd door IJslander Valgeir Sigurdsson, die de band een wat voller geluid heeft gegeven. Hierin is een voorname rol weggelegd voor de strijkersarrangementen van de vlak na de voltooiing van de opnamen voor deze plaat overleden Robert Kirby (vooral bekend van zijn werk voor Nick Drake). Door de vollere productie en het rijkere instrumentarium kabbelt de muziek van The Magic Numbers op The Runaway wat minder vrijblijvend voort dan op de vorige twee platen van de band, maar gelukkig valt er ook nu weer volop te genieten van prachtige harmonieën en lekker lome folkpop, die nadrukkelijk citeert uit het verleden. Ondanks de verschillen met zijn twee voorgangers vind ik The Runaway na enige gewenning weer een typische Magic Numbers plaat. The Magic Numbers maken nog altijd muziek die je meeneemt naar het California uit vervlogen tijden, maar tegelijkertijd is dit meer dan een nostalgische muziektrip. The Magic Numbers eren hun muzikale helden weliswaar vol overgave, maar de twee broer-zus koppels staan ook met minstens één been stevig verankerd in het heden. Het siert The Magic Numbers dat ze het geluid van hun eerste twee platen niet nogmaals nauwkeurig gereproduceerd hebben. The Runaway verleidt hierdoor misschien net wat minder snel dan zijn twee voorgangers, maar dat is slechts een kwestie van tijd. De meest gehoorde kritiek op de muziek van The Magic Numbers is het feit dat de scherpe kantjes en rauwe randjes ontbreken, waardoor het na verloop van tijd wel erg zoetsappig wordt. Scherpe klantjes en rauwe randjes zul je ook op The Runaway niet vinden, maar persoonlijk vind ik dit geen enkel probleem. Met The Runaway ontsnap je heel even aan de dagelijkse realiteit en waan je jezelf tijdelijk in de West Coast van de jaren 60. Meer dan dagdromen is het niet, maar met The Runaway als soundtrack voelt het wel levensecht en bovendien bijzonder aangenaam. Gewoon weer een prachtplaat van The Magic Numbers derhalve. Erwin Zijleman

dinsdag 20 juli 2010

Court Yard Hounds - Court Yard Hounds

De Amerikaanse Dixie Chicks wonnen een paar jaar geleden de sympathie van het Europese publiek, maar deden dit, in tegenstelling tot in de VS, niet met hun muziek. Waar de Dixie Chicks in Europa de handen op elkaar kregen voor hun anti-Bush standpunten, werd de muziek van het drietal hier toch vooral afgedaan als zouteloze Nashville country. Onzin als je het mij vraagt, maar daarover binnenkort meer. Nadat de Dixie Chicks de sympathie van het Amerikaanse publiek hadden herwonnen, werd het snel stil rond de band en leek met name zangeres Nathalie Maines toe aan iets anders. De overgebleven zussen Emily Robison en Martie Maguire besloten daarom om tijdelijk verder te gaan als Court Yard Hounds en brachten eerder dit jaar een in de VS goed ontvangen debuutplaat uit. Het titelloze debuut van Court Yard Hounds wist Europa tot dusver nog niet te bereiken, maar een maand of twee geleden kreeg ik de plaat bij toeval toch in handen. Na enige gewenning vond ik het eigenlijk wel een aangename plaat en dat vind ik nog steeds. De muziek van Court Yard Hounds lijkt erg op die van de Dixie Chicks, maar klinkt door het ontbreken van de door Natalie Maines aangebrachte angel wel net wat braver en zoetsappiger. Toch valt ook de muziek van Court Yard Hounds wat mij betreft niet in de categorie van de zouteloze countrypop uit de muziekfabrieken van Nashville. Emily Robison en Martie Maguire vinden op hun debuut een fraai evenwicht tussen pure pop en traditioneel aandoende countrymuziek, verrassen keer op keer met prachtige akoestische klanken, schrijven songs die absoluut blijven hangen en betoveren net als bij de Dixie Chicks met wonderschone harmonieën. Wanneer ik het debuut van Court Yard Hounds vergelijk met de platen van de Dixie Chicks gaat mijn voorkeur absoluut uit naar de platen van de Dixie Chicks, maar wanneer ik de muziek van Court Yard Hounds vergelijk met die van de momenteel aanwezige concurrenten in het genre doen Emily Robison en Martie Maguire het zeker niet slecht en bevat dit debuut ook zeker een aantal onmiskenbare parels. Het debuut van Court Yard Hounds laat zich uiteindelijk misschien nog wel het best omschrijven als “Dixie Chicks Light”. Het smaakt misschien net wat minder dan het origineel, maar als het alternatief helemaal zonder zitten is, kies je heel snel eieren voor je geld. Zolang Natalie Maines niet terugkeert op het oude nest, hebben de Court Yard Hounds wat mij betreft alle bestaansrecht. Erwin Zijleman

zondag 18 juli 2010

The Coral - Butterfly House

The Coral. Ik was ze eerlijk gezegd al weer bijna vergeten. De band uit het Britse Hoylake debuteerde acht jaar geleden op buitengewoon imponerende wijze met een plaat vol verbijsterend goede psychedelische rockmuziek. Het titelloze debuut van The Coral klonk door de veelheid aan stijlen en invloeden als een omgevallen platenkast, maar wat was het een knappe en aangename plaat. The Coral werd wereldwijd de hemel in geprezen en een grote toekomst leek zeker. Desondanks heeft The Coral het sindsdien niet makkelijk gehad. Aan de platen die de band sinds het debuut heeft uitgebracht ligt het zeker niet. Magic And Medicine uit 2003 bouwde nadrukkelijk voort op het debuut, maar deed hier absoluut niet voor onder, Nightfreak And The Sons Of Becker uit 2004 klonk een stuk moderner dan zijn twee voorgangers maar bleek wederom een psychedelisch hoogstandje, The Invisible Invasion uit 2005 klonk een stuk minder uitbundig maar is objectief gezien misschien wel de beste plaat van de band, terwijl het weer wat verder terug in de tijd reizende Roots & Echoes uit 2007 nadrukkelijk herinnerde aan de eerste twee platen van de band. Het zijn stuk voor stuk prachtplaten, maar zo bejubeld of omarmd als het debuut werden ze geen van allen. De afgelopen jaren leek het doek te zijn gevallen voor The Coral, maar met Butterfly House zijn de Britten gelukkig weer helemaal terug. Het prachtige, psychedelisch aandoende artwork van Butterfly House suggereert al dat The Coral haar psychedelische wortels niet is vergeten en dat blijkt inderdaad het geval. Net als op haar eerste twee platen grijpt The Coral ook op Butterfly House weer nadrukkelijk terug op de psychedelische popmuziek uit de jaren 60. Invloeden van met name Love en The Byrds zijn nadrukkelijk aanwezig op de zesde plaat van The Coral, maar zoals altijd eren de Britten hun muzikale helden op eigenzinnige wijze. De pauze die de band, mede door het vertrek van gitarist Bill Ryder-Jones, heeft moeten nemen, heeft een positieve uitwerking gehad op de band. Waar The Coral op Roots & Echoes toch enigszins ongeïnspireerd en plichtmatig klonk, spat het plezier en de inspiratie van The Butterfly House af. Ook de keuze voor een producer van naam en faam, want zo mag je John Leckie (die eerder werkte met onder andere The Stone Roses, Radiohead, Muse, Simple Minds en Kula Shaker) toch wel noemen, heeft de band goed gedaan. Leckie heeft The Butterfly House voorzien van een uitgebalanceerd klinkend geluid waarin de muziek van The Coral uitstekend gedijt en waarin zowel de eclectische als de wat meer ingetogen passages goed tot hun recht komen. In beide uitersten overtuigt de band met prima songs die vol vuur worden vertolkt. Het enige verwijt dat je The Coral kunt maken is dat ook The Butterfly House weer klinkt als een plaat van The Coral. Hierdoor heeft ook de zesde plaat van de band weer niet de impact die het debuut acht jaar geleden had, al is The Butterfly House als je alles bij elkaar optelt waarschijnlijk een betere plaat. Ik ben dan ook zeer tevreden met deze wederopstanding van een band die absoluut behoort tot de leukere bands van het afgelopen en het huidige decennium en een plaat die wel eens mee kan gaan doen in de jaarlijstjes. Erwin Zijleman

donderdag 15 juli 2010

Gringo Star - All Y'all

De prijs voor de grappigste naam van het moment heeft de Amerikaanse band Gringo Star al te pakken, maar ook in muzikaal opzicht heeft de band uit Atlanta flink wat te bieden. Op All Y'all maakt Gringo Star geen geheim van haar inspiratiebronnen. De meeste tracks op de tweede plaat van de band zouden zo van The Beatles, The Animals of vooral The Kinks kunnen zijn. Geweldige gitaarriffs en refreinen om te zoenen doen de helft van het werk, maar de muziek van Gringo Star is ook rauw, ongepolijst en veelzijdig genoeg om langer dan een aantal luisterbeurten interessant te blijven. Na een aantal luisterbeurten wint de muziek van Gringo Star eigenlijk alleen maar aan kracht en komen er bovendien steeds meer namen boven drijven. Zo hoor ik opeens wat van het debuut van The Strokes, iets van The White Stripes, een beetje Pink Floyd in haar beginjaren en een heel klein beetje Motown en ook wel wat van Marah. Een deel 60s garagerock, een deel 60s psychedelica, een half deel roots en heel veel delen pure rock ’n roll. All Y'all is een plaat zonder pretenties, maar met heel veel ballen. Het is misschien geen plaat om heel druk over te doen, maar aan de andere kant moeten we misschien juist heel druk gaan doen over deze plaat. Het lijkt misschien makkelijk wat Gringo Star op All Y'all doet, maar ondertussen zijn er toch maar heel weinig bands die zoveel memorabele rocksongs op een cd weten te persen. Los van de vraag of het in artistiek opzicht knap is wat Gringo Star op All Y'all doet, is er de vraag of de muziek van de band wat met je doet. All Y'all doet met mij in ieder geval heel veel. Gringo Star heeft een plaat gemaakt die de zon doet schijnen. Een plaat die je mee terug neemt naar de eerste stapjes van de rock ’n roll. Een plaat die zich niet schaamt voor lullige, maar o zo lekkere koortjes en tamboerijnen, maar die ook zo nu en dan op fascinerende wijze buiten de gebaande paden treedt. Een plaat die je terug voert naar de beginjaren van de Britse rockmuziek, maar die op hetzelfde moment gehakt maakt van de meeste jonge Britse bands die momenteel nadrukkelijk aan de weg timmeren. Op All Y'all klinkt de muziek van Gringo Star soms zo vanzelfsprekend dat het lijkt alsof je de songs op deze plaat al je hele leven kent. Luister één keer naar All Y'all en je bent verkocht. Luister één keer naar All Y'all en de 14 tracks op deze plaat zitten voorgoed in je hoofd gevangen. Gringo Star heeft een plaat gemaakt waarvan je als muziekliefhebber alleen maar heel gelukkig kunt worden. Het is misschien oude wijn in nieuwe zakken, maar zo lang deze wijn smaakt als All Y'all lust ik er wel pap van. Erwin Zijleman

dinsdag 13 juli 2010

Solomon Burke - Nothing's Impossible

Ik heb Solomon Burke een aantal malen live mogen bewonderen en heb bovendien een aardig stapeltje platen van de (zelfgekroonde) King of Soul in de kast staan. Live wist Solomon Burke altijd indruk op me te maken, maar zijn platen hadden over het algemeen een veel minder sterke impact, al waren er natuurlijk uitzonderingen als het vooral met covers gevulde A Change Is Gonna Come uit 1986 en de liveplaat Live At House Of Blues uit 1994. De laatste jaren is dit helemaal omgedraaid. Op het podium beginnen de jaren voor Solomon Burke zo langzamerhand te tellen, maar op de plaat steekt hij inmiddels al een aantal jaren in een grootse vorm, wat deels de verdienste is van de producers die Burke voor zijn platen wist te strikken. Het begon 8 jaar geleden met het prachtige, door Joe Henry geproduceerde, Don’t Give Up On Me. Een klassieke soulplaat die in 2005 werd gevolgd door het door Don Was geproduceerde Make Do With What You Got; een plaat die misschien net wat te nadrukkelijk voortborduurde op zijn voorganger, maar desondanks veel moois te bieden had. Op het in 2006 verschenen Nashville koos Burke, toch wel enigszins verassend, voor Buddy Miller als producer en liet hij op bijzonder overtuigende wijze horen dat de kloof tussen soul, country en blues eenvoudiger is te overbruggen dan menigeen op voorhand zal hebben verwacht. Het leverde een plaat op die, net als Don’t Give Up On Me, moet worden gerekend tot de beste soulplaten van de afgelopen decennia. Vergeleken met het vuurwerk op deze twee platen, viel het twee jaar geleden verschenen en behoorlijk bluesy klinkende Like A Fire misschien wat tegen, al was ook dit zeker geen slechte plaat. Met het nu verschenen Nothing’s Impossible doet Solomon Burke een volgende poging om het torenhoge niveau van zijn twee beste platen te benaderen. Als producer nam dit keer de vooral van Al Green bekende Willie Mitchell achter de knoppen en dit blijkt een uitstekende keuze. Mitchell heeft Solomon Burke in de richting van vintage Southern soul en gospel bewogen en ook dit is een genre dat uitstekend past bij Solomon Burke. Ook op Nothing’s Impossible bewijst Solomon Burke weer eens dat hij moet worden gerekend tot de beste soulzangers aller tijden, maar waar zijn platen het vroeger in muzikaal en compositorisch opzicht nog wel eens af lieten weten, staat Nothing’s Impossible in beide opzichten als een huis. Willie Mitchell (die overigens tijdens de opnamen overleed aan een hartaanval) heeft gekozen voor een lekker vet klinkend soulgeluid met veel blazers en hierin voelt Solomon Burke zich als een vis in het water. Ook op de kwaliteit van de songs valt dit keer niets af te dingen. Het levert een geweldige soulplaat op die niet onder doet voor de twee prachtplaten die Solomon Burke de afgelopen jaren al maakte. De eretitel King Of Soul verdiende Solomon Burke de afgelopen decennia vooral op basis van zijn geweldige optredens. Met de fraaie trilogie die hij de afgelopen jaren heeft uitgebracht schaart Burke zich echter ook met zijn platen tussen de allergrootsten. Er zijn dit jaar al flink wat prima soulplaten verschenen, maar Nothing’s Impossible is er één in de buitencategorie. Erwin Zijleman

zondag 11 juli 2010

M.I.A. - /\/\ /\ Y /\

Hoewel het genre waarin Mathangi Maya Arulpragasm, oftewel M.I.A., opereert zeker niet een genre is waar ik normaal gesproken warm voor loop, heb ik de twee platen die de Britse met Sri Lankaans bloed de afgelopen jaren heeft gemaakt hoog zitten. Heel hoog zelfs. Op Arular (2005) en Kala (2007) verraste M.I.A. met een niet eerder gehoorde mix van dance, hiphop, rap, dubstep, elektronica, rock en wereldmuziek en teksten waarin ze zonder enige angst schopte tegen gevoelige en vaak ook machtige benen. Arular en Kala zijn wat mij betreft platen die je leegzuigen en uitputten, maar het zijn ook platen die je het gevoel geven dat je deelgenoot bent geweest van iets unieks. Het is een gevoel dat ook onmiddellijk bij eerste beluistering van M.I.A.’s derde plaat, /\/\ /\ Y /\ (Maya), weer opduikt. Net als op haar vorige platen maakt M.I.A. het de luisteraar weer niet makkelijk. /\/\ /\ Y /\ is misschien nog wel ontoegankelijker dan zijn voorgangers die ook al niet uitblonken door hun toegankelijkheid. M.I.A. klinkt ook op haar derde plaat weer buitengewoon fel en energiek, de instrumentatie komt op je af als mitrailleurvuur en ook de veelheid aan deels lastig te verenigen invloeden zorgt er voor dat het beluisteren van /\/\ /\ Y /\ al snel een uitputtingsslag wordt. Toch is ook dit weer een plaat die heel veel voldoening en uiteindelijk ook energie geeft. Hoewel vrijwel alle songs op /\/\ /\ Y /\ anders klinken zijn het allemaal onmiskenbaar M.I.A. songs en maakt het eigenlijk niet zoveel uit of M.I.A. dancehall klanken of traditionele Aziatische muziek in haar muziek verwerkt of dat inmiddels ervaren rotten als Diplo, Switch of Blaqstarr aan de knoppen draaien of dat dit plekje is gereserveerd voor jonge hond Rusko. Ook in tekstueel opzicht gaat M.I.A. misschien nog wel verder dan op haar vorige twee platen. /\/\ /\ Y /\ schopt en provoceert en grijpt je met een bij vlagen bijna hysterische geldingsdrang bij de strot. M.I.A. neemt haar zaak zeer serieus, waardoor haar muziek kracht en urgentie uitstraalt. Het zorgt er voor dat ze er voor de derde keer op rij in slaagt om mij te overtuigen met muziek waar ik eigenlijk helemaal niet van hou. /\/\ /\ Y /\ is een unieke plaat van een unieke muzikante. Het is een plaat die eigenlijk iedereen moet horen, ook al zal de eerste beluistering voor velen waarschijnlijk aanvoelen als een straf. Geloof me, de voldoening komt vanzelf. Erwin Zijleman

donderdag 8 juli 2010

The Morning Benders - Big Echo

Drie jaar wachten we inmiddels al op de nieuwe wereldplaat van The Shins en het heeft er alle schijn van dat we voorlopig nog wel even moeten blijven wachten. Gelukkig duiken er zo nu en dan bruikbare alternatieven op, zoals het onlangs verschenen Big Echo van The Morning Benders. De band uit Berkeley, California, debuteerde twee jaar geleden met het hele aardige Talking Through Tin Cans, maar overtreft dit aardige debuut nu met het nog veel betere Big Echo. Waar Talking Through Tin Cans verraste met zonnige rammelpop die zich nadrukkelijk liet beïnvloeden door muziek uit de jaren 60, klinkt Big Echo een stuk moderner en vooral voller. Het relatief bescheiden muzikale palet van Talking Through Tin Cans heeft op Big Echo plaats gemaakt voor een veel rijker instrumentarium, waardoor de The Morning Benders in muzikaal opzicht zijn opgeschoven in de richting van bands als Grizzly Bear, Vampire Weekend en wat mij betreft ook zeker The Shins. Net als zijn voorganger is Big Echo een zonnig klinkende plaat vol tijdloze popliedjes, maar deze popliedjes klinken wel opeens een stuk moderner en avontuurlijker. Big Echo laat zich eigenlijk niet zo goed vergelijken met zijn voorganger en misschien is het ook maar beter om dit niet te doen. Waar Talking Through Tin Cans toch vooral een soloproject van voorman Christopher Chu was, is Big Echo een echte bandplaat. Het is een bandplaat waarop niet alleen songwriter Chu, maar ook producer Chris Taylor (Grizzly Bear) nadrukkelijk zijn stempel heeft gedrukt. Big Echo is een plaat met meerdere gezichten. Met name in de rijk georkestreerde tracks haalt de band alles uit de kast en is betovering bijna onvermijdelijk. Een aantal andere tracks vraagt wat meer tijd en energie van de luisteraar, maar ook deze tracks weten uiteindelijk te overtuigen. Het is niet heel lastig om aan te wijzen waar The Morning Benders de mosterd hebben gehaald. Trek lijnen van Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band en Pet Sounds naar Grizzly Bear’s Veckatimest en je weet binnen welke driehoek je de muziek van The Morning Benders moet zoeken. Desondanks klinken de verleidelijke popsongs op Big Echo fris en avontuurlijk. Big Echo is een van de platen die zomaar uit kan groeien tot de verrassingen van 2010, al vraagt dit wel om een zetje in de rug door de muziekpers en enig uithoudingsvermogen bij de luisteraar. Het zetje in de rug heb ik The Morning Benders hierbij gegeven. Rest het luisteradvies: luister onbevangen, oordeel niet te snel en geef Big Echo de tijd om te rijpen en te groeien. Met een beetje geluk heb je een plaat in handen die je nog lange tijd zal herinneren aan de mooie zomer van 2010. Erwin Zijleman

dinsdag 6 juli 2010

Mountain Man - Made The Harbor

De inmiddels tien jaar oude film O Brother, Where Art Thou? van de Coen Brothers heeft misschien wel enige invloed gehad op de ontwikkeling van de Amerikaanse film, maar de invloed die de soundtrack bij de film heeft gehad op de acceptatie van de traditionele Amerikaanse rootsmuziek is vele malen groter. Zonder de O Brother, Where Art Thou? soundtrack zou Made The Harbor van het Amerikaanse trio Mountain Man niet zijn begrepen en al helemaal niet in Nederland zijn uitgebracht. Op Made The Harbor maken Molly Erin Sarle, Alexandra Sauser-Monnig en Amelia Randall Meath traditioneel aandoende muziek die je meenemen naar de Appalachen uit het begin van de vorige eeuw. Het merendeel van de songs op Made The Harbor wordt vrijwel a capella uitgevoerd. Buiten wat eenvoudig getokkel op een akoestische gitaar moet je het doen met de prachtige stemmen van de drie dames die samen Mountain Man vormen. Made The Harbor is door het sobere instrumentarium, de matige kwaliteit van de opnamen en het traditionele karakter van de songs niet direct geschikt voor een breed publiek, maar iedereen die al jaren wacht op een nieuwe cd van Gillian Welch of zich schaart onder de fans van onder andere The Be Good Tanyas of Alela Diane, doet zichzelf met beluistering van Made The Harbor waarschijnlijk een groot plezier. Het in een verlaten loods opgenomen Made The Harbor is aan de ene kant een plaat die galmt en rammelt, maar het is aan de andere kant een plaat die een bijna serene rust brengt. Hiervoor verantwoordelijk zijn de prachtige stemmen die alle tracks op Made The Harbor naar een behoorlijk hoog niveau tillen. Het zijn bijna engelachtige stemmen die zingen over thema’s waar het gemiddelde engeltje maar mondjesmaat mee te maken krijgt. Molly Erin Sarle, Alexandra Sauser-Monnig en Amelia Randall Meath bezingen op Made The Harbor de liefde in al haar vormen en schuwen hierbij de donkere kant van de liefde niet. Met name wanneer de songs geheel a capella worden uitgevoerd heeft Made The Harbor een bijna sereen karakter, maar wanneer je je eenmaal hebt overgeleverd aan de bezwerende klanken van Mountain Man, sleept deze plaat je mee in de aardedonkere plattelandsnacht. Direct na het succes van de O Brother, Where Art Thou? soundtrack werden wel meer platen gemaakt als deze, maar in 2010 is Made The Harbor van Mountain Man toch wel een wat vreemde eend in de bijt. Het is eend die niet alleen respect afdwingt, maar die ook steeds meer weet te betoveren. Mountain Man brengt op haar debuut stokoude muziek op fascinerende wijze tot leven en heeft een plaat gemaakt die gehoord moet worden door een ieder die de traditionele Amerikaanse folkmuziek een warm hart toedraagt. Erwin Zijleman

vrijdag 2 juli 2010

Macy Gray - The Sellout

Natalie McIntyre debuteerde precies elf jaar geleden als Macy Gray met On How Life Is. Het is zo’n debuut dat eigenlijk nauwelijks te overtreffen is. Op On How Life Is verraste de Amerikaanse immers niet alleen met doorleefd klinkende neo-soul, maar baarde ze vooral opzien met haar buitengewoon rauw klinkende stem. Juist deze stem maakte On How Life is tot de unieke plaat die het elf jaar later nog altijd is. Omdat de grootste verrassing van On How Life Is op alle platen die volgden een gegeven was, waren zowel de critici als de fans steeds minder te spreken over de platen van Macy Gray, al liet ze op de meeste platen die volgden wel degelijk de nodige muzikale en compositorische groei horen. Ook het na een periode van drie jaar stilte verschenen The Sellout kan de critici tot dusver maar matig bekoren en krijgt zeker niet de aandacht die On How Life Is destijds ten deel viel. Heel onlogisch is dat niet. Ook op haar nieuwe plaat doet Macy Gray immers weer wat ze inmiddels al elf jaar doet. Zodra de eerste vocalen uit de speakers komen weet je dat je met Macy Gray te doen hebt en denk je bewust of onbewust terug aan de dag dat je On How Life Is voor het eerst hoorde. The Sellout is echter zeker geen slechte plaat. In muzikaal opzicht is Macy Gray door de loop der jaren net wat veelzijdiger geworden en in vocaal opzicht heeft de Amerikaanse zich zelfs flink verbeterd, zonder dat dit ten koste is gegaan van haar unieke stemgeluid. The Sellout weet nauwelijks echt te verrassen (hooguit de song met stevig gitaarwerk van Slash valt enigszins uit de toon), maar hoe erg is dat? Net als zijn voorgangers is dit een plaat met lekkere broeierige en bijna angstig doorleefd klinkende neo-soul van een niveau waarvan de meeste van Macy Gray’s soortgenoten alleen maar kunnen dromen. The Sellout is een plaat die uitstekend gedijt in de bijna tropische temperaturen van het moment en zich niet makkelijk meer laat verdringen door een andere neo-soul plaat van recente datum. The Sellout is misschien geen plaat om heel lang bij stil te staan of om heel druk over te doen, maar het is wel een plaat die recht doet aan de status van Macy Gray. Macy Gray blijft een volkomen uniek zangeres; The Sellout is haar zoveelste prima plaat. Van mij mag het nog wel even tropisch warm blijven. Erwin Zijleman