vrijdag 30 september 2011

Pink Floyd - De nadagen (1980-1994)

De afgelopen week heb ik intensief stil gestaan bij de release van Discovery, de box-set met alle studioplaten van Pink Floyd in een fraaie geremasterde versie. In aparte artikelen stond ik stil bij de psychedelische jaren van de band (1967-1972) en bij de grote successen van Pink Floyd (1973-1979), wat in totaal maar liefst zeven meesterwerken opleverde. Er is nog één periode over en dat is de periode van 1980 tot 1994; een periode die ik alleen maar kan omschrijven als de nadagen van Pink Floyd. Deze periode leverde geen meesterwerken meer op en als je het mij vraagt ook geen echte Pink Floyd platen, maar toch is deze periode het bespreken waard. Dat ligt niet aan het in 1994 verschenen The Division Bell en ook niet aan de in deze periode verschenen live-platen (die niet zijn opgenomen in Discovery box). Op deze platen maakte Pink Floyd een uitgebluste indruk en was het geen schim meer van de grote band uit de twee eerder besproken perioden.
 

Het in 1983 verschenen The Final Cut doet er wat mij betreft wel toe. Het is een plaat die eigenlijk nauwelijks een Pink Floyd plaat genoemd mag worden, want meer dan een veredelde Roger Waters soloplaat is het niet. The Final Cut is misschien nog het best te omschrijven als een mix van Animals, The Wall en The Pros And Cons Of Hitch Hiking, de soloplaat die Roger Waters een jaar na The Final Cut met onder andere Eric Clapton zou maken. The Final Cut is een sombere en donker klinkende plaat waar je niet vrolijk van wordt, maar de plaat heeft zeker zijn momenten. De atmosferische en melodieuze kant van Pink Floyd wordt op The Final Cut zeer gemist, maar hier staat eigenzinnige en uniek klinkende popmuziek tegenover. The Final Cut is een plaat waarmee je de kat in het behang jaagt, maar het is ook een plaat die zo af en toe onder je huid meet te kruipen. Geniet ervan, maar met mate.

Ook het in 1987 uitgebrachte A Momentary Lapse Of Reason is meer een soloplaat dan een echte Pink Floyd plaat. Dit keer is het niet Roger Waters, maar David Gilmour die aan het roer van de band staat. A Momentary Lapse Of Reason neemt afstand van de laatste paar Pink Floyd platen met Roger Waters en grijpt vooral terug op Wish You Were Here. Het is een melodieuze plaat met atmosferisch klinkende songs vol dromerige vocalen en breed uitwaaiend gitaarwerk. De plaat werd gekraakt door de critici, maar ik vind hem persoonlijk helemaal niet zo slecht, al wordt het eigenzinnige randje van Roger Waters zeker gemist. A Momentary Lapse Of Reason behoort zeker niet tot de meesterwerken van de band, maar heeft zeker zijn momenten en is alleen vanwege het geweldige gitaarwerk van David Gilmour al de moeite waard.
 

Na A Momentary Reason zou Pink Floyd nog een keer bij elkaar komen (overigens zonder Roger Waters). Het resulteerde in 1994 in The Division Bell; een plaat die men maar beter achterwege had kunnen laten. Het is het enige echte smetje op de prachtige box-set Discovery, die ik iedereen aan kan bevelen. Erwin Zijleman

donderdag 29 september 2011

Wilco - The Whole Love

De Amerikaanse band Wilco werd 17 jaar geleden, na het jammerlijk uiteen vallen van alt-country pioniers Uncle Tupelo, opgericht door Jeff Tweedy. Sinds het in 1995 verschenen debuut van de band, A.M., heeft Wilco ons verrast met steeds weer anders klinkende platen. Op A.M. opereerde Wilco nog duidelijk in de voetsporen van Uncle Tupelo, maar die voetsporen werden verlaten op Being There (1996), Summerteeth (1999), Yankee Hotel Foxtrot (2002), A Ghost Is Born (2004), Sky Blue Sky (2007) en Wilco (The Album) uit 2009. Op deze platen werden de oorspronkelijke alt-country invloeden verruild voor respectievelijk psychedelische rockmuziek, powerpop, bijzonder experimentele muziek, net wat minder experimentele muziek, gelikte countryrock en softrock en verrassend toegankelijke pop en rock. De achtste studioplaat van Wilco, The Whole Love, slaat wederom nieuwe wegen in en klinkt weer een stuk experimenteler dan zijn twee zo toegankelijke voorgangers. Dat hoor je het duidelijkst in opener Art Of Almost; een track waarin de meest uiteenlopende invloeden zijn verwerkt, die je constant op het verkeerde been zet, met name in het begin behoorlijk op de zenuwen werkt en uiteindelijk heerlijk ontspoort. Op basis van de 7 minuten van Art Of Almost verwacht je Yankee Hotel Foxtrot deel 2, maar die hoop of vrees wordt onmiddellijk de grond in geboord door de tracks die volgen. De ene keer krijgen we een psychedelisch hoogstandje voorgeschoteld dat ook van The Doors had kunnen zijn, de volgende keer een fris Beatlesque popliedje of een lekker gruizige glamrocksong die niet zou hebben misstaan in het oeuvre van T. Rex. Wilco is gelukkig ook de rootsinvloeden die zo prominent aanwezig waren op het debuut van de band niet vergeten en durft uit te pakken met een akoestische folksong van ruim 12 minuten, die ondanks het buitengewoon sobere instrumentarium en de lange speelduur geen seconde verveelt. The Whole Love is een plaat waarop Wilco het experiment zeker niet schuwt, maar het is dit keer gelukkig een middel en geen doel (ik maak er geen geheim van dat Yankee Hotel Foxtrot zeker niet mijn favoriete Wilco plaat is). The Whole Love laat zich beluisteren als een fraaie dwarsdoorsnede uit het werk van Wilco, al is geen van de tracks een herhalingsoefening, maar zet Wilco nadrukkelijk nieuwe stappen. Het zal nog wel even duren voordat alles op zijn plek valt, maar op basis van mijn luisterervaringen gedurende de afgelopen twee weken, durf ik The Whole Love al wel een van de hoogtepunten uit het oeuvre van Wilco te noemen, hetgeen gezien de hoge kwaliteit van de meeste platen van de band een niet misselijke prestatie is. Erwin Zijleman

woensdag 28 september 2011

Pink Floyd - De grote successen (1973-1979)

Eerder deze week besprak ik de psychedelische jaren van Pink Floyd en riep ik drie platen in de bijzonder fraaie Discovery Box uit tot meesterwerk: The Piper At The Gates Of Dawn (1967), Atom Heart Mother (1970) en Meddle (1971). Met name op de laatstgenoemde plaat legde Pink Floyd de basis voor haar grote successen die tussen 1973 en 1979 zouden verschijnen.


Het in 1973 verschenen The Dark Side Of The Moon is de meest succesvolle Pink Floyd plaat en volgens velen ook de beste. Op The Dark Side Of The Moon vervolmaakt Pink Floyd het rijke en atmosferische geluid van Meddle en kiest het niet langer voor psychedelische luistertrips, maar voor toegankelijke popsongs met een kop en een staart. Het zijn popsongs die boordevol invloeden zitten en uit vele lagen bestaan. Zeker wanneer je de plaat met de koptelefoon beluistert hoor je hoe knap de plaat in elkaar zit en hoe rijk en gevarieerd het geluid is. Op één of andere manier heb ik zelf nooit zo heel veel gehad met The Dark Side Of The Moon en ik reken de plaat ook na de hernieuwde kennismaking niet tot mijn favorieten, maar dat het hier een meesterwerk betreft kan ik niet ontkennen. Voor degenen die de plaat wel tot de favorieten rekenen is er een speciale editie van The Dark Side Of The Moon verschenen. Deze bestaat uit 3 cd’s, 2 DVD’s en een Blu-ray disc vol met buitengewoon interessante opnamen. Een fraai boekwerk en een handvol hebbedingetjes maakt deze bijzondere versie van The Dark Side Of The Moon compleet.


Wish You Were Here uit 1975 reken ik wel tot mijn favoriete Pink Floyd platen. De plaat is een eerbetoon aan de op dat moment bijna vergeten Syd Barrett en is een stuk psychedelischer dan zijn voorganger. Hoogtepunt is het in totaal bijna 25 minuten durende Shine On You Crazy Diamond, dat 36 jaar na dato nog net zo betovert als op de dag van de release. Wish You Were Here is wat zweveriger dan The Dark Side Of The Moon, maar ook warmer. Het is een plaat waarop het gitaarspel van David Gilmour weer wat meer ruimte krijgt en daar hoor je mij niet over klagen. De langere tracks op Wish You Were slepen zich langzaam voort, maar zitten vol onderhuidse spanning, waardoor de plaat geen seconde verveelt. Wish You Were is als je het mij vraagt de meest sfeervolle Pink Floyd plaat en absoluut één van de beste.


Net als The Dark Side Of The Moon is ook Animals uit 1977 een Pink Floyd plaat waar ik nooit zo heel veel mee heb gehad. Waar The Dark Side Of The Moon me nog steeds niet zoveel doet, heeft Animals me de afgelopen week echter behoorlijk in haar greep. Animals is een aardedonkere plaat waarop Roger Waters definitief de macht grijpt. Toch is het, meer dan de platen die zouden volgen, een echte bandplaat. Zo speelt het gitaarwerk van David Gilmour een hele belangrijke en hele fraaie rol in de sombere songs die zich langzaam opdringen, maar uiteindelijk toch veel moois te bieden hebben. Animals is een plaat die destijds (in het jaar van de punk) niet op de juiste waarde werd geschat , maar het is er een die veel te bieden heeft en absoluut thuis hoort tussen de meesterwerken van de band. Net als zoveel andere Pink Floyd platen is ook Animals een plaat die je eigenlijk met de koptelefoon moet beluisteren om de nuances niet te missen. Vervolgens openbaart zich een donkere, maar ook intieme en persoonlijke plaat, die veel beter is dan ik tot dusver dacht.


Als ik mijn favoriete Pink Floyd plaat moet kiezen, kies ik nog altijd voor The Wall uit 1979. Deels omdat ik de release van de plaat bewuster heb meegemaakt dan de eerdere Pink Floyd platen, maar vooral omdat het de meest gevarieerde en de meest krankzinnige Pink Floyd plaat is. The Wall is, ondanks het werkelijk fenomenale gitaarwerk van David Gilmour, min of meer een Roger Waters soloplaat. De belevingswereld van Roger Waters staat centraal op deze nog altijd fascinerende plaat en Roger Waters tekende voor vrijwel alle songs. The Wall is vooral bekend vanwege de single met het kinderkoor (Another Brick In The Wall part II) en de vele opvallende geluidsfragmenten, maar het is ook een plaat met een aantal wonderschone popsongs, waaronder Pink Floyd klassiekers als Comfortably Numb en Hey You. De plaat eindigt in totale gekte, maar hier is ruim een uur briljante popmuziek aan vooraf gegaan. The Wall is voor mij na herhaalde beluistering van de Discovery box nog altijd het hoogtepunt uit het oeuvre van Pink Floyd. De plaat heeft er wat onverwachte concurrenten bij gekregen (Animals, Meddle), maar blijft als je het mij vraagt een klasse apart.


Vrijdag de nadagen van Pink Floyd (1980-1994). Erwin Zijleman

dinsdag 27 september 2011

Sarah Blasko - Cinema Songs

Ik ben zeer gecharmeerd van de drie platen die de Australische singer-songwriter Sarah Blasko de afgelopen zes jaar heeft uitgebracht, maar ben misschien nog wel meer onder de indruk van de geweldige vertolkingen van klassiekers uit de geschiedenis van de popmuziek die ze op haar naam heeft staan. Een rondje YouTube eindigt voor mij met enige regelmaat bij Sarah Blasko’s geweldige vertolkingen van Elton John’s Goodbye Yellow Brick Road en het van Olivia Newton-John en E.L.O. bekende Xanadu. De laatste is ook te vinden op het onlangs verschenen EPtje Cinema Songs. Cinema Songs bevat vijf songs van film c.q. musical soundtracks en is waarschijnlijk niet meer dan een tussendoortje (dat overigens ook onderdeel uitmaakt van de luxe versie van haar laatste plaat As Day Follows Night uit 2010). Het is echter een tussendoortje om in te lijsten, want wat doet Sarah Blasko weer mooie dingen met de door haar uitgekozen songs. Cinema Songs bevat nieuwe versies van Seems Like Old Times (Annie Hall), Something Good (The Sound Of Music), Maybe This Time (Cabaret), Out Here On My Own (Fame) en Xanadu (Xanadu). Het zijn allemaal songs waarvan ik de originele versie maar matig of helemaal niet kan verdragen. Xanadu is misschien nog wel het beste voorbeeld. Bij beluistering van het origineel van Olivia Newton-John en Electric Light Orchestra hoor je ergens in de verte nog wel een goed liedje, maar dit verzuipt compleet in een pompeuze en galmende orkestratie en productie. Sarah Blasko slaagt er in om het mooie popliedje dat wel degelijk verstopt zit in Xanadu naar de oppervlakte te brengen. Heel veel heeft de Australische singer-songwriter hier niet voor nodig. De Sarah Blasko versie van Xanadu moet het doen met warme pianoklanken en de aangename stem van Sarah Blasko. Het resultaat is een waar poppareltje. Wat voor Xanadu geldt, geldt eigenlijk ook voor de andere vier tracks op Cinema Songs. In alle gevallen slaagt Sarah Blasko er in om de wat overdadige originelen terug te brengen tot sobere popliedjes vol overtuigingskracht. Cinema Songs valt op door mooie arrangementen, maar het sterkste punt van de EP blijft toch de heerlijke stem van Sarah Blasko. Blasko beschikt over een krachtig en warm stemgeluid dat door het wat rauwe randje heerlijk zwoel klinkt. Het is een stem die zelfs van de slechtste songs ooit geschreven nog iets moois weet te maken en de ambachtelijke maar door overdaad om de zeep geholpen popliedjes op Cinema Songs één voor één omtovert tot prachtliedjes. Cinema Songs is hierdoor een waardevolle aanvulling op het nu al prachtig oeuvre van Sarah Blasko en als je het mij vraagt veel meer dan een aardig tussendoortje. Zeer warm aanbevolen derhalve, net als al het andere werk van deze Australische. Erwin Zijleman

maandag 26 september 2011

Pink Floyd - De psychedelische jaren (1967-1972)

De vorige week verschenen Pink Floyd box Discovery is een ware schatkist, die mijn cd speler maar blijft voeden met geweldige muziek. Ik rekende Pink Floyd tot voor kort tot mijn jeugdzonden en was eigenlijk vergeten hoe goed de band was. Dat geldt zeker voor de psychedelische jaren van pink Floyd, grof gezegd de periode tussen 1967 en 1972. Alle platen uit deze periode zijn overigens ook los verkrijgbaar in een geremasterde versie. 


Het begon voor Pink Floyd allemaal met The Piper At The Gates Of Dawn in 1967. The Piper At The Gates Of Dawn is niet alleen één van de beste platen van Pink Floyd en volgens velen zelfs de beste, maar het is ook een vreemde eend in het oeuvre van de band. The Piper At The Gates Of Dawn is immers de enige Pink Floyd plaat waarop Syd Barrett aan het roer van de band staat. Op de door LSD gebruik beïnvloede plaat maakt Pink Floyd psychedelische rocksongs met een kop en een staart, een enkele uitbarsting daar gelaten. Het gitaarwerk van Syd Barrett klinkt gruiziger dan dat van zijn opvolger David Gilmour en de songs van Barrett zijn speelser en lichtvoetiger dan die van Roger Waters, die na The Piper At The Gates Of Dawn de touwtjes in handen zou krijgen. The Piper At The Gates Of Dawn heeft een enorme invloed gehad op de ontwikkeling van de psychedelische rockmuziek en die invloed werkt tot op de dag van vandaag door. Het is het eerste meesterwerk in de Discovery Box.

Het in 1968 verschenen A Saucerful Of Secrets staat in de boeken als een overgangsplaat en dat is het ook. Op de tweede Pink Floyd plaat hoor je nog veel invloeden van de Syd Barrett songs op het debuut, maar zoekt de band zonder Syd Barrett ook naar nieuwe wegen. De invloed van Syd Barrett, die nog een song voor de plaat schreef, hoor je vooral in de wat kortere tracks, terwijl het nieuwe Pink Floyd zich laat horen in de langere tracks, waarin met name in instrumentaal opzicht stevig geëxperimenteerd mag worden. A Saucerful Of Secrets is een goede plaat, maar het is wat mij betreft geen meesterwerk; iets wat in nog veel sterkere mate geldt voor het in 1969 verschenen More. More is een soundtrack bij een film en laat een nogal onsamenhangend geluid horen. Bij vlagen hoor je mooie dingen, maar als geheel weet More niet te overtuigen.
 
Op Ummagumma (1969) heeft het nieuwe geluid, waarop op A Saucerful Of Secrets werd gezocht, vorm gekregen. Ummagumma bestaat uit een live-plaat vol gloedvolle vertolkingen van oud werk en een studioplaat met nieuw werk. Op de live-plaat hoor je een hecht spelende band die flink wat power toevoegt aan de songs van de eerste twee platen, terwijl op de studioplaat alle Pink Floyd leden hun eigen ding mogen doen, wat varieert van breed uitwaaiende psychedelica tot muzikale hoogstandjes op de vierkante centimeter. Ummagumma is te wisselvallig om van een meesterwerk te spreken, maar het is wel een stap in de goede richting. 
 
Het is een stap die wordt doorgetrokken op het tweede meesterwerk in de box: Atom Heart Mother uit 1970. Atom Heart Mother dankt deze status vooral aan de twee in totaal bijna 40 minuten durende tracks waarmee de plaat opent en afsluit. Het zijn rijk georkestreerde tracks die alle kanten op schieten en waarin geniale momenten elkaar in sneltreinvaart afwisselen. Atom Heart Mother is zeker geen makkelijke plaat, maar voor een ieder die er de tijd voor neemt valt er verschrikkelijk veel te genieten.

Meddle uit 1971 is voor mij de grote verrassing in de Discovery box. Ik kende de plaat eigenlijk nauwelijks, maar reken Meddle inmiddels tot de beste Pink Floyd platen en hierdoor uiteraard tot de meesterwerken in de box. Meddle is een melodieuze plaat die een stuk toegankelijker is dan Atom Heart Mother. De plaat moet wat mij betreft worden gezien als een opstapje naar de grote successen van de band, al is Meddle nog wel wat experimenteler en psychedelischer. Waar op de vorige platen steeds één van de leden van de band het voortouw nam in de verschillende songs, is Meddle meer een bandplaat. Meddle is een plaat die bijzonder aangenaam voortkabbelt, maar op hetzelfde moment blijf je je verbazen over alle muzikale wendingen. Een ieder die de plaat, net als ik, niet zo goed kent, zal zeer aangenaam verrast worden door de torenhoge kwaliteit van Meddle. Het is kwaliteit die weer grotendeels ontbreekt op Obscured By Clouds, de tweede filmsoundtrack van de band. Obscured By Clouds is beter en diverser dan More, maar blijft uiteindelijk toch niet hangen.

Woensdag de jaren van de grootste successen van Pink Floyd (1973-1979). Erwin Zijleman

zondag 25 september 2011

Gotye - Making Mirrors

Mede dankzij de briljante single Somebody I Used To Know is Making Mirrors van Gotye uitgegroeid tot de zomerplaat van 2011, of beter gezegd tot de soundtrack van een zomer die nooit gekomen is. Somebody I Used To Know is minstens net zo’n briljant popliedje als Young Folks van Peter, Bjorn & John een paar jaar geleden was en is er een waarvan we nog jaren plezier gaan hebben. Wat voor Somebody I Used To Know geldt, geldt eigenlijk ook voor de rest van Making Mirrors. De in België geboren, maar in Australië opgegroeide  Wouter (Wally) de Backer heeft een heerlijke plaat vol avontuurlijke popmuziek in elkaar geknutseld. Somebody I Used To Know deed en doet me sterk denken aan de geweldige platen die Peter Gabriel aan het begin van de jaren 80 maakte, maar waar Peter Gabriel hiervoor studio’s vol met op dat moment onbetaalbare apparatuur nodig had, toverde Gotye de bijzondere klanken op Making Mirrors met speels gemak uit een MacBook van nog geen 1000 euro. Making Mirrors staat vol met opvallende geluiden, volle klankentapijten en speelse ritmes, maar in alles wat Gotye doet staat het perfecte popliedje centraal. Making Mirrors is hierdoor een plaat waarop van alles te beleven valt, maar het is ook een plaat vol tijdloze popmuziek waarbij het heerlijk wegdromen is. Making Mirrors leunt nadrukkelijk op muziek uit het verleden en met name op muziek uit de jaren 80, maar klinkt door de unieke klanken die Wouter de Backer uit zijn notebook heeft getoverd vooral eigentijds. Inspiratiebronnen zijn naast de al eerder genoemde Peter Gabriel ook zeker de in de jaren 80 verschenen platen van Steve Winwood, Paul Simon en 10cc, maar Gotye heeft ook goed geluisterd naar zijn voormalige landgenoten van Soulwax en naar een bijna vergeten band als The Art Of Noise. Het is wat mij betreft al een hele knappe prestatie om songs te schrijven die worden vergeleken met die van de hierboven genoemde grootheden, maar wanneer je deze songs ook nog eens weet te voorzien van een behoorlijk uniek en fris en eigentijds geluid ben je als je het mij vraagt een hele grote. Making Mirrors van Gotye is dan ook veel meer dan een leuke zomerplaat voor een zomer die nooit gekomen is, maar een plaat voor alle seizoenen die de popmuziek in 2011 een positieve impuls geeft. Een ieder die de muziek van Gotye nog niet kent, adviseer ik om Making Mirrors met de koptelefoon te beluisteren om je zo optimaal te kunnen verbazen over alle opvallende klanken en spitsvondige wendingen. Vergeet echter niet te genieten, want ook daarvoor is het geweldige Making Mirrors van Gotye zeer geschikt. Erwin Zijleman

vrijdag 23 september 2011

Pink Floyd - Discovery, Box-set

Het is volgend jaar 45 jaar geleden dat The Piper At The Gates of Dawn, het debuut van Pink Floyd, verscheen. Om dat nu alvast te vieren worden alle studioplaten die de band tussen 1967 en 1994 maakte opnieuw uitgebracht; uiteraard fraai geremasterd en mooi verpakt. Iedereen kan zijn eigen favoriet uit het rijke maar overzichtelijke oeuvre van Pink Floyd pikken, maar voor de muzikale veelvraat is er ook Discovery; een mooi uitgevoerd en gunstig geprijsd boxje met 14 Pink Floyd klassiekers en een boekje. Omdat ik de platen van Pink Floyd alleen op vinyl heb, was het behoorlijk lang geleden dat ik voor het laatst naar de muziek van Pink Floyd luisterde, maar Discovery bleek direct een warm bad. Ik had eerlijk gezegd verwacht dat ik de muziek van Pink Floyd inmiddels wel ontgroeid zou zijn, maar dat bleek niet het geval. Integendeel zelfs. Veel platen van de band vind ik veel mooier en indrukwekkender dan ze in mijn herinnering waren. 


Omdat het ondoenlijk is om 14 platen in één recensie te bespreken, kom ik volgende week nog drie keer terug op Discovery. Maandag bespreek ik de psychedelische jaren van Pink Floyd (1967-1972), woensdag sta ik stil bij de grootste successen van de band (1973-1979), terwijl vrijdag de nadagen van Pink Floyd (1980-1994) aan bod komen. Voor een ieder die niet kan wachten alvast de hoofdlijnen, voor de afwisseling gegoten in oneliners:


The Piper At The Gates Of Dawn (1967): “Psychedelisch hoogstandje dat zijn tijd ver vooruit was en de enige Pink Floyd plaat met Syd Barrett aan het roer”. 


A Saucerful Of Secrets (1968): “Transitie van psychedelische songs met een kop en een staart naar complexe spacy tracks met veel muzikaal vuurwerk”.


More (1969): “Ongrijpbare, maar bij vlagen wonderschone, soundtrack bij een vergeten hippiefilm”.


Ummagumma (1969): “Combinatie van een behoorlijk rauwe live-plaat en een studioplaat waarop Pink Floyd stevig experimenteert ”.


Atom Heart Mother (1970): “Een van Pink Floy’s minst toegankelijke, maar ook meest intrigerende, platen gevuld met lange orkestrale psychedelische tracks”.


Meddle (1971): “De meest onderschatte en misschien wel beste Pink Floyd plaat; ook de brug tussen het psychedelische werk van de band en het succes van Dark Side Of The Moon”. 


Obscured By Clouds (1972): “Tweede filmsoundtrack van de band en nauwelijks los te zien c.q. horen van de bijbehorende beelden”.


The Dark Side Of The Moon (1973): “De meest succesvolle plaat van de band en de eerste waarop Pink Floyd een veelheid aan invloeden verwerkt tot een toegankelijk maar avontuurlijk rockgeluid”.


Wish You Were Here (1975): “Pink Floyd’s eerbetoon aan Syd Barrett en hierdoor psychedelischer, stemmiger en atmosferischer dan Dark Side Of The Moon”.


Animals (1977): “Een wat onderschatte Pink Floyd klassieker waarop Roger Waters de macht grijpt met een serie aardedonkere maar bloedstollend mooie songs”.


The Wall (1979): “De krankzinnige, narcistische maar ook intrigerende en betoverende rockopera van Pink Floyd”.


The Final Cut (1983): “Door de critici gekraakte, maar bij vlagen overtuigende, plaat die zich laat beluisteren als een Roger Waters soloplaat”.


A Momentary Lapse Of Reason (1987): “De eerste Pink Floyd plaat zonder Roger Waters vol grootse en atmosferische rocksongs met geweldig gitaarwerk”.


The Division Bell (1994): “De laatste stuiptrekking van Pink Floyd met stadionrock maar ook interessante verwijzingen naar het verre muzikale verleden van de band”.


Persoonlijke favoriet van het moment: Meddle
Algemene indruk van Discovery: A must have
De komende weken veelvuldig in de cd speler: The Piper At The Gates Of Dawn, Atom Heart Mother, Meddle, Wish You Were Here
Negeren: de soundtracks en The Division Bell


.. wordt vervolgd ..


Erwin Zijleman

donderdag 22 september 2011

Tori Amos - Night Of Hunters

Tori Amos is vorige maand 48 jaar geworden, maar ziet er op de cover van haar nieuwe plaat Night Of Hunters uit als het jongere zusje van Britney Spears. Het is weliswaar een knap staaltje Photoshoppen, maar persoonlijk krijg ik het er niet warm of koud van. Dat gold ook voor veel van de platen die de Amerikaanse singer-songwriter het afgelopen decennium heeft gemaakt. Slecht waren ze nooit, maar het hoge niveau van haar meesterwerken Little Earthquakes en Under The Pink werd nooit gehaald of zelfs maar benaderd. Night Of Hunters is de eerste plaat van Tori Amos voor het legendarische label Deutsche Grammophon en het is een behoorlijk ambitieuze plaat geworden. Op Night Of Hunters laat Tori Amos zich inspireren door en citeert ze uit het werk van een groot aantal klassieke componisten, onder wie Bach, Debussy, Satie, Schubert en Mendelssohn. Het levert 14 prachtig georkestreerde en klassiek aandoende songs op. De arrangementen van John Philip Shenale pakken flink uit met blazers, strijkers en andere klassieke instrumenten, maar heel opdringerig is deze volle orkestratie op een enkele uitbarsting na niet. In alle tracks staan de piano en de stem van Tori Amos centraal en hierdoor klinkt Night Of Hunters, ondanks alle klassieke opsmuk, als een typische Tori Amos plaat. Het is niet alleen een typische Tori Amos plaat, maar ook een hele overtuigende Tori Amos plaat. Op Night Of Hunters klinkt Tori Amos net zo gedreven als op de hierboven genoemde meesterwerken en levert ze een aantal songs af die behoren tot het beste dat ze tot dusver heeft gemaakt. Door het klassieke karakter van Night Of Hunters mist de plaat het ruwe randje van haar eerste twee platen, maar dit wordt gecompenseerd door flink wat extra doorleving en het werkelijk prachtige geluid op de plaat. Night Of Hunters bevat ook nog wel een aantal verrassingen, waarvan de vocalen van het nichtje en vooral de dochter van Tori Amos wat mij betreft het meest opvallen. Met name dochter Natashya Hawley, als ik het goed heb gezien pas 11 jaar oud, maakt indruk met vocalen die ik in eerste instantie aan Adele had toegeschreven. Ook moederlief is overigens uitstekend bij stem en zorgt meer dan eens voor heel veel kippenvel. Nadat ik de eerste verhalen over Night Of Hunter had gelezen was ik sceptisch, maar mijn scepsis heeft inmiddels plaats gemaakt voor diepe bewondering voor een plaat die absoluut moet worden gerekend tot de hoogtepunten uit het oeuvre van Tori Amos. Flink wat mensen hebben Tori Amos de afgelopen jaren al afgeschreven, maar de wraak van de Amerikaanse is zoet. Bitterzoet. Erwin Zijleman

woensdag 21 september 2011

The Waterboys - An Appointment With Mr. Yeats

Het is pas een paar maanden geleden dat ik In A Special Place van The Waterboys besprak en nu ligt er al weer een nieuwe plaat van de band rond Mike Scott in de winkel. A Special Place stond vol stokoude demo’s van de bands’s beste plaat, This Is The Sea uit 1985, maar bleek verassend goed. Hetzelfde geldt eigenlijk voor de gloednieuwe Waterboys plaat, An Appointment With Mr. Yeats. De gedichten van Ierland’s beroemdste dichter, William Butler Yeats, vormden de basis voor de songs op de nieuwe Waterboys plaat. Hiermee gaat een lang gekoesterde wens van Mike Scott in vervulling. Scott ging op een aantal Waterboys platen en soloplaten al aan de haal met het werk van Yeats, maar vult nu een hele cd met de poëzie van de dichter die leefde tussen 1865 en 1939. Het gebruik van gedichten als songteksten klinkt erg pretentieus, maar dat valt in de praktijk gelukkig erg mee. Ondanks het feit dat Mike Scott in zijn uppie op de cover staat en een stevig aandeel had in het tot stand komen van de plaat, is An Appointment With Mr. Yeats een echte Waterboys plaat. In muzikaal opzicht is de plaat een bloemlezing van alle soorten muziek die de band sinds de vroege jaren 80 heeft gemaakt, wat betekent dat er plaats is voor zowel intieme folksongs als voor de wat stevigere en soms behoorlijk bombastische rocksongs. Dit alles is voorzien van het uit duizenden herkenbare en met flink wat instrumenten opgetuigde Waterboys geluid. In tekstueel opzicht is het wel even wennen, maar mede gezien Mike Scott’s gedreven en herkenbare voordracht, klinkt het gebruik van de gedichten van Yeats zeker niet gekunsteld. Het is heel lang geleden dat ik zo heb genoten van een Waterboys plaat met nieuw materiaal. Wanneer ik door het stapeltje Waterboys platen in de kast loop, moet ik terug tot het uit 1990 stammende Room To Roam voor een Waterboys plaat die net zoveel indruk maakt als An Appointment With Mr. Yeats en dat is een knappe prestatie van Mike Scott en de zijnen. An Appointment With Mr. Yeats is net als veel van zijn voorgangers een gevarieerde plaat, maar waar het heilige vuur de afgelopen jaren wat gedoofd leek, brandt dit op de nieuwe plaat weer in volle hevigheid. An Appointment With Mr. Yeats is niet alleen de beste Waterboys plaat in meer dan 20 jaar, maar ook één van de hoogtepunten uit het rijke oeuvre van de band. Net als In A Special Place verplichte kost voor een ieder die de muziek van The Waterboys een warm hart toedraagt of heeft toegedragen. Erwin Zijleman

dinsdag 20 september 2011

Ane Brun - It All Starts With One

De oorspronkelijk uit Noorwegen afkomstige, maar al jaren in Zweden woonachtige singer-songwriter Ane Brun, debuteerde al weer acht jaar geleden met het veelbelovende Spending Time With Morgan; een fraai eerbetoon aan haar akoestische gitaar. Sindsdien heeft ze op al haar volgende platen de nodige muzikale en persoonlijke groei laten horen en dat doet Ane Brun ook weer op haar vierde studioplaat plaat It All Starts With One. Ane Brun doet dat voor de afwisseling eens niet door de verdieping te zoeken, maar kiest dit keer voor verbreding. Dat viel direct op bij beluistering van de single die het album enkele weken geleden vooruit snelde. Do You Remember is voor de afwisseling eens geen sobere en van melancholie overlopende Ane Brun song, maar een bijna vrolijk popliedje met rijke orkestraties, speelse percussie en de verleidelijke achtergrond vocalen van de Zweedse folkies van First Aid. It All Starts With One bevat meer van dit soort songs, waaronder een aangenaam duet met José González, maar gelukkig ook flink wat songs die voldoen aan de verwachtingen die we inmiddels van Ane Brun hebben. Hoewel hier en daar wel wat kritiek is te horen op de nieuwe wegen die Ane Brun op It All Starts With One inslaat, bevalt de nieuwe koers van de Scandinavische singer-songwriter me wel. De vorige albums van Ane Brun waren prachtig, maar lagen ook wel wat zwaar op de maag, waardoor ik ze over het algemeen in kleine porties tot me nam. It All Starts With One is daarentegen een plaat die je makkelijk in zijn geheel kunt beluisteren en waarop wat zwaardere gerechten worden afgewisseld met smakelijke appetizers. In de laatste categorie vind je de songs die zijn voorzien van een veel voller geluid met een belangrijke rol voor piano, orgel en percussie, maar gelukkig grijpt Ane Brun ook nog een paar keer naar haar akoestische gitaar voor een bijna verstilde song die door je ziel snijdt. Door de afwisseling tussen het zwaardere werk en meer lichtvoetige songs, vind ik It All Starts With One persoonlijk de beste van de zeven platen die Ane Brun tot dusver heeft gemaakt (naast vier studioplaten bracht de Noorse Zweedse ook nog twee live-platen en een plaat met duetten uit) en dat op een moment dat de plaat nog zeker niet is gestopt met groeien. It All Starts With One laat horen dat Ane Brun meer dan één trucje beheerst en durft te experimenteren. Ik durf dan ook wel te voorspellen dat er nog veel betere platen in het verschiet liggen. Met It All Starts With One heeft Ane Brun echter nu al definitief een plekje vergaard tussen de smaakmakers in het genre. Erwin Zijleman

maandag 19 september 2011

dEUS - Keep You Close

Hoewel dEUS gedurende haar twintigjarig bestaan nog geen slechte plaat heeft gemaakt, waren Pocket Revolution uit 2005 en met name Vantage Point uit 2008 toch wel een stuk minder dan dEUS meesterwerken als Worst Case Scenario (1994), In a Bar, Under The Sea (1996) en The Ideal Crash (1999). Met het deze week verschenen Keep You Close kan dEUS zich revancheren voor de net wat zwakkere voorgangers en de band rond Tom Barman doet dit als je het mij vraagt op indrukwekkende wijze. Keep You Close is aan de ene kant een echte dEUS plaat, maar laat aan de andere kant een geluid horen dat we nog niet heel vaak van de band uit Antwerpen hebben gehoord. Om met het eerste te beginnen, ook op Keep You Close grossiert dEUS weer in wat langere tracks (vaak rond de 5 minuten) die vol verrassende wendingen zitten en waarin de spanningsboog altijd strak gespannen staat. Keep You Close is net als zijn voorgangers een plaat die boordevol dynamiek zit en waarop lieflijke passages zomaar om kunnen slaan in een bombastische uitbarsting van geluid. Op hetzelfde moment klonk dEUS Nog niet eerder zo lichtvoetig en zo warm als op Keep You Close. De muziek van dEUS was in het verleden vaak een kolkende rivier die de luisteraar ruw meesleurde en bijna verzoop, maar op Keep You Close is eerder sprake van een kabbelend beekje waarin wel zo af en toe een draaikolk of een gemeen bijtende vis op kan duiken. Keep You Close lijkt hierdoor op het eerste gehoor wat minder spannend dan de eerste drie platen van dEUS, maar blijkt na enige gewenning een prima plaat vol verrassingen, die duidelijk meer overtuigt dan de twee voorgangers waarop Keep You Close voortborduurt. Waar in het verleden het experiment voorop stond bij dEUS, is Keep You Close, net als Pocket Revolution en Vantage Point, een plaat met rocksongs met een kop en een staart, waarin alleen het aantal poten nog wel eens af kan wijken van hetgeen dat gebruikelijk is. Hoewel ik het experiment van dEUS altijd zeer kon waarderen, bevalt de wat toegankelijkere aanpak me wel. De muziek van dEUS is nog altijd ver verwijderd van de mainstream en weet de fantasie hierdoor meer dan voldoende te prikkelen, maar verwarmt ondertussen ook het hart met aangename songs. dEUS maakt op Keep You Close misschien wat meer doorsnee rockmuziek, maar het is wel rockmuziek die zich weet te onderscheiden door de enorme dynamiek, het ruim aanwezige avontuur en de heerlijke vocalen van Tom Barman. Misschien nog wel indrukwekkender is de prachtige en gevarieerde instrumentatie, met een hoofdrol voor stevig aangezette strijkers, onnavolgbare ritmes en het werkelijk geweldige gitaarwerk van Mauro Pawlowski. Uiteindelijk is er maar één conclusie mogelijk: dEUS heeft met Keep You Close een plaat gemaakt die veel beter is dan de platen die de band de afgelopen tien jaar heeft uitgebracht en zich kan meten met de meesterwerken van de band uit de jaren 90. Geweldige plaat. Punt. Erwin Zijleman

zondag 18 september 2011

June Tabor & Oysterband - Ragged Kingdom

June Tabor behoort zonder enige twijfel tot de kroonjuwelen van de Britse folk, al lijken we ons dat in Nederland nog steeds niet te beseffen. Tabor timmert sinds de tweede helft van de jaren 70 stevig aan de weg en heeft inmiddels een kleine twintig platen op haar naam staan. Deze platen zijn van een akelig constant niveau en laten stuk voor stuk horen dat June Tabor beschikt over één van de mooiste stemmen uit de Britse folk. Na een aantal ingetogen folk platen, waaronder het eerder dit jaar verschenen en verrassend sterke Ashore, kiest June Tabor op Ragged Kingdom voor de samenwerking met de Britse folk-rockers van Oysterband. Ze doet dit niet voor de eerste keer, want in 1990 verscheen al het destijds door de critici bejubelde, maar door folk-puristen verguisde Freedom And Rain; een plaat met voornamelijk traditionals en covers in een destijds voor June Tabor nieuw elektrisch versterkt jasje. De samenwerking tussen June Tabor en Oysterband smaakte destijds volgens de critici naar meer en dat meer is er na 21 jaar eindelijk gekomen. Ragged Kingdom is een afwisselende plaat met zowel meer ingetogen folksongs als net wat uitbundigere folk-rock. Ik kan me eigenlijk niet voorstellen dat Ragged Kingdom net zoveel stof zal doen opwaaien als Freedom And Rain twee decennia geleden deed. We zijn inmiddels immers wel gewend aan muziek die de standaard hokjes overstijgt en bovendien zijn de mannen van Oysterband hun wilde haren inmiddels wel kwijt en passen ze eigenlijk perfect bij alle folk varianten waar June Tabor mee overweg kan. Ook Ragged Kingdom bevat weer een mix van eigen songs, traditionals en covers. In de laatste categorie verrassen June Tabor en haar gelegenheidsband met fraaie interpretaties van PJ Harvey’s That Was My Veil en Bob Dylan’s Seven Curses, maar het prijsnummers is als je het mij vraagt de prachtige ingetogen vertolking van Joy Division’s Love Will Tear Us Apart, dat dankzij de werkelijk prachtige stem van June Tabor behoort tot de mooiste versie die ik van deze klassieker ken. Het is de kers op de taart die onderstreept dat de hernieuwde samenwerking tussen June Tabor en Oysterband zeer geslaagd is en wederom naar meer smaakt. In de tussentijd kijken we ook uit naar de volgende soloplaat van een vrouw die behoort tot de groten uit de Britse folk, maar in tegenstelling tot vrijwel al haar tijdgenoten ook in 2011 muziek nog maakt die er tot doet. Dat bewees Tabor begin dit jaar met Ashore en doet ze nu nog eens dunnetjes over met het overtuigende Ragged Kingdom. Erwin Zijleman

vrijdag 16 september 2011

Superheavy - Superheavy

In de jaren 70 was het een bekend fenomeen, de “supergroep”. Meerdere muzikanten van naam en faam bundelden, vaak eenmalig, hun krachten voor het opnemen van een plaat, die vervolgens met heel veel bombarie werd gelanceerd. Uit ervaring weet ik dat de platen van deze supergroepen vrijwel altijd enorm tegen vielen. 1+1 werd eigenlijk nooit 3, was maar zelden 2 en kwam meestal uit op 1 of zelfs nog lager. Ik heb me de afgelopen maanden dan ook nauwelijks verheugd op het debuut van de nieuwe supergroep Superheavy; de band met niemand minder dan Mick Jagger, Dave Stewart, Joss Stone, Damian Marley en Bollywood componist A. R. Rahman in de gelederen. Ondanks mijn lage verwachtingen was ik stiekem toch ook wel nieuwsgierig naar de verrichtingen van Superheavy, mede omdat Dave Stewart en Joss Stone onlangs een prima cd uitbrachten, Stewart zich ook nog eens meerdere malen liet gelden als producer (naast de cd van Joss Stone en zijn eigen plaat produceerde hij ook de uitstekende nieuwe cd van Stevie Nicks) en A.R. Rahman een vreemde eend in de bijt is die altijd voor een verrassing kan zorgen. Het debuut van Superheavy zit inmiddels enkele dagen in de cd speler en valt me absoluut niet tegen. Waar supergroepen in het verleden vaak niet overweg konden met botsende ego’s, hoor je aan het debuut van Superheavy dat de plaat met heel veel plezier is gemaakt en dat alle leden van de band hun best hebben gedaan om een zo aantrekkelijk mogelijk gezamenlijk resultaat neer te zetten. 1+1+1+1+1 is daarom deze keer minstens 5 of 6 en misschien zelfs wel 7 of 8. Wanneer je naar het debuut van Superheavy luistert vallen meerdere dingen op. Allereerst bevat de plaat toegankelijke songs met invloeden uit de pop, rock, reggae en soul, die vaak een zomers karakter hebben en ook nog eens lekker blijven hangen. Hiernaast wordt er op de plaat prima gemusiceerd, met een hoofdrol voor het fraaie gitaarwerk van Dave Stewart en de opvallende accenten uit de Indiase muziek van A.R. Rahman. Wat uiteindelijk het meest opvalt zijn echter de geweldige vocalen. Dat Joss Stone lekker soulvol kan zingen is bekend, maar waar ze op haar eigen platen nog wel eens door wil slaan in kunstjes, vervult ze op het debuut van Superheavy op bijzonder verdienstelijke wijze een ondersteunende rol. Het is vooral Mick Jagger die hier van profiteert. Jagger trekt, zoals je op basis van zijn muzikale verdiensten ook zou verwachten, de meeste aandacht op deze plaat en zingt beter dan ik hem de afgelopen jaren of misschien wel decennia heb horen zingen. Met een frisse, zomerse en toch ook eigenzinnige sound, gedreven spelende muzikanten en vocalisten van het niveau van Joss Stone en Mick Jagger kun je eigenlijk geen slechte plaat maken, maar ook de middelmaat ontstijgt Superheavy met speels gemak. Of Superheavy een plaat heeft gemaakt die er over een jaar, tien jaar of twintig jaar nog toe doet durf ik niet te voorspellen, maar op het moment moet het debuut van de band absoluut worden gerekend tot de smaakmakers en dat heeft een supergroep volgens mij nog nooit eerder weten te bereiken. Erwin Zijleman

donderdag 15 september 2011

Howling Bells - The Loudest Engine

Wat leverde het van oorsprong Australische Howling Bells al weer vijf jaar geleden een prachtig debuut af. Het titelloze debuut van de band stond vol met even zwoele als duistere muziek, die het beste van Slowdive, Mazzy Star, My Bloody Valentine en The Velvet Underground leek te verenigen en net zo makkelijk uit de voeten kon met slowcore, shoegaze en dreampop als met country-noir, psychedelica en indie-rock. Het debuut van Howling Bells was een plaat vol invloeden uit een ver verleden, maar klonk desondanks eigentijds en bij vlagen zelfs vernieuwend, wat de plaat alleen maar extra kracht en magie gaf. Na zo’n geweldig debuut kon de opvolger eigenlijk alleen maar tegen vallen en dat deed het in 2009 uitgebrachte Radio Wars volgens velen dan ook. Zelf vond ik Radio Wars helemaal niet zo’n slechte plaat. Radio Wars was weliswaar wat minder divers en donker dan het zo opvallende debuut, maar de eigenzinnige indie-rock van de band, die dit keer wat meer de kant op ging van bands als Throwing Muses, smaakte wat mij betreft nog altijd naar meer. De derde plaat van de band, The Loudest Engine, werd geproduceerd door Killers bassist Mark Stoermer en klinkt weer anders dan de vorige twee platen van Howling Bells. De elektronisch getinte indie-rock van Radio Wars heeft op The Loudest Engine plaats gemaakt voor een wat rauwer geluid, waarin met name invloeden uit de 60s psychedelica een voorname rol spelen en gelukkig weinig is te horen van de muziek die de werkgever van producer Mark Stoermer maakt. Belangrijkste troef van Howling Bells blijft zangeres Juanita Stein die wederom van vele markten thuis blijkt. Stein kan net zo’n rauwe strot open trekken als PJ Harvey, is net zo zwoel als Hope Sandoval, maar klinkt ook net zo makkelijk als Grace Slick, k.d. lang, Kate Bush, Florence of Siouxsie Sioux, om maar een paar namen te noemen. Het maakt van The Loudest Engine een veelzijdige plaat met voor elk wat wils. Toch is The Loudest Engine zeker geen makkelijke plaat. In eerste instantie klinkt de muziek van Howling Bells op The Loudest Engine wat gedateerd, vlak en soms zelfs wat saai en het duurt even voor de licht gruizige psychedelische tracks vorm en kleur krijgen. Het hier en daar opduikende oordeel dat Howling Bells dit keer plat op de bek gaat, blijkt na enige gewenning veel te makkelijk en bovendien onterecht. Zo goed als het debuut is de derde van Howling Bells zeker niet, maar inmiddels vind ik de plaat toch een stuk sterker dan Radio Wars en is wat mij betreft absoluut sprake van een krent in het momenteel overdadige aanbod pop, al is het maar vanwege de geweldige stem van Juanita Stein en het geweldige gitaarwerk op deze plaat. Erwin Zijleman

woensdag 14 september 2011

Marten de Paepe - Boskoop

Er zijn al flink wat platen die zijn vernoemd naar een stad of dorp. Dylan maakte Nashville Skyline, Paul McCartney London Town, Lou Reed New York, Roy Orbison Memphis en zo kan ik nog wel even doorgaan. De Nederlandse singer-songwriter Marten de Paepe koos voor de titel van zijn tweede plaat geen grote metropool of muziekstad van historische betekenis, maar week uit naar een klein dorp in het Groene Hart. Ik ken Boskoop vooral als een wat saai dorp vol boomkwekers, maar vanaf nu is het Zuid-Hollandse dorp voor mij toch vooral verbonden met Marten de Paepe. Met Boskoop heeft Marten de Paepe, die overigens uit Amersfoort komt, een bijzonder knappe plaat afgeleverd. Boskoop is naar verluid geïnspireerd door een optreden in een desolate kas in ... juist, Boskoop, en de muziek van de Paepe’s muzikale helden Nick Drake en Neil Young. Het is een bijzonder stemmige plaat geworden, die wat mij betreft niet direct associaties oproept met de met de koude grond van Boskoop. Marten de Paepe maakt Amerikaans klinkende muziek die steeds weer andere beelden uit het Zuiden van de Verenigde Staten op het netvlies tovert, variërend van een verlaten schuur in de woestijn tot een veranda aan de oevers van de Mississippi. Boskoop is een behoorlijk sobere plaat. In de meeste songs staan het ingetogen gitaarspel van Marten de Paepe en Johan Borger (die eerder dit jaar overigens zelf zeer verdienstelijk debuteerde met het fraaie Sometimes) en de mooie stem van Marten de Paepe centraal. Boskoop is uiterst sober, maar zeker niet saai. De ruimtelijke gitaarlijnen geven de plaat een onderhuidse spanning, die prachtig past bij de sfeer op de plaat en de gevoelige vocalen van Marten de Paepe en winnen alleen maar aan kracht door de slechts spaarzame accenten van de ritmesectie, de pedal steel van Johan Borger, het harmonium van Chantal van der Leest en haar mooie en trefzekere achtergrondvocalen. De songs op Boskoop doen inderdaad wel wat denken aan die van Nick Drake en Neil Young, maar het noemen van wat andere grote singer-songwriters is minstens even treffend. Marten de Paepe maakt op Boskoop tijdloze singer-songwriter muziek, die op zich niet veel toevoegt aan alles wat in dit genre al gemaakt is, maar zijn songs zijn wel zo mooi dat je blijft luisteren en de ene na de andere track je dierbaar wordt. Er verschijnen wekelijks stapels platen van singer-songwriters. Jong of oud, van naam en faam of volstrekt onbekend, afkomstig uit alle uithoeken van de wereld en stevig gepromoot of aangewezen op mond op mond reclame. Marten de Paepe vist daarom met Boskoop in een overvolle vijver, maar als je het mij vraagt heeft hij beet. Boskoop is een hele mooie singer-songwriter plaat van internationale klasse. Zegt het voort. Erwin Zijleman

dinsdag 13 september 2011

Laura Marling - A Creature I Don't Know

Bijna anderhalf jaar geleden voorspelde ik op deze site dat we nog veel plezier zouden gaan hebben van Laura Marling. De aanleiding voor deze uitspraak was de release van haar tweede cd I Speak Because I Can, die vergeleken met haar in brede kring bejubelde debuut Alas I Cannot Swim een wat voller geluid liet horen. Dat vollere geluid is gebleven op Laura Marling’s derde plaat, A Creature I Don’t Know, maar desondanks klinkt de derde van Laura Marling weer anders dan zijn voorganger. A Creature I Don’t Know is een behoorlijk donkere plaat, waarop betrekkelijk sobere folksongs worden afgewisseld met voller klinkende songs. De sobere folksongs kennen we inmiddels wel van Laura Marling, al waren ze nog niet eerder zo donker en indringend. In de wat voller klinkende songs kiest Laura Marling dit keer voor een wat meer jazzy geluid, wat onmiddellijk de associatie oproept met de muziek van de jonge Joni Mitchell; een associatie die overigens ook bij beluistering van Alas I Cannot Swim en I Speak Because I Can nauwelijks te onderdrukken viel. A Creature I Don’t Know werd net als I Speak Because I Can geproduceerd door de van Ryan Adams bekende Ethan Johns, die in de persoon van Laura Marling een nieuw wonderkind heeft gevonden. Laura Marling is pas 21, maar maakt op A Creature I Don’t Know muziek die op geen enkele manier bij haar leeftijd past. Net als de jonge Bob Dylan en de al eerder genoemde jonge Joni Mitchell is Laura Marling in muzikaal opzicht jaren ouder dan ze in werkelijkheid is en beschikt ze over een stemgeluid dat nu al rijk en doorleefd klinkt. A Creature I Don’t Know is hierdoor een volwassen en bij vlagen complexe plaat met stemmige en soms bijna dreigende songs die vol geheimen zitten. Net als op haar vorige twee platen verleidt Laura Marling het makkelijkst met betrekkelijk ingetogen folksongs, maar ook de voller klinkende songs die prachtig zijn aangekleed met cello, violen, trompet, piano, drums en banjo weten steeds nadrukkelijker te overtuigen. Laura Marling heeft op A Creature I Don’t Know niet alleen in muzikaal opzicht een flinke sprong gemaakt, maar klinkt ook in tekstueel opzicht volwassener. A Creature I Don’t Know is een bijna poëtische plaat, die niet altijd even makkelijk te doorgronden is, maar uiteindelijk heel veel indruk maakt. Een paar jaar geleden twijfelde ik nog of Laura Marling zich wel zou kunnen onderscheiden van al haar concurrenten in dit overvolle genre, maar inmiddels is ze alle concurrenten voorbij gestreefd en, zeker in haar leeftijdscategorie, een klasse apart. Wat mij betreft de beste van Laura Marling tot dusver, maar volgens mij heeft ze top van haar kunnen nog lang niet bereikt. Erwin Zijleman

maandag 12 september 2011

Tom Russell - Mesabi

De Amerikaanse singer-songwriter Tom Russell maakt al sinds het begin van de jaren 70 platen, maar ik ken hem eigenlijk pas een paar jaar. Met het prachtige Love And Fear uit 2006, het minstens even mooie en met Gretchen Peters gemaakte One To The Heart, One To The Head uit 2008 en het ware meesterwerk Blood And Candle Smoke uit 2009, schaarde Russell zich wat mij betreft onder de smaakmakers van het genre, waardoor ik met hoge verwachtingen uitkeek naar de man’s nieuwe plaat. Deze ligt inmiddels in de winkel, luistert naar de titel Mesabi en is net als zijn voorganger(s) van een bijzonder hoog niveau. Een blik op de credits leert me dat ik niet de enige ben die Tom Russell de afgelopen jaren heeft omarmd. Op Mesabi laat de vanuit de Texaanse woestijn opererende singer-songwriter zich bijstaan door flink wat muzikanten van naam en faam onder wie Van Dyke Parks, Lucinda Williams en leden van Calexico. Deze hebben allemaal invloed op de muziek van Tom Russell, maar uiteindelijk is het toch weer Russell zelf die de meeste aandacht naar zich toe weet te trekken. Tom Russell begon zijn carrière ooit met het schrijven van songs voor anderen (onder andere Johnny Cash, Guy Clark en k.d. lang) en heeft zich sindsdien alleen maar verder ontwikkeld als songwriter. Mesabi bevat hierdoor alleen maar songs van een bijna onwaarschijnlijk hoog niveau. Het zijn songs die in tekstueel opzicht uitblinken door het vertellen van prachtige verhalen, maar ook in muzikaal opzicht valt er verschrikkelijk veel te genieten. Mesabi werd gedurende een langere periode en op meerdere plekken opgenomen en is hierdoor een lekker afwisselende plaat. Tom Russell en een bijzonder hecht en geïnspireerd spelende band schakelen moeiteloos tussen grootse en bijzonder vol klinkende rootsrock die bijna aan Springsteen doet denken, uiterst sobere folksongs, van melancholie overlopende ballads en traditioneel klinkende countrysongs waarin flink wat invloeden uit de traditionele Texaanse en Mexicaanse muziek zijn verwerkt. Van het hele arsenaal aan beroemde gastmuzikanten trekken de Mariachi trompetten van Calexico’s Jacob Valenzuela de meeste aandacht, maar de meest indrukwekkende songs moeten het doen met het sobere akoestische gitaarspel van Tom Russell en zijn doorleefde en vaak wat getergd klinkende stem. Mesabi is geen plaat om vrolijk van te worden, maar wat is het mooi. Dat Tom Russell niet alleen zelf geweldige songs pent, maar ook uit de voeten kan met het werk van anderen, bewijst hij met de samen met Lucinda Williams gemaakte versie van Dylan’s klassieker A Hard Rain's A-Gonna Fall. Het is slechts één van de vele hoogtepunten op deze prachtige plaat van Tom Russell, die bezig lijkt met het maken van een serie memorabele platen, waarvan Mesabi misschien wel de beste is. Erwin Zijleman

zondag 11 september 2011

Ry Cooder - Pull Up Some Dust And Sit Down

Ry Cooder wordt volgend jaar 65 en kan nu al terug kijken op een imposante loopbaan als muzikant. Cooder is als gitarist te horen op talloze legendarische platen (waaronder klassiekers van The Rolling Stones en Captain Beefheart), stond aan de wieg van de Buena Vista Social Club en de doorbraak van Ali Farka Touré en heeft inmiddels een omvangrijk oeuvre opgebouwd. Het rijtje Ry Cooder in mijn platenkast is desondanks maar een paar centimeter breed, wat niet los kan worden gezien van de wisselvalligheid van de platen die Ry Cooder de afgelopen 40 jaar heeft uitgebracht. Ry Cooder maakte zijn beste platen aan het begin van de jaren 70 (waaronder de klassiekers Into The Purple Valley uit 1971 en Paradise And Lunch uit 1974), ging hierna wat meer de jazz-kant op om zich vervolgens lange tijd te beperken tot het maken van filmsoundtracks waarvan, een enkele uitzondering daargelaten (denk maar eens aan het prachtige Paris, Texas), weinig overbleef wanneer de muziek het zonder de bijbehorende beelden moest doen. De laatste jaren is Ry Cooder echter weer in zeer goede doen. Het in 2005 verschenen Chavez Ravine moet worden gerekend tot zijn beste platen en ook My Name Is Buddy uit 2007 en iets mindere mate I, Flathead uit 2008 waren absoluut de moeite waard. Ook het deze week verschenen Pull Up Some Dust And Sit Down is weer een plaat waarvoor Ry Cooder zich niet hoeft te schamen. In tegenstelling tot zijn als een trilogie gepresenteerde vorige drie platen, is Pull Up Some Dust And Sit Down geen conceptalbum, al schuwt Ry Cooder ook dit keer het doen van maatschappijkritische of politieke uitspraken niet en krijgen vooral bankiers en de Amerikaanse legertop de volle laag. Vergeleken met Chavez Ravine is Pull Up Some Dust And Sit Down een minder urgente plaat die af en toe een wat hap snap indruk maakt. Ook op zijn nieuwe plaat bestrijkt Ry Cooder een zo breed mogelijk palet van de Amerikaanse rootsmuziek en maakt hij zowel modern klinkende als stokoude muziek. Urgent of niet, Pull Up Some Dust And Sit Down klinkt erg lekker. In eerste instantie zijn het vooral de up-tempo Tex Mex songs die je weten te verleiden, al is het maar vanwege de geweldige teksten, maar vervolgens palmt de ene na de andere song je in. Het gitaarwerk is zoals altijd subliem en ook in vocaal opzicht maakt Ry Cooder op zijn nieuwe plaat veel indruk. Pull Up Some Dust And Sit Down is misschien niet zijn beste werk en zeker ook niet zijn meest constante plaat, maar is wel van een niveau dat voor flink wat muzikanten in het genre onbereikbaar is en ook onbereikbaar zal blijven. Een Ry Cooder plaat is nog altijd als een hele goede fles rode wijn. Even vraag je je af wat er zo bijzonder aan is en geef je zelfs de voorkeur aan een doorsnee flesje, maar na enige gewenning komen de smaak en de kracht aan de oppervlakte. Prima plaat weer van deze oude meester. Erwin Zijleman

vrijdag 9 september 2011

Candi Staton - Evidence

Candi Staton was lange tijd alleen bekend vanwege de discohits die ze tijdens de tweede helft van de jaren 70 scoorde en waarvan Young Hearts Run Free waarschijnlijk de bekendste is, maar dankzij een prima titelloze verzamelaar uit 2004 werd ook de muziek die ze aan het eind van de jaren 60 en het begin van de jaren 70 maakte weer onder de aandacht gebracht. Door het succes van deze verzamelaar werd Candi Staton niet alleen alsnog geschaard onder de parels van de Southern soul, maar maakte ze ook een succesvolle comeback met het fraaie His Hands uit 2006 en het even overtuigende Who’s Hurting Now uit 2009. Het uit twee cd’s bestaande Evidence duikt nog wat dieper in de archieven van het fameuze Fame Records en bevat zo ongeveer alle tracks die Candi Staton tussen 1968 en 1973 voor dit label maakte. Evidence overlapt hierdoor voor een belangrijk deel met Candi Staton uit 2004, maar voegt ook heel veel bijzonder waardevolle tracks toe, waaronder flink wat tracks die nog niet eerder zijn uitgebracht. Wat in 2004 nog als een enorme verrassing kwam, mag inmiddels als bekend worden verondersteld, maar toch werd ik bij beluistering van Evidence weer verrast door de torenhoge kwaliteit van de muziek van Candi Staton. Evidence laat een soulzangeres horen die invloeden uit de vintage soul combineert met invloeden uit de Southern soul, blues, gospel en country en dit doet met een stem die zich kan meten met die van de allergrootsten uit het genre. De samenstellers van Evidence hebben geen selectie gemaakt van het beste werk van Candi Staton, maar hebben iedere track die ze konden vinden een plekje gegeven. Desondanks klinken beide cd’s bijzonder urgent en levert het zoeken naar een zwakke track geen resultaat op. Evidence laat zich beluisteren als een klassieke soulplaat. Hoewel ik zeker niet vies ben van Neo-soul, heeft de klassieke soul van Candi Staton toch iets dat ontbreekt op de platen van de meeste jonge souldiva’s. Wat het is weet ik niet precies, maar ik vermoed dat het iets te maken heeft met authenticiteit, passie en doorleving. Het zijn drie dingen die volop aanwezig zijn op het prachtige Evidence, dat ik nu al wel durf uit te roepen tot de beste soulverzamelaar van het jaar. Erwin Zijleman

donderdag 8 september 2011

Lindsey Buckingham - Seeds We Sow

Dat Lindsey Buckingham behoort tot de belangrijkste muzikanten uit de geschiedenis van de popmuziek valt wat mij betreft niet te betwisten. Buckingham verschafte zich via het samen met Stevie Nicks gemaakte Buckingham Nicks toegang tot Fleetwood Mac en vormde deze wat gezapige band binnen een paar jaar om tot één van de meest invloedrijke bands aller tijden. Klassiekers als Rumours en Tusk waren er niet gekomen zonder de bijdrage van Lindsey Buckingham en het is waarschijnlijk niet overdreven om te stellen dat de popmuziek van vandaag de dag anders had geklonken zonder het baanbrekende werk van Lindsey Buckingham. Ondanks zijn enorme staat van dienst wordt Lindsey Buckingham’s solowerk over het algemeen niet erg serieus genomen. Hiermee doen we de solocarrière van Lindsey Buckingham als je het mij vraagt flink tekort. Het stapeltje soloplaten dat hij sinds het begin van de jaren 80 heeft gemaakt bevat geen zwakke schakel en laat goed horen hoeveel invloed Lindsey Buckingham heeft gehad op het geluid van Fleetwood Mac. De afgelopen jaren worden de soloplaten van Lindsey Buckingham alleen maar beter. Het in 2008 verschenen Gift Of Screws vond ik tot voor kort Buckingham’s beste soloplaat tot dusver, maar het onlangs verschenen Seeds We Sow is nog beter. Ook Seeds We Sow laat zich weer beluisteren als een eigentijdse versie van Rumours of Tusk, al is de muziek van Lindsey Buckingham wel wat complexer, avontuurlijker en hierdoor iets minder toegankelijk dan die van Fleetwood Mac. Seeds We Sow bevat een collectie geweldige songs. Het zijn songs die dankzij de vocalen en het geweldige gitaarspel van Lindsey Buckingham onmiddellijk aan Fleetwood Mac doen denken, al klonk de muziek van Fleetwood Mac nooit zo intens en intiem als die op Seeds We Sow. Lindsey Buckingham was tot dusver op zijn soloplaten niet vies van een groots en gepolijst rockgeluid, maar kiest op Seeds We Sow voor een soberder en meer ingetogen geluid. Seeds We Sow werd opgenomen bij Lindsey Buckingham thuis en werd door hem zelf geproduceerd. Verwacht nu geen huis-, tuin- en keukenvlijt, want Seeds We Sow klink werkelijk fantastisch. Veel songs op de plaat moeten het doen met het gitaarspel van Lindsey Buckingham en zijn zang. Dankzij het onwaarschijnlijk snelle en gevarieerde gitaarspel van Buckingham klinken ook deze songs vol en bij vlagen zelfs overweldigend. In een aantal andere songs pakt Lindsey Buckingham wat meer uit en komt hij meer in de buurt van het werk van Fleetwood Mac, al ontbreekt de onverwachte Buckingham twist nooit. Ik heb Seeds We Sow inmiddels een aantal keren gehoord en vindt het een bijzondere indrukwekkende plaat, die alleen maar aan kracht wint. Lindsey wordt volgende maand 62, maar gaat op Seeds We Sow tekeer als een jonge hond. Waar de meeste jonkies tegenwoordig terug grijpen op muziek uit een ver verleden, weet Lindsey Buckingham deze muziek op indrukwekkende wijze te vernieuwen. Seeds We Sow is een jaarlijstjesplaat die de meeste jaarlijstjes helaas niet zal gaan halen, maar ik heb alvast een ereplaats gereserveerd voor dit ook voor mij onverwachte meesterwerk. Erwin Zijleman

woensdag 7 september 2011

Richmond Fontaine - The High Country

Richmond Fontaine voorman Willy Vlautin schreef de afgelopen jaren drie prachtige boeken (The Motel Life, Northline en Lean on Pete; ik kan ze alle drie van harte aanbevelen), waardoor de productie van de band uit Portland, Oregon, helaas wat achterbleef; de laatste plaat van de band, het fraaie We Used To Think The Freeway Sounded Like A River is al weer twee jaar oud. Op de nieuwe plaat van Richmond Fontaine, The High Country, combineert Willy Vlautin zijn liefde voor het schrijven van verhalen met zijn liefde voor het schrijven van muziek, wat een hele bijzondere plaat oplevert. The High Country laat zich beluisteren als een soundtrack bij een film of als een luisterboek en combineert de stevige countryrock die we van Richmond Fontaine kennen met geluidsfragmenten, spoken word en van melancholie overlopende ballads. The High Country is een plaat van uitersten. Het ene moment sleept de plaat zich uiterst langzaam voort, om vervolgens om te slaan in een uitbarsting van muzikaal geweld zoals we die nog niet eerder hebben gehoord van Richmond Fontaine. Waar de boeken van Willy Vlautin relatief makkelijk lezen, is het verhaal van The High Country niet eenvoudig te doorgronden, al is wel snel duidelijk dat het geen verhaal is om vrolijk van te worden. Door het constante schakelen tussen songs met een kop en een staart en songs die worden bepaald door uiteenlopende dialogen en geluidsfragmenten, valt het niet mee om The High Country op de juiste waarde te schatten, maar intrigerend is het absoluut. Het zijn de sobere ballads en de langzame songs met prachtige atmosferische klanken die het eerst weten te overtuigen. In deze songs klinkt Willy Vlautin zo getergd dat het goed is dat hij de vocalen af en toe overlaat aan zangeres Deborah Kelly, waardoor de aardedonkere sfeer op de plaat even iets draaglijker wordt. Na de ingetogen ballads komen de stevige rocksongs die dit keer eerder neigen naar garagerock dan naar countryrock. Het zal nog wel even duren voor ik iets kan met de intermezzo’s, maar ook zonder deze beeldende tussenstukjes is The High Country al lang een plaat die zich in positieve zin weet te onderscheiden binnen het enorme aanbod van het moment. The High Country is een gedurfde plaat vol fascinerende muziek. Het is zeker geen makkelijke plaat, maar wees geduldig en het ene na het andere pareltje openbaart zich en uiteindelijk komt ook het trieste verhaal op The High Country aan de oppervlakte. Willy Vlautin maakte de afgelopen jaren indruk als muzikant en als schrijver. Op The High Country doet hij allebei met een bijzonder fascinerende plaat als resultaat. Erwin Zijleman