zondag 18 augustus 2019

Native Harrow - Happier Now

Native Harrow laat Laurel Canyon folk en Britse folk herleven met tijdloze klanken en een stem waarvan je alleen maar intens kunt houden
Happier Now is het derde album van het Amerikaanse duo Native Harrow en het is een bijzonder indrukwekkend album. Stephen Harms en Devin Tuel laten zich op hun nieuwe album nadrukkelijk inspireren door de Laurel Canyon folk zoals die aan het eind van de jaren 60 werd gemaakt en imponeren met een warm en volstrekt tijdloos geluid. Ook de songs van het tweetal zijn ijzersterk en worden gedragen door de prachtige stem van Devin Tuel. Het is een stem die zich genadeloos opdringt en waarvoor je alleen maar kunt smelten. Het zorgt ervoor dat het derde album van Native Harrow stijgt tot grote hoogten. Bijzonder indrukwekkend album dat echt alle aandacht verdient.


Heel even dacht ik dat er een vergeten klassieker uit de hoogtijdagen van de Laurel Canyon folk uit de speakers kwam, maar even later dacht ik toch meer aan Britse folk uit dezelfde periode. Het is tweemaal fout, want Happier Now van Native Harrow is gloednieuw. 

Native Harrow is een duo uit Lyndell, Pennsylvania, dat bestaat uit multi-instrumentalist Stephen Harms en boegbeeld Devin Tuel. De eerste tekent voor gitaar, bas, drums en keyboards, de tweede voor gitaar en zang. 

Ik had nog nooit van Native Harrow gehoord en ging er daarom van uit dat Happier Now het debuut van het Amerikaanse duo was, maar het blijkt alweer het derde album van Stephen Harms en Devin Tuel. 

Voordat Devin Tuel haar geluk zocht in de popmuziek leek voor haar een glanzende carrière weggelegd in de theaters van Broadway in New York. Haar voorkeur ging echter niet uit naar ballet of toneel, maar naar popmuziek met een hang naar het verleden. Het is wat mij betreft een verstandige keuze, want het nieuwe album van Native Harrow is van hoge kwaliteit en van een bijzondere schoonheid. 

Stephen Harms zorgt op Happier Now voor een warm en zwoel klinkende instrumentatie en het is een instrumentatie die je op een of andere manier onmiddellijk een aantal decennia mee terug neemt in de tijd. De warme en voornamelijk akoestische klanken herinneren aan de muziek die een aantal decennia geleden in de canyons rond Los Angeles werd gemaakt, maar verwerken ook op subtiele wijze invloeden uit de Britse folk. 

Hier blijft het niet bij, want Happier Now van Native Harrow doet me ook meer dan eens denken aan het solowerk van Natalie Merchant en haar band 10,000m Maniacs en heeft in muzikaal opzicht soms ook wel wat van Mazzy Star. Happier Now werd opgenomen in een studio met uitsluitend analoge apparatuur, wat nog wat warme toevoegt aan de stemmige klanken op het album. 

Het kleurt allemaal prachtig bij de mooie en bijzondere stem van Devin Tuel. De New Yorkse zangeres beschikt over een geschoold stemgeluid, maar het is ook een stemgeluid dat je vrijwel onmiddellijk weet te raken. Het doet me af en toe denken aan de intensiteit van Joni Mitchell, maar ook Natalie Merchant draagt zoals gezegd zinvol vergelijkingsmateriaal aan. Direct toen Devin Tuel begon te zingen was ik verkocht en sindsdien hebben de prachtige vocalen op Happier Now alleen maar aan kracht gewonnen. 

Het derde album van Native Harrow is een album dat net zo goed in de jaren 60 of 70 gemaakt had kunnen worden, maar het klinkt een paar decennia later geen moment gedateerd. Happier Now slaat zich dankzij de tijdloze klanken direct als een warme deken om je heen, waarna de prachtige stem van Devin Tuel zorgt voor de definitieve betovering. 

Happier Now van Native Harrow was de afgelopen weken een zeer aangename metgezel onder de aangename zon op mijn vakantieadres, maar het is inmiddels ook een album dat ik schaar onder het allerbeste dat tot dusver in 2019 is verschenen. Midden in de zomer een album uitbrengen is geen hele handige zet, maar Happier Now van Native Harrow moet dit jaar nog eindeloos veel kansen krijgen. Wat een geweldige zangeres, wat een geweldige muzikant, wat een sterke songs, wat een prachtig album! Erwin Zijleman



 

zaterdag 17 augustus 2019

Marika Hackman - Any Human Friend

Het is weer even wennen aan het nieuwe album van Marika Hackman, maar uiteindelijk vliegen de briljante popliedjes je om de oren
Marika Hackman leek ooit in de voetsporen te treden van een beroemde soortgenoot als Laura Marling, maar blijkt toch veel meer dan de zoveelste folky. Haar nieuwe album bevat een aantal lome en dromerige songs, maar ook flink wat uptempo popliedjes. Het zijn popliedjes die in een aantal gevallen als rauw of in ieder geval als stekelig zijn te typeren. Bij eerste beluistering van Any Human Friend viel bij mij nog zeker niet alles op zijn plek, maar hoe vaker ik naar het album luister, hoe beter het wordt. De popliedjes van de Britse singer-songwriter zitten knap in elkaar en zijn voorzien van een bijzondere instrumentatie. De mooie en veelzijdige stem van de Britse muzikante doet vervolgens de rest. Wederom een groeibriljant van Marika Hackman.

Ik heb tot dusver wel wat met de albums van de Britse singer-songwriter Marika Hackman. De jonge Britse muzikante kan uitstekend uit de voeten met ingetogen en folky songs, maar schuwt ook uitstapjes richting pop zeker niet. 

Marika Hackman heeft zich voor de cover van haar nieuwe album Any Human Friend laten fotograferen in een weinig charmante outfit en pose, maar in muzikaal opzicht maakt ze wederom behoorlijk wat indruk. 

Any Human Friend opent met een lome en ingetogen folky song. Het is het soort song waarin de singer-songwriter nog grossierde op haar uitstekende debuut We Slept At Last uit 2015, maar net als op opvolger I’m Not Your Man slaat ze op Any Human Friend vooral andere wegen in. 

De fraaie openingstrack wordt gevolgd door het van zeer expliciete teksten voorziene The One, waarin Marika Hackman flirt met new wave. De meeste songs op haar nieuwe album zijn wat voller ingekleurd, waarbij zowel keyboards als gitaren worden ingezet. Zeker wanneer Marika Hackman haar songs voorziet van een rauw of lekker stekelig geluid, maakt ze makkelijk indruk met popliedjes die lekker in het gehoor liggen, maar die ook urgentie uitstralen. 

Voor liefhebbers van de folky Marika Hackman is het waarschijnlijk even wennen, maar voor liefhebbers van eigenzinnige indiepop en indierock heeft Any Human Friend veel te bieden. Het siert Marika Hackman dat ze precies doet waar ze zelf zin in heeft. Met wat meer folky songs en een cover waarop ze dromerig in de lens staart had Any Human Friend waarschijnlijk een groter publiek kunnen bereiken, maar dromerige folkies zijn er wat mij betreft al genoeg. 

Any Human Friend staat vol wonderschone popliedjes. Zeker wanneer de instrumentatie ingetogen de vocalen fluisterzacht zijn, is het makkelijk wegdromen bij het nieuwe album van de Britse singer-songwriter, maar Marika Hackman kan ook rauw en eigenzinnig klinken en opschuiven richting muziek die me af en toe wel wat aan die van PJ Harvey in haar wat meer folk georiënteerde periode doet denken. 

Zeker bij beluistering met de koptelefoon is het genieten van de bijzondere instrumentatie op het album, die vaak uit meerdere lagen bestaat en net zo makkelijk sprookjesachtig als rauw is. Bij herhaalde beluistering valt niet alleen de bijzondere instrumentatie van Any Human Friend steeds meer op, maar groeien ook de songs van Marika Hackman. 

Ondanks de volle instrumentatie zijn het songs zonder al te veel opsmuk. Het zijn songs waarin Marika Hackman wederom imponeert als zangeres en laat horen dat ze in meerdere genres uit de voeten kan. 

De eerste twee albums van Marika Hackman kregen wat mij betreft minder aandacht die ze verdienden en ik vrees dat ook Any Human Friend het zal moeten doen met bescheiden aandacht. Steek echter wat energie in dit album en vrijwel alle songs op het nieuwe album van Marika Hackman groeien stevig door. Ik was bij eerste beluisteringen eerlijk gezegd ook niet volledig overtuigd, maar inmiddels hoor ik een serie ijzersterkte en tijdloze popliedjes, waarin de talenten van Marika Hackman steeds genadelozer aan de oppervlakte komen. Erwin Zijleman

De muziek van Marika Hackman is ook verkrijgbaar via haar bandcamp pagina: https://marikahackman.bandcamp.com.



 

vrijdag 16 augustus 2019

De 19 van de eerste helft van (20)19: Weyes Blood


De eerste helft van 2019 zit er op en dus is het tijd om terug te kijken, al is het maar omdat het aantal nieuwe releases deze weken zeer bescheiden is. De komende weken kijk ik terug op de 19 albums die mij de afgelopen 7 maanden het meest opvielen. Niet noodzakelijkerwijs de beste albums van 2019 (die balans wordt aan het eind van het jaar opgemaakt), maar wel albums die wat mij betreft nog eens aandacht verdienen en die ik persoonlijk het meest heb beluisterd de laatste maanden. In alfabetische volgorde, want ook de rangorde komt pas later dit jaar. Ik kijk niet alleen maar terug, dus let op de nieuwe albums die af en toe ook voorbij komen. Erwin Zijleman



Als negentiende en laatste is Weyes Blood aan de beurt. Het was een kwestie van tijd voor Natalie Mering een onbetwiste jaarlijstjesplaat zou maken en hier is hij. Weyes Blood blaast je van je sokken met een album dat alle kanten op schiet en er van alles bij pakt.

Weyes Blood pakt op Titanic Rising flink of zelfs overdadig uit en levert een buitengewoon fascinerend album op dat je op verschillende manieren kunt beluisteren
Weyes Blood, het alter ego van Natalie Mering, had al een drietal fascinerende albums op haar naam staan, maar zet een volgende stap met het bijzondere en wat mij betreft wonderschone Titanic Rising. Het is een album dat je heen en weer slingert tussen Joni Mitchell, Aimee Mann, ABBA, The Beatles, Kraftwerk, John Barry, Laura Nyro, Enya, Depeche Mode, Jenny Hval en nog veel meer, maar dat uiteindelijk vooral klinkt als Weyes Blood. Het is een album vol tijdloze popliedjes, maar ondertussen gebeurt er zoveel dat het je soms duizelt en bouwt Natalie Mering bijna stiekem aan een uniek geluid.


Het is een intrigerend rijtje albums dat de Amerikaanse band Weyes Blood op haar naam heeft staan. The Outside Room, het in 2011 verschenen en slechts in kleine kring opgepikte debuut van de band rond of feitelijk het alter ego van Natalie Mering, maakte het de luisteraar nog niet makkelijk met lange tracks en muziek die in het hokje freak-folk paste. 

Op het in 2014 uitgebrachte The Innocents vermengde Natalie Mering, die voor Weyes Blood deel uitmaakte van de band Jackie-O Motherfucker, folk en psychedelica met zowel zweverige als donkere klanken en werden haar songs net iets toegankelijker. Deze lijn werd doorgetrokken op het uit 2016 stammende Front Row Seat To Earth, dat ook nog eens invloeden van de grote vrouwelijke singer-songwriters uit de jaren 70 verwerkte en nog wat toegankelijker en bij vlagen zelfs zoet klonk. 


En nu is er dan Titanic Rising dat op het eerste gehoor een volgende reuzenstap zet richting de singer-songwriter pop uit de jaren 70. Op het geweldige Front Row Seat To Earth koos Weyes Blood zo nu en dan voor zoete klanken en deze zijn nu zo nu en dan verruild voor honingzoete klanken. De rijkelijk met strijkers versierde instrumentatie doet zeker bij eerste beluistering wat pompeus aan en wanneer Natalie Mering op haar mooist zingt heb ik zelfs wat associaties met The Carpenters (en dat is wat mij betreft niet iets om je voor te schamen). 


Titanic Rising bevat een aantal tijdloze popliedjes die onmiddellijk herinneren aan de muziek die door de grote singer-songwriters uit de jaren 70 werden gemaakt. Het is bij Weyes Blood meestal echter niet zo simpel als het lijkt en dat is ook dit keer het geval. De instrumentatie op Titanic Rising zit volgestopt met bijzondere klanken en is experimenteler of in ieder geval avontuurlijker dan je bij oppervlakkige beluistering hoort. 


Bij oppervlakkige beluistering hoor je natuurlijk de prachtige stem van Natalie Mering en de stevig aangezette pianoklanken en strijkers, maar wanneer je het album met de koptelefoon beluistert hoor je ook nog een eigenzinnige elektronische onderlaag, die het geluid van Weyes Blood toch weer iets unieks geeft. Het is een elektronische onderlaag die net zo makkelijk flirt met New Age als met 80s kitsch of juist 70s elektronica pioniers, waardoor de muziek van Weyes Blood je met grote regelmaat op het verkeerde been zet. 


Titanic Rising kun je hierdoor op twee manieren beluisteren. Je kunt jezelf compleet verliezen in de rijk georkestreerde en volstrekt tijdloze popliedjes of je kunt op zoek gaan naar alle bijzondere details die Weyes Blood heeft verstopt op haar nieuwe album. In beide gevallen valt er veel te genieten. 


Natalie Mering zingt op Titanic Rising met nog wat meer overtuiging en is niet bang voor een suikerlaagje meer of minder. Het doet me af en toe wel wat denken aan Aimee Mann en laat dat nu net een van mijn favoriete singer-songwriters zijn. De tijdloze songs staan soms met één been in de hoogtijdagen van de Laurel Canyon Scene, maar het is wel “Joni Mitchel geproduceerd door Brian Eno”, aldus AllMusic.com. 


Titanic Rising zit vol echo’s uit het verleden (en sleept er ook nog eens Beatlesque of Abbaesque klanken en refreinen bij), maar iedere keer wanneer Weyes Blood het avontuur opzoekt ben je onmiddellijk weer in het heden. Ik kan me voorstellen dat er muziekliefhebbers zijn die het net wat te veel of zelfs flink “over the top” vinden, maar ik ben zelf steeds meer onder de indruk van het grootse en meeslepende album dat Weyes Blood heeft afgeleverd en dat ook bij de zoveelste beluistering weer nieuwe dingen laat horen. Erwin Zijleman


De muziek van Weyes Blood is ook verkrijgbaar via bandcamp: https://weyesblood.bandcamp.com.



   



donderdag 15 augustus 2019

The Teskey Brothers - Run Home Slow

Wat een fantastische, nee weergaloze soulplaat van de Australische band The Teskey Brothers, die de gloriedagen van de Southern Soul op indrukwekkende wijze doen herleven
Liefhebbers van goede soulmuziek hadden dit jaar al niets te klagen, maar de uit het Australische Melbourne afkomstige band The Teskey Brothers doet er nog een schepje bovenop. De instrumentatie en productie zijn prachtig, de songs blijven stuk voor stuk lekker hangen en hier en daar sleept de Australische band er bijzondere invloeden bij, maar de meeste indruk maakt zanger Josh Teskey, die beschikt over een soulstrot waarop heel wat soulzangers stikjaloers zullen zijn. Het levert een soulplaat op die direct zorgt voor broeierige temperaturen, maar het is ook een soulplaat die de fantasie maar blijft prikkelen. Jaarlijstjesmateriaal, dat zal inmiddels duidelijk zijn.


Er zijn dit jaar al heel veel goede soulplaten verschenen, maar na het fenomenale debuut van Black Pumas, dat weer net wat beter was dan het ook al zo goede debuut van Los Coast of de prachtplaat van Carlton Jumel Smith, lag de lat wat mij betreft wel erg hoog. 

Ik begon dan ook met enige reserves aan de beluistering van het nieuwe album van de Australische band The Teskey Brothers, want wat kunnen deze blanke Australiërs nu weten van pure soul. Heel wat blijkt bij beluistering van Run Home Slow, want heeft deze band uit Melbourne veel soul. 

The Teskey Brothers is een band rond de broers Josh en Sam Teskey. De eerste tekent voor een heerlijk soulvolle strot, terwijl de tweede heerlijk soulvolle gitaarlijnen uit de speakers laat komen. De band wordt aangevuld met een soepel spelende ritmesectie, terwijl voor de gelegenheid ook nog flink wat blazers en toetsen werden aangerukt. 

Run Home Slow is een album dat je binnen een paar noten meesleurt naar de hoogtijdagen van de soul zoals die aan het eind van de jaren 60 in het diepe zuiden van de Verenigde Staten werd gemaakt. The Teskey hebben een goed gevoel voor tijdloze soulsongs en voeren deze op bijzonder fraaie wijze uit, waarbij ook nog wat invloeden uit onder andere de blues en de gospel worden meegepikt. 

De instrumentatie op Run Home Slow is verrassend gevarieerd. De Australische band kan het authentieke Southern soul geluid uit de jaren 60 prachtig reproduceren, maar kan ook moeiteloos omschakelen richting zwoele soulpop of richting wat meer psychedelisch getinte klanken, zeker wanneer de orgels aanzwengelen en de gitaren mogen kiezen voor langer aanhoudende akkoorden. Het heeft dan opeens wel wat van de blue-eyed soul van Joe Cocker in zijn allerbeste dagen, maar op het grootste deel van Run Home Slow klinken The Teskey Brothers gitzwart. 

De band uit Melbourne overtuigt bijzonder makkelijk met soulvolle muziek uit vervlogen tijden, met songs vol vuur en passie en met een instrumentatie die steeds weer de juiste snaar weet te raken, maar het sterkste wapen van de Australische band is zonder enige twijfel de fantastische stem van Josh Teskey. De Australische zanger heeft in zijn kleine teen al veel meer soul dan de meeste blue-eyed soulzangers van het moment en herinnert meer dan eens aan de allergrootsten uit het genre. 

Ik was er een week of wat geleden nog 100% zeker van dat Black Pumas aan het einde van het jaar tekent voor met afstand de beste soulplaat van 2019, maar hoe vaker ik Run Home Slow van The Teskey Brothers hoor, hoe meer ik ervan overtuigt raak dat het zeker nog geen gelopen race is en dat de hoofdprijs in december net zo makkelijk naar een band uit Australië kan gaan. 

Voor de liefhebbers van goede soulmuziek is er alleen maar winst, want na het overlijden van soulsterren als Sharon Jones en Charles Bradley staan er deze zomer gelukkig flink wat nieuwe soulsterren op. Natuurlijk helpt het dat ik Run Home Slow beluister op een prachtige en zomerse locatie, maar ik weet bijna zeker dat dit album ook de rest van het jaar wonderen gaat verrichten. Erwin Zijleman



 

De 19 van de eerste helft van (20)19: Rozi Plain


De eerste helft van 2019 zit er op en dus is het tijd om terug te kijken, al is het maar omdat het aantal nieuwe releases deze weken zeer bescheiden is. De komende weken kijk ik terug op de 19 albums die mij de afgelopen 7 maanden het meest opvielen. Niet noodzakelijkerwijs de beste albums van 2019 (die balans wordt aan het eind van het jaar opgemaakt), maar wel albums die wat mij betreft nog eens aandacht verdienen en die ik persoonlijk het meest heb beluisterd de laatste maanden. In alfabetische volgorde, want ook de rangorde komt pas later dit jaar. Ik kijk niet alleen maar terug, dus let op de nieuwe albums die af en toe ook voorbij komen. Erwin Zijleman



Als achttiende is Rozi Plain aan de beurt. Misschien wel de grootste verrassing van 2019. Deze jonge Britse muzikante geeft een eigen draai aan Britse folk en levert een album af dat alsmaar mooier wordt.

Rozi Plain maakt al een paar jaar albums, maar overtreft zichzelf op het sfeervolle, spannende en met grote regelmaat wonderschone What A Boost
In Engeland kan Rozi Plain, het alter ego van de jonge Britse singer-songwriter Rosalind Leyden, al een paar jaar rekenen op zeer lovende recensies, maar met What A Boost moet ook Nederland aan de zegekar worden gebonden. Rozi Plain verrast op haar nieuwe album met een bloedstollend mooie en spannende instrumentatie, waarin prachtige gitaarlijnen gezelschap krijgen van avontuurlijke percussie en uiteenlopende maar altijd fraaie accenten. Het past allemaal prachtig bij de mooie stem van Rosalind Leyden, die laat horen dat ze zowel in folk, jazz, pop als rock uit de voeten kan.


Rosalind Leyden uit het Britse Winchester maakt al sinds haar jonge tienerjaren muziek en debuteerde in 2008 als Rozi Plain. Met het samen met haar broer Sam gemaakte debuut Inside Over Here oogstte de jonge muzikante vooral in het Verenigd Koninkrijk veel lof en ook de twee albums die volgden werden door de Britse muziekcritici zeer enthousiast ontvangen. 

Rozi Plain maakte het afgelopen decennium niet alleen drie albums, maar trok ook de aandacht met de samenwerking met This Is The Kit (de band rond Kate Stables) en met een zorgvuldig opgebouwde live-reputatie. 


Ik volg de Britse muziektijdschriften en muzieksites volgens mij behoorlijk goed, maar ik moet direct toegeven dat ik Rozi Plain tot een paar dagen geleden niet op het netvlies had. Dat is gek, al is het maar omdat Rozi Plain sinds haar debuut muziek maakt die ik op papier zeer kan waarderen. Ook in de praktijk bevalt de muziek van de Britse singer-songwriter me overigens zeer, weet ik na een inhaalslag op Spotify. 


Het is muziek die vooralsnog met name in het hokje indie-folk wordt geduwd. Daar is wel iets voor te zeggen. Invloeden uit de folk spelen absoluut een rol in de muziek van de tegenwoordig vanuit Londen opererende singer-songwriter en Rozi Plain verwerkt deze invloeden op onafhankelijke en eigenzinnige wijze. 


Op haar nieuwe album kleurt Rozi Plain echter zo ver buiten de lijntjes van de folk en indie-folk dat het hokje begint te knellen en daarom beter achterwege kan worden gelaten. What A Boost klinkt niet alleen folky, maar ook bluesy en jazzy en maakt indruk met een even rustgevende als opwindende instrumentatie. 


Op haar vorige album, Friend uit 2015, maakte Rosalind Leyden nog avances richting elektronica en pop, maar dit keer flirt ze opzichtig met jazz. What A Boost werd opgenomen in het Total Refreshment Centre, het bruisende hart van de hippe Londense jazz-scene, waarbij bekende college muzikanten als Chris Cohen, Sam Amidon en een aantal minder bekende muzikanten, onder wie leden van bands als Trash Kit en This Is The Kit aanschoven. 


Ondanks de hulp van flink wat extra muzikanten klinkt What A Boost sober en bij vlagen bijna minimalistisch. Sobere, maar wonderschone en zowel jazzy als bluesy en hier en daar zelfs gruizige gitaarlijnen worden gecombineerd met subtiele bijdragen van percussie, diepe bassen en een verdwaalde blazer, waarna de mooie stem van Rosalind Leyden zorgt voor de verdere inkleuring. 


Het is een stem die What A Boost stiekem toch weer de kant van de folk op sleept, maar van 13 in een dozijn folk is geen moment sprake. Denk aan Kathryn Williams, maar dan toch weer heel anders. 


What A Boost is door de sobere instrumentatie en de lome en heldere zang een rustgevend album, maar het is op hetzelfde moment een avontuurlijk album dat bol staat van de al dan niet onderhuidse spanning. What A Boost van Rozi Plain is soms dromerig en soms zelfs bijna hallucinerend, maar van wegdromen kan geen sprake zijn. 


Steeds weer duiken bijzonder subtiele en opvallend trefzekere accenten op in de instrumentatie. De ene keer een saxofoon, de volgende keer subtiele synths en bijna altijd sprankelende percussie en fraaie gitaarlijnen. Het past allemaal prachtig bij de vocalen, die soms in meerdere lagen zijn opgenomen. 


De songs van Rozi Plain zetten je constant op het verkeerde been, maar hoe vaker je ze hoort, hoe dierbaarder ze worden. What A Boost is mijn eerste kennismaking met de muziek van deze jonge Britse singer-songwriter en smaakt naar meer. Dat meer is deels al beschikbaar uit het verleden. Het oeuvre van Rosalind Leyden laat flinke groei horen en de rek is er nog lang niet uit. Desondanks kan What A Boost direct geschaard worden onder de meest bijzondere en mooiste albums van 2019 tot dusver. Erwin Zijleman


De muziek van Rozi Plain is ook verkrijgbaar via haar bandcamp pagina: https://roziplain.bandcamp.com/album/what-a-boost.



   



woensdag 14 augustus 2019

De 19 van de eerste helft van (20)19: Orville Peck


De eerste helft van 2019 zit er op en dus is het tijd om terug te kijken, al is het maar omdat het aantal nieuwe releases deze weken zeer bescheiden is. De komende weken kijk ik terug op de 19 albums die mij de afgelopen 7 maanden het meest opvielen. Niet noodzakelijkerwijs de beste albums van 2019 (die balans wordt aan het eind van het jaar opgemaakt), maar wel albums die wat mij betreft nog eens aandacht verdienen en die ik persoonlijk het meest heb beluisterd de laatste maanden. In alfabetische volgorde, want ook de rangorde komt pas later dit jaar. Ik kijk niet alleen maar terug, dus let op de nieuwe albums die af en toe ook voorbij komen. Erwin Zijleman



Als zeventiende is Orville Peck aan de beurt. Wonderlijke mix van allerlei invloeden, maar ook geweldige songs. Kun je country en rockabilly mengen met New Wave? Ja, Orville Peck doet het en het klinkt fantastisch.

Orville Peck grijpt op fraaie wijze terug op muziek uit de jaren 50, maar sleept er net zo makkelijk invloeden uit de new wave bij op dit fascinerende debuut
Wat een fascinerende plaat is dit. Het gitaarwerk neemt je het ene moment mee terug naar de rockabilly en country uit de jaren 50, maar trekt je het volgende moment zomaar de hoogtijdagen van The Smiths in. Stokoude rootsmuziek gaat hand in hand met donkere new wave, zonder dat het ook maar een moment vervreemd. In vocaal opzicht is Pony nog indrukwekkender, want crooner Orville Peck kan alle kanten op. Van honingzoete country tot aardedonkere new wave; alles wat Orville Peck op zijn debuut Pony aanraakt verandert in goud. Prachtplaat.


In eerste instantie werd mijn aandacht vooral getrokken door de felrode cover met de opvallende afbeelding, maar deze cover maakte me uiteindelijk nieuwsgierig genoeg om eens te luisteren naar het debuut van de mij totaal onbekende Orville Peck. 

Deze Orville Peck staat op de cover van zijn debuut Pony afgebeeld als gemaskerde cowboy, wat bijdraagt aan alle mysterie rond zijn persoon. 


Volgens zijn bandcamp pagina opereert hij nu vanuit Nevada, maar is hij afkomstig uit “the badlands of North America”. In deze badlands maakte hij waarschijnlijk kennis met invloeden uit de country, rock ’n roll en rockabilly uit de jaren 50 en 60, want deze invloeden vormen vaak de basis van de muziek van de Amerikaanse muzikant. 


Pony opent met fraaie ruimtelijke gitaarlijnen, die al snel gezelschap krijgen van de mooie stem van Orville Peck, die een volleerd crooner blijkt te zijn. Pony stapt onmiddellijk in de voetsporen van de eerste albums van Chris Isaak, die de mosterd natuurlijk ook uit het verre verleden haalde, en voegt er in de hoge noten nog een vleugje Roy Orbison aan toe. 


Het mooie van Pony is dat Orville Peck niet blijft hangen bij country en rock ’n roll uit de jaren 50 en 60, maar er uiteenlopende invloeden bij sleept. Pony klinkt hier en daar als Morrissey die de country en rock ’n roll heeft ontdekt of als Lloyd Cole die op zoek is gegaan naar de oorsprong van de rockabilly. Pony kan hierdoor omslaan van een traditioneel aandoende rootsplaat of croonerplaat in een album dat inspiratie haalt uit de 80s new wave of zelfs uit de shoegaze of gothrock uit de jaren 90. 


Door alle invloeden zet Pony van Orville Peck je vaak op het verkeerde been, maar het debuut van de Amerikaanse muzikant overtuigt op indrukwekkende wijze. Het is fraai hoe stokoude invloeden uit de country en rockabilly in een keer om kunnen slaan in een eigentijdser geluid, bijvoorbeeld door opeens elektronica of juist een banjo toe te voegen of door de gitaren opeens totaal anders te laten klinken. 


Gitaarloopjes die het ene moment nog uit de Sun Studio’s in de jaren 50 lijken te komen, worden opeens voorzien van zonnestralen zoals Johnny Marr dat kon in zijn beste dagen of herinneren aan de hoogtijdagen van Lloyd Cole & The Commotions. 


Het is nog veel mooier hoe Orville Peck met zijn stem alle kanten op blijkt te kunnen. Het ene moment haalt hij de hoge noten van Roy Orbison, het volgende moment kruipt hij in de huid van een jonge Elvis, niet veel later steekt hij Morrissey naar de kroon lijkt het, net als bij David Eugene Edwards in zijn beste dagen, of de duivel hem op zijn hielen zit, of klinkt hij net zo poppy als Erasure zanger Andy Bell of net zo soulvol als Allison Moyet. 


Constant word je heen en weer geslingerd tussen met name de jaren 50 en 80, maar het klinkt geen moment onlogisch. Orville Peck slaat op indrukwekkende wijze een brug tussen genres en tijdperken, maakt indruk met een bijzonder fraaie en trefzekere instrumentatie en imponeert met een stem die alle songs op zijn debuut naar een hoger plan tilt. 


In eerste instantie klinkt het vooral leuk en origineel, maar hoe vaker ik naar Pony luister, hoe meer ik er van overtuigd raak dat Orville Peck een hele mooie en ook hele bijzondere plaat heeft gemaakt, die een ieders aandacht verdient. Erwin Zijleman


De muziek van Orville Peck is ook verkrijgbaar via zijn bandcamp pagina: https://orvillepeck.bandcamp.com/album/pony.


   


dinsdag 13 augustus 2019

Clairo - Immunity

De jonge Amerikaanse singer-songwriter Clairo verrast met een debuut vol even aanstekelijke als avontuurlijke popliedjes vol bijzondere accenten
De vijver met jonge vrouwelijke singer-songwriters is al een tijdje overvol, maar met enige regelmaat komt er een talent bovendrijven dat niet gemist mag worden. De uit Boston afkomstige Clairo is zo’n talent. De jonge Amerikaanse singer-songwriter imponeert op haar debuut met even knap als eigenzinnig in elkaar stekende popliedjes die alleen maar beter worden. Na een aantal op haar slaapkamer opgenomen lo-fi popliedjes maakt Clairo dit keer indruk met een volle productie die vol bijzondere accenten en vol opvallende wendingen zit. Haar aangename maar ook bijzonder fraaie fluistervocalen maken de verleiding compleet. Voor liefhebbers van dit genre is Clairo er een om op te schrijven voor de jaarlijstjes.


Aan jonge vrouwelijke singer-songwriters in het indie-segment hebben we al een tijdje geen gebrek meer, maar toch blijven ze opduiken. 

Clairo is het alter ego van de uit Boston, Massachusetts, afkomstige Claire Cottrill, die over een paar dagen haar 21e verjaardag viert. Immunity is de titel van haar onlangs verschenen debuut en het is een debuut dat me uitstekend bevalt. 

Immunity opent geweldig met het fraaie Alewife, dat ingehouden pianoklanken en akoestische gitaar akkoorden combineert met bijzondere percussie, ijle synths en de fluisterzachte stem van Clairo. Alewife is zo’n popliedje dat je na één keer horen dierbaar is en dat bij herhaalde beluistering alleen maar mooier wordt. Het is een popliedje dat aansluit bij de popliedjes van Frankie Cosmos, Phoebe Bridgers, Snail Mail, Lucy Dacus en noem ze allemaal maar op. Immunity bevat flink wat van dit soort popliedjes.

Clairo bracht voor haar officiële debuut al een aantal fraaie lo-fi popliedjes uit die ze op haar slaapkamer opnam en op cassette verkocht via bandcamp. Vergeleken met deze eenvoudige popliedjes klinkt Immunity een stuk voller. Er is flink gesleuteld aan de productie van het debuutalbum van Clairo, die hier en daar stevig flirt met pop, maar ook eigenzinnig genoeg blijft om in het hokje indie te passen. 

Door het gebruik van opvallende en vaak triphop achtige ritmes doet Immunity me niet alleen denken aan de genoemde soortgenoten, maar ook aan een band als London Grammar. Wanneer Clairo opschuift richting pop winnen invloeden uit de R&B aan terrein in haar muziek, maar alle popliedjes van de jonge Amerikaanse singer-songwriter zijn zeer smaakvol en zitten vol avontuur. 

Clairo kiest op haar debuut vaak voor lome en dromerige popliedjes en dat zijn popliedjes die uitstekend passen bij haar fluisterzachte, maar erg mooie stem. Het is zoals gezegd overvol in dit genre, maar Clairo heeft genoeg te bieden om de concurrentie met al haar soortgenoten aan te kunnen. 

In alle songs op Immunity duiken bijzondere invloeden op en het zijn invloeden die meerdere genres bestrijken. Het maakt de songs van Clairo bijzonder en spannend, maar het zijn ook songs vol verleiding, die zich bijna zonder uitzondering genadeloos opdringen. Het zijn ook songs die opvallen door een bijzondere sfeer, die afwisselend beklemmend, melancholisch of juist loom en dromerig is. 

Het is razendknap hoe Clairo haar songs steeds weer een net wat andere kant op weet te sturen, waarbij ze net zo makkelijk put uit de archieven van de pop en R&B als uit de archieven van de indie-rock en de postpunk, waarvoor de singer-songwriter uit Boston een stiekem zwak lijkt te hebben. 

Ik krijg sowieso niet snel genoeg van jonge en eigenzinnige vrouwelijke singer-songwriters met een voorkeur voor even verleidelijke als stekelige gitaarsongs, maar binnen deze groep kan Clairo met de allerbesten mee. Immunity doet me wel wat denken aan het prachtdebuut van Phoebe Bridgers en dat is een album dat ik schaar onder de beste albums van de afgelopen jaren. 

Zeker wanneer ik Immunity beluister met de kloptelefoon blijf ik nieuwe dingen horen op het bijzonder knap geproduceerde debuutalbum van Clairo, waarvoor ene Rostam Batmanglij tekende, en smelt ik steeds weer voor haar mooie stem. Midden in de zomer een album uitbrengen is meestal niet heel handig, maar de bijzondere popliedjes van Clairo mogen wat mij betreft niet gemist worden. Erwin Zijleman



 

De 19 van de eerste helft van (20)19: Monotales


De eerste helft van 2019 zit er op en dus is het tijd om terug te kijken, al is het maar omdat het aantal nieuwe releases deze weken zeer bescheiden is. De komende weken kijk ik terug op de 19 albums die mij de afgelopen 7 maanden het meest opvielen. Niet noodzakelijkerwijs de beste albums van 2019 (die balans wordt aan het eind van het jaar opgemaakt), maar wel albums die wat mij betreft nog eens aandacht verdienen en die ik persoonlijk het meest heb beluisterd de laatste maanden. In alfabetische volgorde, want ook de rangorde komt pas later dit jaar. Ik kijk niet alleen maar terug, dus let op de nieuwe albums die af en toe ook voorbij komen. Erwin Zijleman



Als zestiende is Monotales aan de beurt. Er komt niet zoveel goede muziek uit Zwitserland, maar deze band had ik niet graag gemist. Alt-country met een Beatlesque touch zorgt voor een onweerstaanbare feelgood plaat.

“The Jayhawks meet The Beatles”, oftewel Amerikaanse rootsmuziek met Beatlesque refreinen, volstrekt onweerstaanbaar als je het mij vraagt
Het rijtje popmuziek uit Zwitserland in mijn platenkast is zeer bescheiden, maar eindelijk wordt er weer eens een plaat aan toegevoegd. De Zwitserse band Monotales strooit op Kiss The Money And Run met honingzoete melodieën en refreinen die absoluut ‘Beatlesque’ mogen worden genoemd en combineert dit met vooral invloeden uit de 70s countryrock en de 90s alt-country. Het levert een plaat op die de zon laat schijnen, associaties oproept met klassiekers uit het verleden, maar ook op bijzondere wijze invloeden combineert. Ik kan het echt met geen mogelijkheid weerstaan.

Zwitserland en popmuziek is de afgelopen decennia een lastige combinatie gebleken. Veel verder dan Andreas Vollenweider en Yello kom ik niet en de eerste past net zo goed in het hokje klassieke muziek als in het hokje popmuziek. 

Dat er in Zwitserland wel vaker goede popmuziek wordt gemaakt is te horen op Kiss The Money And Run van de uit Luzern afkomstige band Monotales. 


Kiss The Money And Run is niet de eerste plaat van de Zwitserse band, maar wel de plaat waarmee zomaar de sprong naar een groter publiek kan worden gemaakt. 


De muziek van Monotales werd me ergens aangeprezen als “The Jayhawks meet The Beatles” en dat is een goede eerste omschrijving van de muziek op Kiss The Money And Run. De plaat staat vol met bijzonder lekker in het gehoor liggende en zeer melodieuze popliedjes. Het zijn popliedjes die het predicaat ‘Beatlesque’ zeker verdienen. Met name de refreinen van de songs en de koortjes in de songs doen vaak denken aan toegankelijke popsongs van de Fab Four, maar Monotales slaat wegen in die The Beatles nooit ingeslagen zijn. 


Kiss The Money And Run heeft niet alleen een voorkeur voor genadeloos aanstekelijke en Beatlesque popliedjes, maar heeft ook absoluut een zwak voor Amerikaanse rootsmuziek. Wanneer Monotales put uit de archieven van de Amerikaanse rootsmuziek hoor ik vooral veel invloeden uit de countryrock uit de jaren 70 en uit de alt-country uit de jaren 90, waarmee ook de naam van The Jayhawks als vergelijkingsmateriaal verklaard is. 


Monotales laat het echter niet bij The Beatles en The Jayhawks, maar stopt hier en daar ook wat blues in haar muziek, waardoor de band uit Luzern ook wat rauwer en steviger kan klinken. Af en toe doet het me wat denken aan de briljante platen van de Amerikaanse band Cotton Mather, maar Monotales kruipt in haar muziek dichter tegen de Amerikaanse rootsmuziek aan en laat de invloeden van The Beatles af en toe achterwege. 


In muzikaal opzicht heb ik niets aan te merken op Kiss The Money And Run. Integendeel. De plaat klinkt warm en gloedvol en vrijwel altijd onweerstaanbaar lekker, waarbij vooral het veelkleurige gitaarwerk er voor mij uitspringt. Het is muziek die aanzet tot associëren, want steeds duiken andere invloeden uit de archieven op. 


Ook in vocaal opzicht is de muziek van Monotales dik in orde. De leadzanger beschikt over een bijzonder aangename stem en ook de koortjes op de plaat zijn uitstekend en herinneren hier en daar aan de vocale duels die Gary Louris en Mark Olson van The Jayhawks uitvochten. 


Het is al genoeg om een prima plaat af te leveren, maar Kiss The Money And Run schat ik uiteindelijk nog wat hoger in. Dat is de verdienste van de geweldige songs op de plaat. Kiss The Money And Run staat vol met songs die je na één keer horen wilt koesteren en die ook na talloze keren horen nog goed zijn voor een warm gevoel. 


Na één keer horen hield ik van de nieuwe plaat van de Zwitserse band, maar Kiss The Money And Run is sindsdien alleen maar mooier, warmer en stemmiger geworden. Ook behoefte aan warme klanken en songs vol echo’s uit een mooi verleden? Zet Kiss The Money And Run van Monotales eens op. Erwin Zijleman


De muziek van Monotales is verkrijgbaar via de bandcamp pagina van de band.


   

maandag 12 augustus 2019

De 19 van de eerste helft van (20)19: Lula Wiles


De eerste helft van 2019 zit er op en dus is het tijd om terug te kijken, al is het maar omdat het aantal nieuwe releases deze weken zeer bescheiden is. De komende weken kijk ik terug op de 19 albums die mij de afgelopen 7 maanden het meest opvielen. Niet noodzakelijkerwijs de beste albums van 2019 (die balans wordt aan het eind van het jaar opgemaakt), maar wel albums die wat mij betreft nog eens aandacht verdienen en die ik persoonlijk het meest heb beluisterd de laatste maanden. In alfabetische volgorde, want ook de rangorde komt pas later dit jaar. Ik kijk niet alleen maar terug, dus let op de nieuwe albums die af en toe ook voorbij komen. Erwin Zijleman



Als vijftiende is Lula Wiles aan de beurt. De drie dames van dit Amerikaanse trio hebben goede keeltjes en een weidse blik. Vocaal vuurwerk, prachtig verpakt in een breed assortiment aan Amerikaanse rootsmuziek.

Lula Wiles combineert stokoude Amerikaanse rootsmuziek met frisse songs en betoverend mooie zang op een plaat die maar groeit en groeit
Een paar jaar geleden vond ik de muziek van Lula Wiles nog weinig bijzonder, maar wat is het trio uit Boston gegroeid. Eleanor Buckland, Isa Burke en Mali Obomsawin slaan op hun tweede plaat op indrukwekkende een brug tussen Amerikaanse muzikale tradities van heel lang geleden en het heden. What Will We Do heeft oog voor traditie, maar klinkt ook verrassend fris en eigentijds. In muzikaal opzicht is het smullen, maar de vocalen en harmonieën zijn zo nu en dan van een bijna onwerkelijke schoonheid. Het levert een plaat op die onmiddellijk indruk maakt, maar dan nog moet beginnen aan een indrukwekkend groeiproces.


Het muziekjaar 2019 is inmiddels in alle hevigheid losgebarsten en met name binnen de Amerikaanse rootsmuziek verschijnt op het moment het ene na het andere album dat ertoe doet. 

Tussen deze albums mag What Will We Do van Lula Wiles zeker niet ontbreken. Lula Wiles is een trio uit Boston, Massachusetts, dat bijna drie jaar geleden debuteerde met een album dat ik bij vlagen mooi, maar over het geheel genomen onvoldoende onderscheidend vond. 


Op What Will We Do hebben Eleanor Buckland, Isa Burke en Mali Obomsawin echter een enorme stap gezet. De tweede plaat van Lula Wiles verschijnt op het bijzondere Smithsonian/Folkways label, dat vooral de traditionele Amerikaanse folk omarmt, maar Lula Wiles klinkt op haar tweede plaat juist frisser en eigentijdser dan op haar debuut. 


Eleanor Buckland, Isa Burke en Mali Obomsawin studeerden alle drie aan het fameuze Berklee College of Music in Boston en kunnen uitstekend uit de voeten op meerdere snareninstrumenten. In muzikaal opzicht klinkt het fantastisch, waarbij vooral de viool en staande bas nadrukkelijk de aandacht opeisen, maar ook de gitaarlijnen zijn van een bijzondere schoonheid. 


Net als op haar debuut laat Lula Wiles zich nog altijd stevig inspireren door stokoude folk, bluegrass en country, waardoor de plaat zeker in de smaak zal vallen bij de liefhebbers van traditionele Amerikaanse rootsmuziek. Lula Wiles is er echter ook in geslaagd om haar muziek fris te laten klinken, waardoor de Appalachen van honderd jaar geleden fraai samenvloeien met het Boston van nu. 


Eleanor Buckland, Isa Burke en Mali Obomsawin kunnen uitstekend uit de voeten op de instrumenten die ze op What Will We Do bespelen, maar kiezen niet voor een aaneenschakeling van muzikale hoogstandjes. De instrumentatie staat in dienst van de songs en van de bijzonder fraaie zang op de plaat. 


Lula Wiles tekent op haar tweede plaat voor fluisterzachte en glasheldere zang en voor hemeltergend mooie harmonieën. Zeker wanneer Eleanor Buckland, Isa Burke en Mali Obomsawin samen zingen is What Will We Do bij vlagen van een bijna onwerkelijke schoonheid en stijgt de plaat ver boven het andere aanbod van het moment uit. 


Het is knap hoe het drietal uit Boston in muzikaal opzicht het verre verleden en het heden met elkaar weet te verbinden en Eleanor Buckland, Isa Burke en Mali Obomsawin doen dat ook in hun teksten, die teruggrijpen op oude verhalen, maar ook hun licht laten schijnen op het Amerika van nu. 


What Will We Do van Lula Wiles heeft zeker raakvlakken met de platen van trio’s als The Pistol Annies, I’m With Her, The Wailin' Jennys en Dixie Chicks, maar heeft op hetzelfde moment ook een geluid dat aan de ene kant dieper is geworteld in tradities en dat aan de andere kant nadrukkelijker een eigen weg zoekt. 


Ik vond het debuut van Lula Wiles bijna drie jaar geleden zoals gezegd te weinig onderscheidend, maar de tweede plaat van het drietal uit Boston is juist zeer onderscheidend. Het ene moment sleept Lula Wiles je mee naar de traditionele muziek uit de Appalachen of van de oevers van de Mississippi, dan weer naar de frisse indie-folk van First Aid Kit of juist naar de onthaastende muziek van Gillian Welch en Dave Rawlings. Het levert een plaat op die zich steeds nadrukkelijker opdringt en maar mooier en mooier wordt. Indrukwekkend. Bijzonder indrukwekkend zelfs. Erwin Zijleman


De muziek van Lula Wiles is ook verkrijgbaar via de bandcamp pagina van het drietal: https://lulawiles.bandcamp.com.


   


zondag 11 augustus 2019

De 19 van de eerste helft van (20)19: Lou Doillon


De eerste helft van 2019 zit er op en dus is het tijd om terug te kijken, al is het maar omdat het aantal nieuwe releases deze weken zeer bescheiden is. De komende weken kijk ik terug op de 19 albums die mij de afgelopen 7 maanden het meest opvielen. Niet noodzakelijkerwijs de beste albums van 2019 (die balans wordt aan het eind van het jaar opgemaakt), maar wel albums die wat mij betreft nog eens aandacht verdienen en die ik persoonlijk het meest heb beluisterd de laatste maanden. In alfabetische volgorde, want ook de rangorde komt pas later dit jaar. Ik kijk niet alleen maar terug, dus let op de nieuwe albums die af en toe ook voorbij komen. Erwin Zijleman



Als veertiende is Lou Doillon aan de beurt. Lang niet zo bekend als haar halfzus Charlotte Gainsbourg, maar minstens net zo goed. Donkere klanken en buitengewoon intrigerende songs van de dochter van Jane Birkin.

Lou Doillon maakte twee geweldige maar in Nederland nauwelijks opgepikte platen en overtuigt nu met plaat nummer drie

Lou Doillon heeft een beroemde moeder en een beroemde halfzus, maar kiest in muzikaal opzicht haar eigen weg. Dat leverde de afgelopen jaren al twee geweldige platen op en ook Soliloquy is er weer een. Het is een plaat die zich niet in een hokje laat duwen en er steeds andere genres en geluiden bij sleept. Het past allemaal fraai bij de bijzondere stem van Lou Doillon, die een voorkeur heeft voor donkere tinten en klanken, maar ook muziek maakt waar je als muziekliefhebber heel erg blij van wordt. Het is ook nog eens muziek die af en toe doet denken aan die van Fiona Apple, wat de plaat voor mij nog een stuk aantrekkelijker maakt.


Lou Doillon is de dochter van Jane Birkin en hierdoor de halfzus van Charlotte Gainsbourg. De afgelopen jaren maakte ze een tweetal platen die zeker niet onder deden voor het werk van haar veel beroemdere halfzus en het zijn platen die het vooral in Frankrijk erg goed deden. 

Dat is op zich best bijzonder, want hoewel Lou Doillon al haar hele leven in Frankrijk woont, waagt zich op haar platen niet aan het Frans, maar zingt ze in het Engels. Op Places uit 2012 en Lay Low uit 2015 maakte Lou Doillon indruk met haar donkere stem en met songs vol invloeden. Het leverde twee miskende meesterwerken op. 


De in Parijs woonachtige muzikante verrijkte haar popsongs op haar eerste twee platen met invloeden die varieerden van folk, folk-noir en blues tot 70s new wave, soul en pop. Het waren popsongs die afwisselend deden denken aan de muziek van Joni Mitchell, Cat Power, Rachael Yamagata en Fiona Apple en dat is vergelijkingsmateriaal waar je mee thuis kunt komen. 


Alle genres en al het vergelijkingsmateriaal zijn gebleven op de derde plaat van Lou Doillon. Ook op Soliloquy is de verleiding van de donkere stem van Lou Doillon weer maximaal. Zeker wanneer ze haar donkere stem combineert met donkere pianoklanken ligt de vergelijking met Fiona Apple voor de hand, maar de muziek van de Française is een stuk minder zwaar en donker en schiet bovendien alle kanten op. 


Soliloquy neigt misschien net wat meer naar pop dan zijn voorgangers, maar het is zeker geen 13 in een dozijn pop. In een deel van de songs domineren organische klanken, maar Lou Doillon pakt dit keer ook flink uit met elektronica. Ze flirt gelukkig niet met electropop, maar kiest voor donkere, dreigende en soms zelfs wat unheimische klanken, die me op een of andere manier aan Bowie uit de late jaren 70 doen denken. Het contrasteert fraai met de al even donkere zang van Lou Doillon, die nog wat beter zingt dan op haar eerste twee platen en gelukkig ook op soms wat onconventionele wijze is  blijven zingen. 


Ondanks de donkere tinten op Soliloquy heeft de Franse zangeres zeker geen ontoegankelijke plaat gemaakt. De songs, die ook dit keer veelvuldig herinneren aan de new wave uit de jaren 70, liggen stuk voor stuk lekker in het gehoor en zijn in een aantal gevallen zelfs aanstekelijk te noemen. Lou Doillon is hiernaast gelukkig nog altijd niet vies van bezwerende folksongs, die je onmiddellijk mee terug nemen naar de hoogtijdagen van de Laurel Canyon folk en de Amerikaanse psychedelische folk uit de late jaren 60, wat flink wat contrast aanbrengt op de plaat. 


Het levert, net als op de vorige twee platen van Lou Doillon, songs op die meerdere kanten op springen, die zowel verwarmen als voorzichtig tegen de haren in strijken en die zowel eigentijds als tijdloos klinken. Het zijn songs die niet iedereen zullen betoveren, maar mij houdt Lou Doillon ook dit keer in een wurggreep met haar bijzondere songs en haar fascinerende stem. 


Op Soliloquy werkt Lou Doillon met verschillende producers, onder wie Cat Power (!), Taylor Kirk (Timbre Timbre), Benjamin Leabeau (The Shoes) en Dan Levy (The Dø). Het resulteert in een veelzijdig en veelkleurig geluid, maar Soliloquy is wat mij betreft ook een consistent klinkende plaat, die steeds weer imponeert met een eigen geluid en een stem die het eigen gezicht van Soliloquy nog wat meer accentueert. Lou Doillon is helaas niet heel bekend buiten de Franse landsgrenzen, maar wat is ze ook op deze nieuwe plaat weer goed. Erwin Zijleman