donderdag 19 februari 2009

Cotton Jones - Paranoid Cocoon

De Amerikaanse singer-songwriter Michael Nau maakte de afgelopen jaren een drietal aardige maar niet direct opzienbarende platen met zijn band Page France. Met zijn nieuwe band Cotton Jones maakt Michael Nau direct meer indruk. Het debuut van de band, het deze maand verschenen Paranoid Cocoon, is namelijk een bijzonder leuke plaat. Een plaat die direct weet te overtuigen, maar zijn ware schoonheid pas na vele luisterbeurten prijs geeft. Cotton Jones maakt op haar debuut muziek die met enige fantasie in het hokje psychedelische folk is te duwen. Muziek die af en toe raakt aan die van Devandra Banhart en al zijn volgelingen, soms wat heeft van Andrew Bird (vanwege het fluiten) en soms doet denken aan de retro van M. Ward, maar opener Up A Tree (Went This Heart I Have) klinkt toch weer vooral als The Doors in hun beste dagen. Paranoid Cocoon is een plaat die je mee terug neemt naar de Summer of Love. De muziek van Cotton Jones is zweverig, zonnig en zorgeloos. Psychedelische hippiefolk vol galm die de kou uit de lucht haalt en de lente laat beginnen. Muziek zoals die de laatste jaren wel vaker is gemaakt, maar waar de songs van de vele voorgangers van Cotton Jones snel vervlogen, worden de tracks op Paranoid Cocoon alleen maar beter. Luister wat vaker naar de songs van Cotton Jones en je hoort dat het meer is dan feel-good muziek of a trip down memory lane. De songs op Paranoid Android blijken uit vele lagen te bestaan en alle lagen zijn even mooi. Betoverende gitaarloopjes, bezwerende koortjes, zwoele vrouwenstemmen, onderkoelde mannenstemmen, tegendraadse orgeltjes, verrassende wendingen, hemelse melodieën: Paranoid Cocoon van Cotton Jones heeft het allemaal. In eerste instantie vond ik dit niet meer dan een aangenaam plaatje voor late avonden of vroege ochtenden, maar zo langzamerhand ervaar ik het beluisteren van deze plaat steeds vaker als het beluisteren van een waar meesterwerk. Een klontje in de pap dat toch echt een krent blijkt te zijn. En wat voor één. Erwin Zijleman