maandag 26 juni 2017

The Deslondes - Hurry Home

De uit New Orleans afkomstige band The Deslondes was precies twee jaar geleden een bijzonder aangename verrassing met een titelloos debuut dat nadrukkelijk teruggreep op de Amerikaanse rootsmuziek uit de jaren 50 en 60 en uiteraard ook op de rijke muzikale historie van de bijzondere thuisbasis van de band. 

De mix van invloeden uit met name de rock ’n roll, country, soul en honky tonk ademde nadrukkelijk de sfeer van een ver verleden, maar deed het op een warme zomeravond in 2015 ook uitstekend. 

Het leverde de band terecht een serie bijzonder lovende recensies op, maar desondanks kwam ik de nieuwe plaat van de band alleen maar bij toeval op het spoor toen ik de lijst met de nieuwe releases van de week helemaal tot in de onderste regionen had bestudeerd. 

Hurry Home is inmiddels verschenen en is in muzikaal opzicht (gelukkig) geen muzikale aardverschuiving. Ook op haar nieuwe plaat grijpt de band uit New Orleans nadrukkelijk terug op de Amerikaanse rootsmuziek uit de jaren 50 en 60 en wederom heeft de band een voorliefde voor oude rock ’n roll, country en honky tonk. Het klinkt ook dit keer bijzonder lekker. 

De stokoude muziek van The Deslondes roept weer talloze associaties op met de muziek van muzikanten die ons inmiddels helaas vrijwel allemaal zijn ontvallen en komt in tegenstelling tot de stoffige en oude platen van meer dan een halve eeuw geleden glaszuiver uit de speakers. Dat laatste is wederom de verdienste van topproducer Andrija Tokic (Benjamin Booker, Hurray For The Riff Raff en natuurlijk Alabama Shakes), maar de band drukt zelf het meest nadrukkelijk haar stempel op Hurry Home. 

Ook de tweede plaat van The Deslondes maakt weer diepe indruk met fabuleus en veelkleurig gitaarspel en talloze andere fraaie accenten (luister naar het werkelijk heerlijke orgeltje, de tokkelende piano en naar de fantastisch spelende ritmesectie) en vooral met een veelzijdigheid waarop andere bands alleen maar heel jaloers kunnen zijn. Ook in vocaal opzicht zet de band een prima prestatie neer, zeker wanneer wordt gekozen voor koortjes die de perfectie van The Everly Brothers benaderen. 

Hurry Home is ondanks dezelfde inspiratiebronnen zeker geen herhalingsoefening. Het geluid van de band klinkt misschien net wat steviger en psychedelischer dan twee jaar geleden, maar het is nog altijd muziek die gemaakt lijkt voor broeierige zomeravonden. 

Het debuut van de band was twee jaar geleden een plaat die nog heel lang beter werd en het zal me niet verbazen wanneer dat ook voor Hurry Home op gaat. Er zijn momenteel heel veel bands die de mosterd halen in decennia die inmiddels ver achter ons liggen, maar het geluid van The Deslondes vind ik nog altijd uniek. Alle reden dus om deze plaat de aandacht te geven die het in de eerste week na de release zo moet ontberen. Erwin Zijleman





 

zondag 25 juni 2017

Jeff Tweedy - Together At Last

Een overbodig tussendoortje of een waardevolle aanvulling op een indrukwekkend oeuvre? De critici zijn het vooralsnog niet eens over Together At Last van Jeff Tweedy. 

De voorman van Wilco heeft op zijn eerste echte soloplaat (in 2002 verscheen onder zijn naam de filmsoundtrack Chelsea Walls) gekozen voor akoestische versies van songs uit zijn bijzondere catalogus. 

Together At Last moet het doen met akoestische gitaar, incidenteel mondharmonica en de stem van Jeff Tweedy. 

Uiteraard komen flink wat songs van Wilco voorbij, maar Together At Last staat ook stil bij inmiddels al weer bijna vergeten uitstapjes als Golden Smog (een supergroep met leden van flink wat aansprekende bands, waaronder The Jayhawks, The Replacements en Soul Asylum) en Loose Fur (Jeff Tweedy’s samenwerking met meesterdrummer Glenn Kotche en multi-instrumentalist Jim O'Rourke). 

Together At Last bevat misschien niets nieuws, maar de uiterst ingetogen akoestische versies van de songs van Jeff Tweedy klinken totaal anders dan de versies uit het verleden. Het zijn versies die je niet moet vergelijken met de originelen, maar moet beluisteren als nieuwe songs. Dan hoor je wat een geweldig songwriter Jeff Tweedy is, maar hoor je ook dat hij in staat is om met zeer bescheiden middelen songs tot leven te brengen. 

Het is maar weinig singer-songwriters gegeven om de aandacht 40 minuten vast te houden met een akoestische gitaar en een stem, maar Jeff Tweedy draait er zijn hand niet voor om. Together At Last ontleent zijn kracht natuurlijk aan de stem en het gitaarspel van Jeff Tweedy, maar het zijn vooral de geniale songs die de plaat zo goed maken. 

De rijk georkestreerde parels van Wilco blijken opeens songs die ook prima zijn terug te brengen tot de basis van akoestische gitaar en zang. Zeker wanneer Jeff Tweedy kiest voor uiterst ingetogen gitaarspel en zang hoor je er weinig tot niets van de originelen meer in, maar als de Amerikaan het tempo even opvoert, ben je toch opeens weer terug bij de meesterwerken van de band uit Chicago. 

Ik ben over het algemeen niet zo gek op uiterst sobere platen als de soloplaat van Jeff Tweedy, maar van deze plaat kan ik geen genoeg krijgen. Bij oppervlakkige beluistering lijkt het een op een avond en nacht in elkaar geflanste plaat, maar hoe beter ik luister hoe meer ik hoor. 

Together At Last van Jeff Tweedy is wat mij betreft een waardevolle aanvulling op het al zo bijzondere oeuvre van de Amerikaan en het is bovendien een plaat die naar meer smaakt. Er zijn nog heel wat Wilco songs die ik graag eens teruggebracht tot de essentie zou horen en natuurlijk is er ook nog dat andere bandje waarmee Jeff Tweedy aan het begin van de jaren 90 zoveel indruk maakte en een geheel nieuw genre op de kaart zette. Erwin Zijleman





zaterdag 24 juni 2017

Robyn Ludwick - This Tall To Ride

Robyn Ludwick ken ik van haar in 2005 in eigen beheer uitgebrachte debuut en de drie jaar later verschenen opvolger. 

Op haar debuut For So Long maakte de singer-songwriter uit Texas direct een onuitwisbare indruk. Robyn Ludwick  was destijds begin 30, net moeder en had geen makkelijk leven op het Texaanse platteland. Het zorgde voor een doorleefde rootsplaat vol indringende persoonlijke verhalen. 

De uit een zeer muzikale familie afkomstige singer-songwriter maakte minstens evenveel indruk met het in 2008 verschenen Too Much Desire, dat haar had moeten scharen onder de smaakmakers van de Amerikaanse rootsmuziek. 

De afgelopen negen jaar hoorde ik eigenlijk niets van Robyn Ludwick, sinds ze een week of wat geleden haar nieuwe plaat aankondigde in de mailbox. This Tall To Ride is inmiddels verschenen en ook dit is weer een prachtplaat. 

Robyn Ludwick maakt nog steeds alt-country waarin de gitaren af en toe mogen uithalen, waarin de verhalen vooral de donkere zijde van het leven belichten en waarin de singer-songwriter uit Texas imponeert met emotievolle en doorleefde vocalen. 

Denk aan de platen van Lucinda Williams, het rauwere werk van Allison Moorer, de prachtplaten van Patti Griffin en de platen van Rosanne Cash, om maar eens een aantal namen te noemen. Met het noemen van namen doe je Robyn Ludwick overigens tekort, want de Amerikaanse singer-songwriter maakt ook op haar nieuwe plaat weer diepe indruk met ijzersterke songs, een indringend en broeierig geluid en een stem waarvan je alleen maar kunt houden. 

Ook This Tall To Ride is weer een donkere plaat, waarop onderwerpen als liefde, seks, drank en drugs centraal staat. Het maakt de songs van Robyn Ludwick een stuk rauwer dan die van frisse, jonge en momenteel razend populaire countryzangeressen als Kacey Musgraves en al haar soortgenoten. De populariteit van deze jonge countryzangeressen uit Nashville zal Robyn Ludwick niet snel evenaren, maar in kwalitatief opzicht kan This Tall To Ride de competitie makkelijk aan. 

De songs van Robyn Ludwick dringen zich ook dit keer genadeloos op en snijden door de donkere teksten en de doorleefde zang meerdere keren door de ziel. Net als bijvoorbeeld Amanda Pearcy maakt Robyn Ludwick muziek die iets met je doet, of je dat nu wilt of niet. 

Ook in muzikaal opzicht valt er op This Tall To Ride heel veel te genieten. Robyn Ludwick heeft een aantal prima muzikanten verzameld, die zorgen voor een rauw en broeierig geluid, waarin de gitaren de hoofdrol spelen en meer dan eens zorgen voor gitaarpartijen van een enorme schoonheid.

Ik was Robyn Ludwick eerlijk gezegd wat uit het oog verloren na haar tweede plaat, maar direct bij de eerste noten van haar nieuwe plaat was ik verkocht. This Tall To Ride is sindsdien alleen maar veel beter geworden en behoort absoluut tot de beste rootsplaten die 2017 tot dusver heeft opgeleverd. Erwin Zijleman

This Tall To Ride kan worden verkregen via het prachtige cdbaby: https://store.cdbaby.com/cd/robynludwick22.



ee

ff

vrijdag 23 juni 2017

GospelbeacH - Another Summer Of Love

Bij de zomerse temperaturen van de afgelopen week verlang je bijna automatisch naar muziek die minstens even zonnig is. Hiervoor ben je bij de Amerikaanse band GospelbeacH (hoofdletter aan het eind is geen typefout) aan het juiste adres. 

De naam GospelbeacH zei me eerlijk gezegd helemaal niets, maar de band heeft met Brent Rademaker een grote naam aan boord. 

Deze Brent Rademaker maakte in het verleden deel uit van de bands Beachwood Sparks en The Type, die beiden garant stonden voor zonnige Westcoast pop met een psychedelisch tintje. 

Beide bands maakten niet alleen heerlijk zonnige Westcoast pop, maar ook platen van een bijzonder hoog niveau (muziekliefhebbers die deze platen niet kennen moeten zeker eens gaan luisteren). Het legt de lat hoog voor de tweede plaat van GospelbeacH, maar Brent Rademaker blijkt het maken van geweldige platen gelukkig nog niet verleerd. 

Op het twee jaar geleden verschenen en door mij over het hoofd geziene debuut van de band (Pacific Surf Line) had de Amerikaanse band met Jason Soda en Neal Casal overigens nog twee frontmannen van formaat in de gelederen, maar ze worden op Another Summer Of Love niet echt gemist. 

Ook op Another Summer Of Love grijpt de band rond Brent Rademaker terug op de Westcoast pop uit de zomer van 1967, maar de Amerikaanse band blijft hier zeker niet in steken. GospelbeacH begint op haar tweede plaat bij de eerste Summer Of Love, maar neemt je vervolgens mee op een tijdreis door een deel van de Amerikaanse muziekgeschiedenis. 

Brent Rademaker heeft niet alleen een zwak voor psychedelica en Westcoast pop, maar is ook een groot liefhebber van de countryrock die in de jaren 60 en 70 in de Verenigde Staten floreerde. In flink wat songs op de plaat duiken flarden van de klassiekers van The Byrds en Buffalo Springfield op en dat klinkt bij de zomerse temperaturen van het moment heerlijk. 

GospelbeacH blijft ook niet steken in de jaren 70, maar zoekt ook nadrukkelijk aansluiting bij de muziek die Tom Petty en zijn band The Heartbreakers vanaf de late jaren 70 maakten. Door hier en daar aan te sluiten bij de alt-country van een band als The Jayhawks, slaat GospelbeacH ook een brug naar de jaren 90 en verder. 

De songs op Another Summer Of Love zijn tijdloos, maar klinken ook zo fris als een zomerbriesje op een net wat te warme dag. In vocaal opzicht zorgen Brent Rademaker en zijn medemuzikanten voor een heerlijk lome sfeer, met hier en daar prachtige koortjes. Ook de instrumentatie op de plaat is loom en zonnig, maar hier en daar mogen de gitaren uitpakken met mooie solo’s, waardoor er geen moment sprake is van gezapigheid. 

Another Summer Of Love van GospelbeacH is een plaat waarvan je vanwege de buitengewoon aangename en zonnige klanken alleen maar kunt houden, maar het is ook een plaat die veel beter is dan alles wat de laatste jaren in de verzamelbak 60s en 70s retro is terecht gekomen. Brent Rademaker heeft al twee geweldige bands op zijn cv staan, maar ook met GospelbeacH maakt hij weer een topplaat en het is er ook nog een die de zomer van eerder deze week nog even vasthoudt. Erwin Zijleman





donderdag 22 juni 2017

Maggie Roggers / Kiki Mettler / Hattie Briggs / Tessa Belinfante - EP's

Het aanbod van nieuwe releases is momenteel zo groot dat ik de meeste reissues terzijde schuif (al zitten er natuurlijk prachtige platen tussen). Hetzelfde geldt voor EP’s, want als ik aandacht besteed aan nieuwe muziek, besteed ik bij voorkeur aandacht aan veel nieuwe muziek. Dat is misschien wat ouderwets, want wie denkt er tegenwoordig nog in albums? Ik eerlijk gezegd nog wel en daar hou ik graag aan vast. Toch ontvang ik ook wel eens EP’s die ik zo leuk vind dat ze een plekje op deze BLOG verdienen. Hieronder komen er vier voorbij. Een uit Engeland, een uit de Verenigde Staten en twee uit Nederland en alle vier van talentvolle en nog jonge vrouwelijke singer-songwriters. Hun albums schrijf ik alvast op voor een plekje op de krenten uit de pop, maar ook deze vier EP’s mogen er zijn. Erwin Zijleman


Maggie Roggers is een jonge singer-songwriter uit Maryland in de Verenigde Staten, die wel eens heel groot kan gaan worden. 

Een paar jaar geleden maakte ze al eens twee prima folky albums, maar sinds ze is toegelaten tot het Clive Davis Institute of Recorded Music van de Universiteit van New York heeft ze haar muzikale universum verruimd. 

Vorig jaar schreef ze voor een masterclass met niemand minder dan Pharrell Williams in slechts 15 minuten het briljante popliedje Alaska, waarin folk, pop, elektronica en dansmuziek op fascinerende wijze worden samengesmeed tot een popliedje dat je na een keer horen nooit meer gaat vergeten. 

Alaska is de sterkste track op Now That The Light Is Fading, maar ook de andere vier tracks op de eerder dit jaar verschenen EP van Maggie Roggers mogen er zijn. Het zijn songs waarin het onderkoelde van Ellie Goulding wordt vermengd met de soul van Erykah Badu (de muziek die haar moeder bijdroeg aan de vooral op klassieke muziek gerichte jonge Maggie Rogers), maar Maggie Rogers creëert op haar EP vooral een eigen geluid, dat het label folktronica, dat er momenteel wordt opgeplakt, overstijgt. 

Maggie Roggers slaagt er immers in om elektronische muziek te maken die warm en gloedvol klinkt. Bovendien schrijft de jonge Amerikaanse singer-songwriter songs die over de potentie beschikken om een breed publiek aan te spreken, maar die ook in artistiek opzicht interessant zijn. Het maakt me heel nieuwsgierig naar haar volgende album, dat hopelijk later dit jaar verschijnt.    









De wereldroem die lonkt voor Maggie Roggers is voor de Nederlandse Kiki Mettler waarschijnlijk nog wat verder weg. De jonge singer-songwriter uit Sint Oedenrode debuteert echter uitstekend met de zes tracks op Feathers. 

In tegenstelling tot de meeste van haar soortgenoten kiest Kiki Mettler niet uitsluitend voor navelstaren met haar akoestische gitaar, maar zijn de meeste tracks op Feathers voorzien van een vol klinkend bandgeluid. Het levert een serie bijzonder lekker in het gehoor liggende popliedjes op. 

Het zijn popliedjes die opvallen door een instrumentatie die je niet direct verwacht bij een jonge vrouwelijke singer-songwriter, maar het is ook een instrumentatie waarmee de Brabantse singer-songwriter zich kan onderscheiden van de concurrentie. 

Ondanks het bij vlagen lekker volle bandgeluid kan Feathers nog steeds worden getypeerd als singer-songwriter plaat. De instrumentatie staat immers volledig in dienst van de stem van Kiki Mettler en haar mooie songs vol persoonlijke verhalen. Het is een krachtige en warme stem die indruk maakt en die prachtig gedijt in wat meer pop-georiënteerde songs, maar ook imponeert in intieme songs met een beetje melancholie. 

En als Kiki Mettler halverwege de EP kiest voor een song met alleen akoestische gitaar, blijkt dat ze ook dit kunstje uitstekend beheerst. De concurrentie in dit genre is momenteel moordend, maar bij Kiki Mettler hoor ik net wat meer gevoel, passie, eigenzinnigheid en talent. Het maakt me heel nieuwsgierig naar haar debuutalbum dat hopelijk snel het licht kan zien (met deze fraaie EP moet een crowdfunding campagne wel gaan lukken). 





Hattie Briggs is Engeland’s hardst werkende folkie. De singer-songwriter uit Stroud, Gloucestershire (overigens de geboorteplaats van verrassend veel kunstenaars), heeft inmiddels twee uitstekende albums op haar naam staan en voegde hier onlangs een EP aan toe. Het uitbrengen van platen combineert ze met flinke aantallen optredens en roemruchte huiskamerconcerten die haar inmiddels ver buiten de Britse landsgrenzen hebben gebracht. 

Ook op de vier nieuwe tracks (en de live-versie van een van deze tracks) op Hide laat Hattie Briggs weer horen wat ze in huis heeft. 

De Britse singer-songwriter heeft zich flink laten inspireren door de Britse folk uit een tijd waarin ze zelf nog lang niet geboren was, maar Hattie Briggs is ook absoluut beïnvloed door het imposante oeuvre van Joni Mitchell. Een laatste naam die genoemd moet worden is die van Eva Cassidy. Op haar debuut trad ze ooit in de voetsporen van Eva Cassidy met een prachtige versie van Fields of Gold en nog altijd hoor ik wat van Eva Cassidy in de stem van de jonge Britse singer-songwriter. Net als Eva Cassidy zingt Hattie Briggs loepzuiver, maar misschien nog wel belangrijker is de emotie die ze in haar stem legt, waardoor ook beluistering van Hide weer goed is voor 23 minuten kippenvel. 

In alle songs op Hide vertelt Hattie Briggs haar verhalen en het zijn verhalen die diep onder de huid kruipen. Dit is deels de verdienste van de mooie, stemmige en veelzijdige instrumentatie op Hide, maar het is de prachtige stem van Hattie Briggs die ook Hide weer naar een hoger plan tilt. 

In Engeland is iedereen inmiddels overtuigd van de kwaliteiten van Hattie Briggs, maar in Nederland kan haar muziek nog best een boost gebruiken. Haar twee reguliere albums laten perfect horen over hoeveel talent Hattie Briggs beschikt, maar Hide laat horen dat de jonge Britse singer-songwriter zich nog steeds flink ontwikkelt en dat de rek er nog lang niet uit is. Hide beluister ik inmiddels voor de zoveelste keer en weer is het continu goed voor kippenvel.



 



Meedoen aan The Voice Of Holland en een in artistiek opzicht geslaagde carrière in de muziek gaan tot dusver nauwelijks samen. Zeven seizoenen The Voice Of Holland zijn er inmiddels geweest en van het merendeel van de winnaars hebben we weinig tot niets meer vernomen. 

Positieve uitzondering is Tessa Belinfante, die in seizoen 3 heel wat tegenstanders voor moest laten gaan, maar mede hierdoor wel haar eigen leven na The Voice Of Holland vorm kon geven. 

Dat leverde aan het begin van 2015 een veelbelovende EP op, waarna in de herfst van 2016 een uitstekend album (Fly As We Fall) volgde. 

Met de Surface EP laat Tessa Belinfante horen dat ze alleen maar beter wordt. De titeltrack is een smaakvolle indiepop song met mooie gitaarlijnen en een bijzondere sfeer. Het wordt gecombineerd met flink wat vocaal vuurwerk, maar het mooie van de zang van Tessa Belinfante is dat ze prachtig kan doseren. Af en toe wordt er flink uitgehaald, maar de singer-songwriter uit Amsterdam kan ook heel mooi ingetogen zingen. 

De rest van de Surface EP wordt aangevuld met akoestische versies van vier songs van het vorig jaar verschenen debuutalbum van Tessa Belinfante. Dat leek me op voorhand nogal mager voor een nieuwe EP, maar de nieuwe versies van de songs van het album zijn prachtig. 

Het zijn versies die heel goed laten horen hoe goed en tijdloos de songs van Tessa Belinfante zijn, maar in het akoestische maar ook volle geluid komt haar zang ook nog eens veel beter tot zijn recht. 

Tessa Belinfante heeft nog steeds last van het Voice of Holland stempel, dat er voor zorgt dat de ‘serieuze muziekliefhebber’ minder geneigd is om naar haar muziek te luisteren, maar iedereen die Tessa Belinfante negeert vanwege haar verleden (dat voor The Voice overigens al gekleurd werd door de indiepop) doet zichzelf flink tekort. Ik ben zelf blij dat ik ook weer naar deze EP geluisterd, want het talent en het gevoel spatten er van af. Prachtig.



woensdag 21 juni 2017

Kevin Morby - City Music

Kevin Morby is een druk baasje. Hij maakte de afgelopen tien jaar een handvol platen met het uit Brooklyn afkomstige Woods, twee geweldige platen met zijn eigen band The Babies en ook nog eens drie soloplaten. 

Van deze soloplaten wist het vorig jaar verschenen Singing Saw, dat werd vergeleken met het vroege werk van Bob Dylan en Leonard Cohen, zelfs flink wat jaarlijstjes te halen. En terecht. 

Nauwelijks een jaar na Singing Saw is Kevin Morby al weer terug met een nieuwe plaat, City Music. City Music is een ode aan de grote stad en moet volgens Kevin Morby worden gezien als een plaat die hoort bij zijn voorganger, maar dan niet beïnvloed door Bob Dylan en Joni Mitchell, maar door Lou Reed en Patti Smith. City Music klinkt inderdaad wat anders dan het sobere Singing Saw en maakt zeker bij eerste beluistering een wat fragmentarische indruk. 

De plaat opent met een opvallend dromerige track vol synths, die raakt aan, hoe kan het ook anders, de dreampop uit de jaren 90. In de tweede track duiken de al voorspelde invloeden van Lou Reed op, in een track die zo op klassieker New York had kunnen staan. 1234 kan alleen maar een ode aan de Ramones en overtuigt met een eenvoudig maar trefzeker rockliedje van nog geen twee minuten. In track vier komen de aan Bob Dylan herinnerende vocalen weer terug, maar kiest Kevin Morby voor een verrassend lichtvoetig deuntje, waarin uiteindelijk de gitaren los mogen gaan. 

Kevin Morby heeft je inmiddels vier tracks op het verkeerde been gezet en blijft dat ook op de rest van de plaat doen. Track vijf herinnert aan een jonge Lou Reed, maar verrast in een op het eerste gehoor simpel popliedje ook met buitengewoon inventief en effectief gitaarspel. 

Simpel (of lo-fi) is een predicaat dat bij de eerste kennismaking met City Music vaak zal opduiken, maar schijn bedriegt. Waar Dry Your Eyes opvalt door opvallend mooi en gevoelig gitaarspel, heeft iedere track op de nieuwe plaat van Kevin Morby wel iets dat je enthousiast doet opveren. City Music maakt niet direct de onuitwisbare indruk die Singing Saw een jaar geleden maakte, maar de nieuwe plaat va de Amerikaanse muzikant is een groeiplaat. 

Met bescheiden middelen creëert Kevin Morby een bijzonder geluid. De bijna zeven minuten durende titeltrack wordt gedragen door een herhalend gitaarloopje, maar bouwt door een aantal tempowisselingen prachtig de spanning op en raakt stiekem ook aan de muziek van de New Yorkse band Television. 

Op de tweede helft van de plaat duiken ook een jonge Bob Dylan en een jonge Leonard Cohen (de slottrack Downtown’s Lights lijkt een eerbetoon aan de vorig jaar overleden Canadese muzikant) weer op in popsongs die lijken weggelopen uit een ver verleden, maar stiekem zijn voorzien van eigentijdse accenten. 

Na eerste beluistering vond ik City Music interessant, maar niet van het kaliber van Singing Saw. Nu de ruwe diamanten op de nieuwe plaat van Kevin Morby geslepen zijn na herhaalde beluistering, moet deze eerste conclusie op de schop. Ook City Music is weer een prachtplaat vol fonkelende diamanten en is als je het mij vraagt jaarlijstjesmateriaal. Erwin Zijleman





dinsdag 20 juni 2017

Jason Isbell & The 400 Unit - The Nashville Sound

Jason Isbell verliet in 2007 de Drive-By Truckers en begon vrijwel direct aan een solocarrière. 

Na het uitstekende Sirens Of The Ditch uit hetzelfde jaar, formeerde Jason Isbell in 2008 zijn band The 400 Unit om zijn songs ook op het podium te kunnen vertolken. 

The 400 Unit was van de partij op de twee prima platen die Jason Isbell na zijn debuut maakte (Jason Isbell & The 400 Unit uit 2009 en Here We Rest uit 2011), maar was niet van de partij op de twee platen die hierna volgden. 

Met deze platen, Southeastern uit 2013 en Something More Than Free uit 2015, groeide Jason Isbell uit tot de smaakmakers binnen de Amerikaanse rootsmuziek van het moment en leverde de muzikant uit Green Hill, Alabama, bovendien twee onbetwiste jaarlijstjesplaten af. 

Op het deze week verschenen The Nashville Sound doet Jason Isbell wederom een beroep op topproducer Dave Cobb, die ook de twee vorige platen zo mooi produceerde, maar is ook The 400 Unit terug van weggeweest. Heeft de terugkeer van de band veel effect op het geluid van Jason Isbell? Ja en nee. 

The Nashville Sound bevat flink wat meer ingetogen songs die ook op de twee vorige platen hadden kunnen staan, maar bevat ook een aantal net wat stevigere en voller klinkende songs, waarin de muziek van Jason Isbell wordt voorzien van een bandgeluid. In de wat stevigere songs combineert het gitaarwerk van Jason Isbell buitengewoon fraai met dat van The 400 Unit gitarist Sadler Vaden, maar ook Jason Isbell’s vrouw Amanda Shires mag net wat steviger uithalen met haar viool. Deze Amanda Shires zorgt overigens ook voor de achtergrondvocalen en deze zijn ook dit keer weer prachtig en tillen de songs naar nog net wat grotere hoogten. 

De invloed van The 400 Unit is in de meeste songs beperkt, maar de aanwezigheid van de band voorziet The Nashville Sound wel van net wat meer dynamiek en variatie. Persoonlijk hoor ik Jason Isbell liever in wat meer ingetogen songs, maar de schoonheid van deze songs wordt alleen maar benadrukt door het incidentele stevigere werk, dat herinnert aan de band die Jason Isbell tien jaar geleden verliet. 

De dynamiek en variatie dragen absoluut bij aan de schoonheid van de plaat, maar ook The Nashville Sound wordt gedragen door de geweldige songs van Jason Isbell. Het is nauwelijks te geloven dat Jason Isbell tien jaar geleden slechts een bescheiden rol had bij Drive-By Truckers, want ook op The Nashville Sound laat de Amerikaan weer horen dat hij behoort tot de beste songwriters binnen de Amerikaanse rootsmuziek van het moment. 

De nieuwe plaat van Jason Isbell en zijn band maakt niet alleen indruk met geweldige songs, maar ook met een doeltreffende en gevarieerde instrumentatie, een zeer trefzekere productie van Dave Cobb en zeker ook door de emotievolle zang van Jason Isbell, die de afgelopen jaren alleen maar beter is gaan zingen. 

De conclusie zal duidelijk zijn: Jason Isbell heeft wederom een plaat gemaakt waar liefhebbers van Amerikaanse rootsmuziek niet omheen kunnen. Erwin Zijleman





maandag 19 juni 2017

Walker Diver - Mk III

Sinds ik het vinyl heb herontdekt kunnen LP’s op net wat meer aandacht rekenen dan cd’s en downloads. 

Het zorgt ervoor dat ik platen oppik die ik anders ongetwijfeld over het hoofd had gezien in het enorme aanbod van het moment. Mk III van de Nederlandse band Walker Diver is zo’n plaat. 

Walker Diver is een band uit Utrecht die inmiddels toe is aan zijn derde bezetting (en de derde plaat), waardoor de titel Mk III een vlag is die de lading dekt. 

Op Mk III vermaakt Walker Diver met buitengewoon lekker in het gehoor liggende gitaarpop. Het is gitaarpop die uitnodigt tot associëren, want er komt een goed gevulde platenkast voorbij bij beluistering van de plaat. 

Mk III doet wel wat denken aan de zonnige pop van Teenage Fanclub of Big Star, de powerpop van The Posies of Fountains Of Wayne, de stevigere rock van The Replacements of Dinosaur Jr. en de alt-country van Son Volt en The Jayhawks. Het is een heel mooi rijtje namen. 

De gitaarpop van Walker Diver is van het zonnige soort. Laat de aangename gitaarsongs van de band uit Utrecht uit de speakers komen en de zon gaat schijnen en je humeur krijgt een positieve boost. Perfecte plaat dus om deze week uit de hoes te halen. 

Walker Diver heeft op Mk III een aantal prima songs verzameld en het zijn songs die meerdere kanten op schieten. Het ene moment kiest de band voor toegankelijke melodieën en aanstekelijke koortjes, maar zonnige gitaarloopjes kunnen ook zomaar omslaan in venijnige riffs en solo’s, die zo aan de snaren van J. Mascis zouden kunnen zijn ontsnapt. 

Het ene moment kruipt de muziek van Walker Diver dicht tegen de powerpop uit de jaren 90 aan, maar de band heeft ook een zwak voor roots en kan opeens invloeden uit de folk en de country verwerken in haar muziek. Hier blijft het niet bij, want in een aantal songs hoor ik flink wat invloeden van R.E.M. (de zang en de koortjes, de geweldige melodieën), ook al geen vergelijkingsmateriaal om je voor te schamen, terwijl ook invloeden uit de Amerikaanse radiorock of collegerock voorbij komen. Wat Britse invloeden, variërend van The Jam tot The Smiths maken het aangename geluid van Walker Diver compleet. 

Het lijkt misschien makkelijk om een flinke bak met invloeden aan elkaar te smeden tot een consistent en eigen geluid, maar dat is het zeker niet. Walker Diver doseert alle invloeden perfect en maakt er een eigen geluid van, dat wordt verpakt in uitstekende songs. Het zijn van die songs die je bij eerste beluistering al jaren lijkt te kennen, maar het zijn ook songs die nog een tijdje nieuwe dingen laten horen. 

Walker Diver heeft Mk III voorzien van een Amerikaans aandoend geluid, maar in de Verenigde Staten zijn er momenteel niet zoveel bands die zulke zonnige en ook veelzijdige gitaarpop maken en songs schrijven die zo goed en tijdloos zijn van die van de Utrechtse band. 

Op vinyl klinkt het allemaal fantastisch, maar ook als de plaat via Spotify uit de speakers komt hoor je muziek die veel meer aandacht verdient dan Walker Diver in Nederland gaat krijgen. Alle reden om eens te gaan luisteren naar deze verrassend sterke plaat. Erwin Zijleman

De uitstekend klinkende LP is verkrijgbaar via de website van de band: http://walkerdiver.com/product/wd-iii-ep/.



zondag 18 juni 2017

Lorde - Melodrama

De uit Nieuw-Zeeland afkomstige Ella Yelich-O'Connor is net 16 als op Soundcloud haar eerste EP opduikt, The Love Club. Sindsdien kennen we Ella Yelich-O'Connor als Lorde. 

Nog geen jaar later is Lorde dankzij de hitsingle Royals een wereldster en imponeert ze met haar debuut Pure Heroine. 

Het debuut van Lorde viel dankzij de aanstekelijke singles in de smaak bij een breed publiek, maar bleek dankzij de eigenzinnige onderlaag ook interessant voor muziekliefhebbers die normaal gesproken hun neus ophalen voor popprinsessen. 

Met Pure Heroine deed Lorde wat Lana del Rey eerder deed; schaamteloos commerciële popmuziek maken die ook in artistiek opzicht interessant is. Het is vervolgens de vraag hoe het verder gaat met een muzikante die creatief en eigenzinnig is, maar ook een potentiële goudmijn voor de platenmaatschappij die haar onder contract heeft staan. Lana del Rey, die 10 jaar ouder is dan Lorde, bleef verrassend overeind, maar lukt dit een meisje dat de tienerjaren nog maar net ontgroeid is ook? 

Lorde keert iets minder dan vier jaar na haar debuut terug met Melodrama. De studio in Auckland werd voor de tweede plaat verruild voor een studio in New York, waar een heel legioen aan hippe producers op de Nieuw-Zeelandse popprinses stond te wachten. Het zijn de producers die hebben gesleuteld aan het geluid van Taylor Swift, Rihanna, Beyonce en Justin Bieber en (helaas) ook hun sporen hebben nagelaten op de tweede plaat van Lorde. 

Melodrama klinkt op het eerste gehoor minder spannend en minder eigenzinnig dan Pure Heroine en lijkt gezwicht voor het grote geld. Je kunt het de piepjonge Lorde nauwelijks kwalijk nemen, maar bij eerste beluistering was ik toch vooral teleurgesteld. 

Melodrama kwam echter tot leven toen ik de plaat met de koptelefoon beluisterde. Natuurlijk klonk de plaat nog steeds hitgevoelig en domineerde de pure pop, maar dat was op Pure Heroine niet anders. Het debuut van Lorde beschikte uiteindelijk over een dubbele bodem en dat is op de tweede plaat van Lorde niet anders. 

De vroegrijpe tiener van vier jaar geleden is getransformeerd in een jonge vrouw die ook de schaduwkanten van de liefde heeft ervaren en van haar hart geen moordkuil maakt. Het geeft de lichtvoetige popliedjes van Lorde een bijzondere lading. Ook in vocaal opzicht klinkt de Nieuw-Zeelandse gelukkig nog steeds anders dan de meeste van haar soortgenoten, wat ook Melodrama weer iets rauws en oorspronkelijks geeft. 

Lorde is op haar tweede plaat in het keurslijf van de radiovriendelijke popmuziek gedrongen, maar heeft gelukkig ook nog genoeg ruimte gekregen om hier aan te ontsnappen. Ook de songs op Melodrama zitten nog vol verrassende wendingen en ook dit keer is de onderlaag donker en avontuurlijk. 

In het begin was ik nog even afgeleid door de aanstekelijke refreinen en de dansvloer beats, maar als je daar eenmaal aan gewend bent openbaart zich, met name bij beluistering met de koptelefoon, een fascinerend muzikaal landschap waarin Lorde laat horen dat ze nog steeds de getalenteerde en heerlijk eigenzinnige muzikanten van vier jaar geleden is. 

De Nederlandse muziekpers moet er helaas niet veel van hebben, maar ik zie inmiddels ook de nodige zeer lovende recensies opduiken. Het zijn recensies waar ik me volledig in kan vinden. Lorde is misschien in een keurslijf gedrongen, maar ontworstelt zich keer op keer aan dit keurslijf als Houdini in zijn beste dagen. Hele knappe plaat. Erwin Zijleman





zaterdag 17 juni 2017

Fleet Foxes - Crack-Up

In 2008 verscheen vrijwel uit het niets het debuut van Fleet Foxes. Het debuut van de band uit Seattle, Washington, verraste met betoverend mooie folksongs en flink wat echo’s uit het verleden. 

Door de meerstemmige zang lag de vergelijking met Crosby, Stills & Nash het meest voor de hand, maar de titelloze eerste plaat van Fleet Foxes herinnerde ook aan roemruchte platen van onder andere Fairport Convention, The Beach Boys en Simon & Garfunkel. 

De band uit Seattle verwerkte deze invloeden in songs die je na één keer horen dierbaar waren en het was dan ook niet verrassend dat de plaat in flinke aantallen over de toonbank ging en aan het eind van 2008 in flink wat jaarlijstjes in de hogere regionen opdook. 

Op het na een pauze van drie jaar verschenen Helplessness Blues ging Fleet Foxes in 2011 verder waar het debuut drie jaar eerder was opgehouden en maakte het opnieuw indruk met prachtige folksongs, die hier en daar voorzichtig het experiment opzochten. 

Sinds Helplessness Blues is het precies zes jaar stil gebleven. Lang leek het er op dat de band rond voorman Robin Pecknold er het bijltje bij neer zou gooien, maar de laatste maanden waren er toch weer flink wat geruchten over een nieuwe plaat van Fleet Foxes. Volgens deze geruchten zou Fleet Foxes volledig hebben gebroken met de indie-folk van de eerste twee platen en zou de band de progrock hebben omarmd. 

Nu Crack-Up eindelijk is verschenen blijkt het allemaal wel mee te vallen. Een ieder die op zoek gaat naar invloeden uit de progrock, zal op Crack-Up hier en daar wat invloeden van de vroege platen van Yes ontwaren, maar op hoofdlijnen heeft Fleet Foxes een plaat gemaakt die een logisch vervolg is op het zes jaar oude Helplessness Blues. 

Ook op Crack-Up maakt Fleet Foxes muziek die in het hokje indie-folk past en zijn er flarden te horen van de grote platen van Crosby, Stills & Nash en Fairport Convention. In vocaal opzicht doet het me wat meer denken aan Simon & Garfunkel, terwijl in muzikaal opzicht meer invloeden van The Beach Boys hoorbaar zijn. 

Fleet Foxes verrast ook op Crack-Up weer met hele mooie songs, maar het zijn songs die weer net wat dieper graven dan op de vorige plaat van de band. Fleet Foxes zoekt op Crack-Up nog veel nadrukkelijker dan op de vorige plaat het experiment. De songs op de plaat zitten vol dynamiek en verrassing, Ingetogen passages worden afgewisseld met eclectische passages en met name in de passages waarin de vocalen ontbreken verkent Fleet Foxes nieuwe wegen. 

Hier en daar is zoals gezegd een vleugje progrock te horen, maar invloeden uit de psychedelica zijn veel duidelijker aanwezig. In 55 minuten komen 11 tracks voorbij en met name de wat langere tracks op de plaat moet je meerdere keren horen voor je ze op de juiste waarde kunt schatten. 

De experimenteerdrift van Fleet Foxes moet ook direct wat gerelativeerd worden. Hier en daar wordt de plaat al vergeleken met platen waarop het roer volledig werd omgegooid als Radiohead’s Kid A of Wilco’s Yankee Hotel Foxtrot, maar dat vind ik wat overdreven. Fleet Foxes zoekt zeker het experiment, maar heeft haar vertrouwde geluid behouden. 

Het is een geluid dat dankzij de vernieuwende impulsen de afgelopen 9 jaar alleen maar mooier en interessanter is geworden, zodat de niet meer verwachte comeback van Fleet Foxes er een is om heel blij van te worden. Erwin Zijleman





vrijdag 16 juni 2017

Cheap Trick - We're All Allright!

Cheap Trick begon vorig jaar aan haar tweede jeugd met het uitstekende Bang, Zoom, Crazy... Hello, dat nog maar eens liet horen dat de band uit Philadelphia veel meer is dan een one-hit-wonder uit de late jaren 70 (muziekliefhebbers met een recenter bouwjaar checken I Want You To Want Me van de memorabele live-plaat At Budakan uit 1979). 

Iets meer dan een jaar na de zo geslaagde comeback plaat is Cheap Trick al weer terug en ook We're All Alright! mag er weer zijn. 

Cheap Trick kreeg een paar jaar geleden volkomen terecht een plekje in de Rock ’n Roll Hall Of Fame en dat heeft de band vleugels gegeven. De cover van de nieuwe plaat van de band bevat deels foto’s uit de oude doos, maar alle songs zijn gelukkig gloednieuw. 

Heel veel invloed op het geluid van de band heeft het overigens niet gehad, want ook op We’re All Allright! borduurt Cheap Trick nadrukkelijk voort op het geluid waarmee de band in de tweede helft van de jaren 70 zo succesvol was. 

Het is een geluid dat zich nadrukkelijk heeft laten inspireren door de grote Britse bands uit de jaren 60, waarbij ik veel meer van The Who en The Kinks hoor dan van The Beatles of The Stones. Het geluid van Cheap Trick staat hiernaast met minstens één been in 70s hardrock en heeft ook wat meegekregen uit de punk die floreerde toen Cheap Trick doorbrak. Cheap Trick heeft aan al deze Britse invloeden ook nog wat invloeden uit de Amerikaanse rockmuziek toegevoegd en combineert al deze invloeden in tijdloos klinkende rocksongs. 

Natuurlijk is het zo dat je in plaats van We're All Alright! net zo makkelijk een Cheap Trick plaat uit de tweede helft van de jaren 70 kunt opzetten, maar wat klinkt het allemaal weer lekker. Cheap Trick grossiert op haar nieuwe plaat in rocksongs vol aansprekende melodieën en aanstekelijke refreinen en combineert dit met een lekker zwaar aangezette ritmesectie, prima zang en natuurlijk heel veel fantastisch gitaarwerk. 

Gitarist Rick Nielsen kent zijn klassiekers een strooit driftig met geweldige solo’s en heerlijke riffs, maar ook de rest van de band (alleen drummer van het eerste uur Bun E. Carlos is inmiddels met pensioen en vervangen  door de zoon van Rick Nielsen, Daxx) heeft er op We're All Alright! hoorbaar zin in. 

De eerdere bewering dat Cheap Trick voor een zeer groot deel leunt op het eigen verleden wordt gelogenstraft in een aantal tracks waarin wordt gekozen voor een net wat meer ingetogen geluid, maar vintage Cheap Trick is gelukkig nooit ver weg. 

Net als Bang, Zoom, Crazy... Hello vorig jaar, is ook We're All Alright! direct bij eerste beluistering een ultieme feel-good plaat vol onweerstaanbare rocksongs, maar We're All Alright! is ook de groeiplaat die zijn voorganger eveneens was. 

Er zijn momenteel verrassend weinig jonge honden die het soort rockmuziek maken waar Cheap Trick zo goed in is. Dat is aan de ene kant jammer, maar zo lang de oude meesters uit Philadelphia het kunstje nog zo goed beheersen als op We're All Alright! hoeven we er niet al te lang over te treuren. De tweede jeugd van Cheap Trick mag van mij nog wel even duren, want van platen als We're All Alright! kan ik echt geen genoeg krijgen. Erwin Zijleman





donderdag 15 juni 2017

Cigarettes After Sex - Cigarettes After Sex

Cigarettes After Sex doet dit jaar zeker mee om de prijzen voor de meest suffe bandnaam en heeft ook nog eens een plaat gemaakt die vooral tot bloei komt wanneer de zon al een tijdje onder is, wat momenteel slechts een paar uur per dag het geval is. 

Alle reden dus om de plaat van de band uit Texas weg te leggen of te bewaren voor de lange en donkere dagen die later dit jaar weer gaan komen, maar ik ben blij dat ik dat niet gedaan heb. Cigarettes After Sex heeft immers een wonderschone plaat gemaakt. 

Voorman Greg Gonzalez vond het geluid van zijn band ooit uit toen hij in een trappenhuis van de University of Texas dromerige muziek vol invloeden uit de ambient maakte. Die muziek maakt Cigarettes After Sex nog steeds, maar het inmiddels tot een band uitgegroeide project heeft haar geluid wel geperfectioneerd. 

Bij beluistering van de titelloze plaat van de band zal direct een naam opduiken en dat is de naam Beach House. Zowel qua tempo, sfeer als instrumentatie doet de muziek van Cigarettes After Sex sterk aan de platen van Beach House denken, maar als je beter naar de plaat luistert hoor je ook de verschillen. 

De muziek van Cigarettes After Sex sleept zich nog wat langzamer voort dan die van Beach House en is ook wat subtieler. Bovendien zingt Greg Gonzalez wat meer ingetogen dan Beach House frontvrouw Victoria Legrand (die overigens niet veel vrouwelijker klinkt), wat het rustgevende karakter van de muziek van Cigarettes After Sex verder versterkt. 

De Texaanse band verdient zeker niet de originaliteitsprijs voor haar muziek en heeft ook geen plaat gemaakt die je constant weet te verrassen of te prikkelen, maar desondanks vind ik het een mooie plaat. Een hele mooie plaat zelfs. 

De instrumentatie is buitengewoon stemmig en door de diepe en zware bassen bijna bezwerend (hier en daar hoor ik wat van Spain), maar het is ook een instrumentatie vol subtiele accenten en vol prachtige atmosferische gitaarlijnen. 

Cigarettes After Sex brengt nauwelijks variatie aan in haar muziek, waardoor de verveling makkelijk toe kan slaan, maar wat de muziek van de band ook een hypnotiserend karakter kan geven. Zeker wanneer de zon onder is, vult de muziek van Cigarettes After Sex op fraaie wijze de ruimte en is het makkelijk wegdromen bij de donkere klanken, de stemmige gitaarlijnen, de lome zang en de bakken vol melancholie die over je heen worden gestort. 

Ik ben absoluut een fan van Beach House, maar na een minuut of 20 ben ik meestal wel toe aan iets anders. Dat had ik eerlijk gezegd bij de eerste beluistering van de plaat van Cigarettes After Sex ook, maar de muziek van de Amerikaanse band wint enorm aan kracht wanneer je de plaat vaker hoort. 

Less is more is hierbij het basisprincipe. Greg Gonzalez heeft niet veel nodig om de muziek van zijn band in te kleuren en heeft ook in vocaal opzicht genoeg aan een paar noten. Met een betrekkelijk sobere instrumentatie creëert Cigarettes After Sex een opvallend ruimtelijk geluid. Het is een geluid dat is beïnvloed door de dreampop, maar dat is niet het hokje waarin de plaat uiteindelijk terecht hoort, al valt het niet mee om een beter hokje te bedenken (op het veelgebruikte predicaat “ambient pop” valt ook wel wat af te dingen). 

Ik kan me goed voorstellen dat er muziekliefhebbers zijn die deze plaat saai zullen noemen, maar als je gevoelig bent voor het soort muziek dat de band van Greg Gonzalez maakt, is wonderschoon meer op zijn plaats. Het zal duidelijk zijn dat ik me meer herken in de laatste beoordeling. Erwin Zijleman





woensdag 14 juni 2017

Lindsey Buckingham & Christine McVie - Buckingham McVie

Lindsey Buckingham maakte in 1973 samen met zijn toenmalige partner Stevie Nicks een plaat die verstrekkende gevolgen zou hebben. 

Buckingham Nicks (helaas niet te vinden op Spotify of Apple Music) was niet eens zo heel succesvol, maar trok wel de aandacht van een wat kwakkelende Britse band die in Los Angeles zocht naar vers bloed. 

Lindsey Buckingham en Stevie Nicks werden dankzij de aangename softpop van hun titelloze debuut ingelijfd bij Fleetwood Mac, dat in de jaren die volgden miljoenen platen zouden verkopen. 

Sinds een jaar of vier toert Fleetwood Mac weer in de bezetting die klassiekers als Rumours en Tusk maakte, wat dit jaar zomaar een nieuwe plaat van de band op had kunnen leveren. Op het laatste moment koos Stevie Nicks echter toch voor een soloplaat en was de eerste Fleetwood Mac plaat sinds Say You Will uit 2003 helaas van de baan. 

Lindsey Buckingham en Christine McVie besloten uiteindelijk om de plaat toch te maken en onder hun beider namen uit te brengen. Ruim 44 jaar na het invloedrijke Buckingham Nicks is er nu dus Buckingham McVie. 

Het tweetal werd in de studio overigens bijgestaan door John McVie en Mick Fleetwood, waardoor 4/5 van de legendarische Fleetwood Mac bezetting is te horen. Samen met producer Mitchell Froom hebben de vier leden van de zo succesvolle band een plaat gemaakt die zeer nadrukkelijk voortborduurt op platen als Tango In The Night uit 1987 en Say You Will uit 2003. Het is een plaat die het niveau van de echte Fleetwood Mac klassiekers (en het niveau van Tango In The Night) niet haalt, maar een slechte plaat is Buckingham McVie zeker niet. 

De twee schreven gezamenlijk drie van de tien songs op de plaat, waarvan Christine McVie er nog twee en Lindsey Buckingham er nog vijf toevoegde. Christine McVie blijft behoorlijk dicht bij de songs die ze in het verleden bijdroeg aan Fleetwood Mac Albums, terwijl de samen geschreven tracks het zo herkenbare Fleetwood Mac geluid laten horen. In zijn eigen songs kleurt Lindsey Buckingham wat meer buiten de lijntjes, wat geslaagde en minder geslaagde songs oplevert, maar altijd zorgt voor prima gitaarwerk. 

Buckingham McVie bevat op het eerste gehoor geen songs die over 40 jaar net zo memorabel zijn als de grote songs van Rumours en Tusk, maar voor liefhebbers van de muziek waarmee Fleetwood Mac de popmuziek veranderde valt er zeker genoeg te genieten op de plaat van Lindsey Buckingham en Christine McVie. 

Hier en daar grijpt het tweetal nadrukkelijk terug op de archieven van Fleetwood Mac, wat nog eens versterkt wordt door het zo herkenbare drumwerk van Mick Fleetwood en de al even kenmerkende baslijnen van John McVie. Het is niet moeilijk om de vocalen en koortjes van Stevie Nicks er bij te denken, wat een hele acceptabele Fleetwood Mac plaat had opgeleverd. 

Waar Lindsey Buckingham op Buckingham Nicks in 1973 baanbrekend bezig was en een nieuw geluid in de stijgers zette, is de Amerikaan op Buckingham McVie vooral trendvolgend. Dat is aan de ene kant jammer, maar aan de andere kant klinkt de plaat erg lekker en wint hij absoluut aan kracht wanneer de zon wat feller schijnt en de volumeknop wat wordt verder opengedraaid. Al met al genoeg redenen om tevreden te zijn met de inspanningen van Lindsey Buckingham en Christine McVie. Erwin Zijleman