Royal Wood is een uit het Canadese Toronto afkomstige singer-songwriter, die inmiddels al meer dan tien jaar aan de weg timmert.
In Canada is Royal Wood (het is echt zijn eigen naam) inmiddels een gerespecteerd muzikant, maar de rest van de wereld heeft de Canadees nog niet weten te veroveren, wat verklaart dat het onlangs dan eindelijk ook in Nederland verschenen The Burning Bright mijn eerste kennismaking is met het werk van Royal Wood.
Over de Canadees is nog niet zo heel veel informatie op het Internet te vinden. Op een Wikipedia pagina wordt zijn muziek vergeleken met die van muzikanten van naam en faam als Ron Sexsmith, Randy Newman en Rufus Wainwright, waardoor ik met hoge verwachtingen begon aan de beluistering van de plaat.
Van de bovenstaande namen hoor ik overigens niet zo heel veel terug bij beluistering van The Burning Bright, al deelt Royal Wood met landgenoot Ron Sexsmith het vermogen om toegankelijke popsongs met diepgang te schrijven.
De songs van Royal Wood op The Burning Bright passen stuk voor stuk in het hokje folkpop. De ene keer gaat het wat meer de kant van de folk op, terwijl in een aantal andere songs invloeden uit de pop domineren.
Net als bijvoorbeeld David Gray maakt Royal Wood folky popmuziek die op hetzelfde moment zowel groots als ingetogen kan klinken. The Burning Bright luistert daarom lekker weg, maar slaagt er ook in om de aandacht vast te houden, hoe vaak je de plaat ook beluistert.
Gezien het enorme aanbod in dit genre is het een flinke uitdaging om op te vallen, maar Royal Wood slaagt daar wat mij betreft wel in; vooral omdat hij zo knap op het snijvlak van folk en pop opereert. De Canadees beschikt over een zeer aangenaam stemgeluid (met hier en daar een randje soul), schrijft al even aangename songs en voorziet al deze songs van fraaie arrangementen waarin verschillende instrumenten steeds zorgen voor iets andere kleuren of op zijn minst andere tinten.
Royal Wood onderscheidt zich hiermee van veel van zijn concurrenten en zeker van de concurrenten die de afgelopen jaren misschien wel succesvol zijn geweest, maar als muzikant of songwriter de lichtgewicht status niet zijn ontstegen. Royal Wood maakt op The Burning Bright weliswaar vooral lichtvoetige songs die heerlijk wegzweven, maar in muzikaal en compositorisch opzicht vindt de Canadees aansluiting bij de zwaargewichten.
In Canada wordt Royal Wood inmiddels geschaard onder de meest getalenteerde singer-songwriters van het moment. In Nederland zal hij deze status niet onmiddellijk verkrijgen, maar dat hij meer aandacht verdient dan hij tot dusver krijgt is absoluut zeker. The Burning Bright is namelijk echt veel te goed om te laten liggen. Erwin Zijleman
Bij Adam Cohen hoeven we het deze keer eens niet te hebben over de moeizame muzikale carrière van kinderen van beroemde muzikanten. De zoon van Leonard Cohen worstelde heel lang met zijn muzikale identiteit, maar vond de juiste toon op zijn vorige plaat, het in 2011 verschenen Like A Man.
Op Like A Man vocht Adam Cohen voor de afwisseling eens niet tegen de muzikale erfenis van zijn vader, maar omarmde hij deze muzikale erfenis. Het leverde een prachtige plaat op die Adam Cohen eindelijk op de kaart zette als de veelbelovende singer-songwriter die hij al zo lang wilde zijn.
Drie jaar na Like A Man verschijnt We Go Home en ook op deze nieuwe plaat verloochent Adam Cohen zijn afkomst niet. Nog meer dan op Like A Man eert Adam Cohen de levende legende die zijn vader is. Dat blijkt al uit de locaties die Adam Cohen koos voor de opname van zijn vierde studioplaat. De jonge Cohen telg toog voor We Go Home niet alleen naar zijn ouderlijk huis in Montreal, maar ook naar het Griekse eiland Hydra, waarop Leonard Cohen zo lang rust en liefde zocht.
Ook in muzikaal opzicht laat We Go Home volop raakvlakken met de muziek van Leonard Cohen horen. Zeker de meer ingetogen songs zouden zo van de oude meester kunnen zijn, maar ook de wat rijker ingekleurde songs doen vanwege de buitengewoon warme en stemmige instrumentatie en het bijzondere gebruik van vrouwenstemmen meer dan eens denken aan de latere platen van Leonard Cohen.
Adam Cohen is bovendien net als zijn vader een woordkunstenaar, die niet alleen prachtige teksten schrijft maar deze ook op intense en indringende wijze weet te vertolken, waarbij Adam niet alleen raakt aan zijn vader, maar ook aan Randy Newman.
Toch zijn er ook verschillen tussen de twee generaties Cohen. Heel af en toe klinkt Adam als de jonge versie van zijn vader, maar over het algemeen genomen laat We Go Home in vocaal opzicht een duidelijk eigen geluid horen. Het siert Adam Cohen dat hij zich niet langer lijkt te schamen voor het rijke oeuvre van zijn vader, maar het siert hem ook dat hij zich niet alleen laat inspireren door zijn vader, maar ook op zoek is gegaan naar een duidelijk eigen geluid; een geluid dat hij heeft gevonden op We Go Home.
We Go Home is vergeleken met zijn voorganger een behoorlijk ingetogen plaat, al is er ook ruimte voor wat meer uitbundige songs. Ook bij beluistering van We Go Home ontsnap je natuurlijk niet aan de vergelijking met het werk van Leonard Cohen, waardoor Adam Cohen met een 2-0 achterstand aan de wedstrijd begint. Op zijn nieuwe plaat slaagt Adam Cohen er echter in om de vergelijking met zijn vader langzaam maar zeker te laten vervagen, waarna een buitengewoon knappe, warmbloedige en intense singer-songwriter plaat over blijft.
Tegen zijn vader moet Adam Cohen het waarschijnlijk nog steeds afleggen (maar dat weten we over een paar dagen, wanneer de nieuwe plaat van de oude meester verschijnt), maar de concurrentie met de meeste van zijn soort- en tijdgenoten kan Adam Cohen met gemak aan. We Go Home is een bijzonder knappe en betoverende plaat en waarschijnlijk groeit hij nog wel even door ook. Ik durf het best een prestatie van formaat te noemen. Erwin Zijleman