zondag 15 juli 2018

The Jayhawks - Back Roads And Abandoned Motels

De Amerikaanse alt-country band The Jayhawks maakte in de eerste helft van de jaren 90 twee briljante platen. Het zijn platen waarmee de band uit Minneapolis, Minnesota, zich schaarde onder de alt-country pioniers en het zijn platen die ik nog steeds met grote regelmaat uit de kast trek. 

Het niveau van Hollywood Town Hall uit 1992 en Tomorrow The Green Grass uit 1995 heeft de band wat mij betreft nooit meer benaderd, al is het maar omdat deze platen optimaal profiteerden van de bijzondere chemie tussen voormannen Gary Louris en Mark Olson (de Lennon/McCartney van de alt-country). 

Ook de laatste twee platen van The Jayhawks vielen me echter zeker niet tegen. Alle reden dus om uit te kijken naar de nieuwe plaat van de Amerikaanse band. Deze plaat opent verrassend met een vocale hoofdrol voor Karen Grotberg in een song die ik ken van de (overigens niet erg overtuigende) soloplaat van Dixie Chicks frontvrouw Natalie Maines. In de tweede track komen de Dixie Chicks terug in het van de band bekende Everybody Knows, waarna ik even dacht dat The Jayhawks een Dixie Chicks coverplaat hebben gemaakt. 

Dit blijkt niet het geval. Back Roads And Abandoned Motels bevat louter songs die Jayhawks voorman Gary Louris schreef voor anderen. De Dixie Chicks komen nog een keer voorbij op de plaat en verder komen songs voorbij die eerder terecht kwamen op platen van onder andere Jakob Dylan en Carrie Rodriguez. Back Roads And Abandoned Motels bevat tenslotte twee gloednieuwe songs. Het levert een plaat op die ongetwijfeld een tussendoortje zal worden genoemd, maar zo ervaar ik de plaat niet. Buiten de songs van de Dixie Chicks en Natalie Maines zijn alle songs op de plaat nieuw voor mij en het zijn stuk voor stuk typische Jayhawks songs. 

Eerder noemde ik de twee voormannen van de eerste editie van The Jayhawks de Lennon/McCartney van de alt-country. Dat is natuurlijk teveel eer, maar als ik de vergelijking vasthoud, is Gary Louris onbetwist de McCartney van de alt-country. De songs op Back Roads And Abandoned Motels sluiten nadrukkelijk aan bij de erfenis van de vroege alt-country, maar hebben zich ook nadrukkelijk laten inspireren door de countryrock uit de vroege jaren 70 en door de muziek van The Beatles en die van Paul McCartney.

Vergeleken met de andere platen van The Jayhawks klinkt Back Roads And Abandoned Motels net wat lichtvoetiger en poppier dan de andere platen van de band, maar op een of andere manier bevalt het me wel. Gary Louris heeft een aantal prima songs geschreven voor anderen en het zijn songs die me, voor zover ik de originelen ken of heb kunnen vinden, beter bevallen in de uitvoering van The Jayhawks. 

Back Roads And Abandoned Motels is een erg aangename plaat die me goed helpt bij het omarmen van het vakantiegevoel, maar het is ook een plaat vol subtiele aanknopingspunten naar muziek uit een ver verleden. Het is bovendien een plaat die zich steeds nadrukkelijker opdringt en die na een paar keer horen meerdere songs oplevert die het verdienen om te worden gekoesterd. Veel meer dan een tussendoortje dus deze nieuwe Jayhawks plaat. Erwin Zijleman



 

zaterdag 14 juli 2018

Cowboy Junkies - All That Reckoning

De Canadese band Cowboy Junkies was aan het begin van het huidige decennium nog zeer productief met maar liefst vier platen in twee jaar tijd, maar sindsdien volgde alleen nog de box-set Notes Falling Slow, wat niet meer dan een reissue van een aantal minder bekende platen van de band was. 

Cowboy Junkies had haar eerste creatieve piek in haar beginjaren, wat prachtplaten als The Trinity Session (1988), The Caution Horses (1990) en Pale Sun, Crescent Moon (1993) opleverde. De tweede creatieve piek volgde wat mij betreft met de vier platen die tussen 2010 en 2012 onder de noemer The Nomad Series werden uitgebracht. Op Renmin Park (2010), Demons (2011), Sing In My Meadow (2011) en The Wilderness (2012) borduurde de band uit Toronto voort op de genoemde klassiekers uit haar beginjaren, maar sloeg het ook verschillende andere wegen in. 

Inmiddels zijn we al weer zes jaar verder en ik was uiteraard heel benieuwd of Cowboy Junkies de goede vorm van The Nomad Series platen heeft weten vast te houden op haar nieuwe plaat. All That Reckoning gaf me verrassend snel het antwoord op deze vraag. Direct in de openingstrack herleeft het geluid dat de band in haar openingsjaren produceerde. De ritmesectie zorgt voor een aardedonkere basis, waar de gitaarlijnen van Michael Timmins afwisselend subtiel en verrassend ruw doorheen snijden. Het is een muzikaal landschap waarin de fluisterzachte vocalen van Margo Timmins uitstekend gedijen. 

Het geluid van Cowboy Junkies is na al die jaren een beproefd recept, maar het is een recept dat voor mij niet altijd even effectief is geweest. Op All That Reckoning pakt het echter weer prachtig uit. De songs op de plaat overtuigen dit keer makkelijk en zitten vol onderhuidse spanning. De nieuwe plaat van Cowboy Junkies is ook nog een plaat die vooralsnog bij iedere beluistering beter wordt.

Het geluid van de Canadese band was in het verleden wel eens wat gepolijst, maar All That Reckoning zit vol scherpe randjes. Deze komen voor een belangrijk deel van het fantastische gitaarwerk van Michael Timmins, die iedere song op de laat van net wat andere accenten voorziet, maar ook de zang van Margo Timmins is minder steriel dan in het verleden, wat de plaat voorziet van doorleving. Het geluid van de band is zoals altijd donker en loom, maar als je goed luistert naar de plaat hoor je dat de productie is voorzien van mooie en subtiele extra’s. 

De eerdere platen van Cowboy Junkies grepen me bij de strot of kabbelden aangenaam maar redelijk fantasieloos voort. All That Reckoning valt absoluut in de eerste categorie. De band uit Toronto heeft de goede vorm van de platen uit The Nomad Series niet alleen behouden, maar zet ook nog een volgende stap. De nieuwe plaat van de band heeft diezelfde bijna mystieke uitwerking die het briljante The Trinity Session precies 30 jaar geleden had, maar laat ook een band horen die jeugdige onbevangenheid heeft verruild voor levenservaring en intensiteit. 

Ik had onrealistisch hoge verwachtingen rond de nieuwe plaat van Cowboy Junkies, maar de band heeft de verwachtingen ruimschoots overtroffen. Gezien mijn grote liefde voor het werk van de band zegt dat nogal wat. Echt een wonderschone plaat van een band die nog steeds presteert op de toppen van haar kunnen. Erwin Zijleman



 

vrijdag 13 juli 2018

Dave Matthews Band - Come Tomorrow

Dave Matthews is sinds het begin van de jaren 90 een grootheid in de Verenigde Staten. Deze status dankt de in Zuid-Afrika geboren muzikant aan een aantal zeer succesvolle platen en vooral aan zijn geweldige staat van dienst op het podium (die resulteerde in een onwaarschijnlijk groot aantal live albums). 

In Nederland oogst Dave Matthews vooralsnog veel minder lof en het is maar de vraag of dit nog gaat veranderen. Ik heb het zelf ook vaak geprobeerd met de platen van de Dave Matthews Band, maar meer dan aardig vond ik ze vrijwel nooit. 

Een aantal dagen geleden werd ik door Spotify getrakteerd op een tip nadat ik een ander album had afgespeeld (een soms irritante maar soms ook waardevolle feature). Ik kon deze tip niet direct plaatsen, maar het beviel me zeer. Het bleek uiteindelijk te gaan om Come Tomorrow van de Dave Matthews Band; een album dat ongeveer een maand geleden verscheen. 

Dave Matthews concentreerde zich de afgelopen jaren op touren, maar zes jaar na het goed ontvangen Away From The World moest het weer eens komen van een nieuw studioalbum. Dave Matthews liet niets aan het toeval over en rekruteerde voor Come Tomorrow meerdere producers van naam en faam en ook nog eens een waslijst aan gastmuzikanten. Toch is Come Tomorrow een bij vlagen opvallend ingetogen en introspectieve plaat geworden. 

Een aantal songs op de plaat is zeer sober ingekleurd, waarbij overigens wel steeds net wat andere kleuren worden gebruikt. Ik heb in het verleden nooit zo gelet op de stem van Dave Matthews, maar op Come Tomorrow maakt de in de Verenigde Staten op handen gedragen muzikant wat mij betreft indruk met gevoelige en doorleefde vocalen. Het zijn vocalen die worden begeleid door prachtig en zeer gevarieerd gitaarwerk. 

Ik dacht bij de naam Dave Matthews tot dusver aan lekker in het gehoor liggende maar niet erg opzienbarende Amerikaanse rockmuziek, maar Come Tomorrow laat horen dat hij veel meer kan. Met name de ingetogen songs op de plaat zijn geweldig, maar ook als Dave Matthews kiest voor aanstekelijke rockmuziek of voor soulvolle klanken met flink wat blazers, vallen zijn songs op door de fraaie instrumentatie en door de uitstekende vocalen. 

Zeker wanneer je wat beter luistert naar de muziek van Dave Matthews en zijn band, hoor je hoeveel invloeden de Zuid-Afrikaanse muzikant verwerkt in zijn muziek. Come Tomorrow laat invloeden uit de rock, soul, jazz, blues en funk horen en met deze invloeden heb ik slechts het topje van de ijsberg te pakken. De Dave Matthews Band (vaak afgekort tot DMB) krijgt vaak het etiket jam-band opgeplakt, maar waar ik bij jam-bands denk aan eindeloos soleren in songs zonder kop of staart, steken de songs van Dave Matthews buitengewoon knap in elkaar en wordt het perfecte popliedje vrijwel nooit uit het oog verloren. 

Veelzijdigheid is de kracht van Come Tomorrow, maar het is ook de zwakte. Na een songs waarin de onderhuidse spanning prachtig wordt gemaximeerd, doen de grootse en soulvolle songs wat gewoontjes aan, maar deze zijn op de bijna een uur durende plaat gelukkig in de minderheid. 

Na de eerste kennismaking met de nieuwe plaat van Dave Matthews heb ik Come Tomorrow nog vaak beluisterd en mijn waardering voor de plaat blijft maar groeien. Er zijn in Nederland nogal wat muziekliefhebbers die niets moeten hebben van de muziek van de Dave Matthews Band, maar ik weet bijna zeker dat zijn nieuwe plaat veel van deze muziekliefhebbers uitstekend zal bevallen. Erwin Zijleman



 

donderdag 12 juli 2018

77:78 - Jellies

De Britse muzikanten Aaron Fletcher en Tim Parkin stonden ooit aan de basis van de Britse band The Bees. De vanaf The Isle of Wight opererende band leverde in 2004 met Free The Bees een bescheiden meesterwerk af, maar sinds 2010 is het helaas stil rond de band. 

Aaron Fletcher en Tim Parkin werken sinds 2010 samen onder de naam 77:78 en die samenwerking heeft nu een eerste plaat opgeleverd. 

Iedereen die het meesterwerk van The Bees kent, weet dat de band zo ongeveer de hele Britse muziekgeschiedenis van de late jaren 60 in haar songs had gepropt en voor het gemak de Amerikaanse muziekgeschiedenis van deze periode ook nog maar had toegevoegd. 

Ook het debuut van 77:78 staat bol van de invloeden en neemt je vooral mee terug naar vervlogen tijden. Dat is momenteel erg in, maar waar de meeste bands het associëren met een goedgevulde platenkast niet erg moeilijk maken, is het niet zo eenvoudig om relevant vergelijkingsmateriaal aan te dragen voor het duiden van de muziek van 77:78. Jellies is een plaat vol zoete verassingen en het zijn verrassingen in alle kleuren. 

77:78 citeert op haar archief nadrukkelijk uit de archieven van de (Northern) soul, maar gaat net zo makkelijk aan de haal met psychedelica, funk, Westcoast pop of zelfs dub. 77:78 combineert een vat vol invloeden, maar voegt hier een vat vol tegenstrijdigheden aan toe. Het ene moment hoor je wat van The Beach Boys, het volgende moment duikt Syd Barret op of levert 10cc haar beste werk af, maar 77:78 tovert ook een lome versie van Big Audio Dynamite of een soulvolle versie van The Style Council uit de hoge hoed. 

Met het noemen van namen doe je het Britse duo altijd te kort, want geen enkele vergelijking gaat lang mee en vrijwel niets doet het bijzondere geluid op Jellies recht. 77:78 haalt de mosterd immers zeker niet alleen in het verleden, maar voegt ook eigentijdse invloeden aan haar muziek, flirt met hip-hop ritmes en kleurt stiekem ook nog op talloze andere manieren buiten de lijntjes. Jellies staat hierdoor bol van het avontuur, maar het is ook de perfecte soundtrack voor een broeierige zomeravond of een luierdag. 

Natuurlijk doet de muziek van 77:78 ook geregeld denken aan de terecht bewierookte platen van The Bees, maar Aaron Fletcher en Tim Parkin slaan ook allerlei andere wegen in. Het ene moment wordt je betoverd door soulvolle blazers of een aangenaam tegendraads orgeltje, het volgende moment betovert het tweetal met Beach Boys achtige koortjes. In de ene track domineren organische en soulvolle klanken, maar niet veel later krijg je een flinke dosis moderne elektronica voor de kiezen en lijkt de Beta Band opgestaan. 

Het zal duidelijk zijn dat Jellies van 77:78 met geen mogelijkheid in een hokje is te duwen. Het is een plaat waarop teveel gebeurt om op te noemen, maar het is ook een plaat vol zoete popliedjes die je na één keer horen wilt koesteren. Het wispelturige muzikale karakter van Aaron Fletcher en Tim Parkin zal waarschijnlijk flink wat muziekliefhebbers tegenstaan, maar wat mij betreft heeft het Britse tweetal een plaat afgeleverd die niet in de schaduw hoeft te staan van het meesterwerk dat ze ooit maakten met The Bees. Ik zet Jellies nog maar eens op en ik hoor weer nieuwe dingen. Ondertussen wordt het oor steeds meedogenlozer gestreeld met popliedjes waarvan ik alleen maar zielsveel kan houden. Geweldige plaat. Erwin Zijleman



 

woensdag 11 juli 2018

Jennifer Castle - Angels Of Death

Angels Of Death van Jennifer Castle is inmiddels al een maand of twee uit en leek tot voor kort voorgoed op de stapel van vergeten of te vergeten platen te zijn beland. 

Dat is in mijn geval geen nieuwe stapel voor de platen van de muzikante uit het Canadese Toronto, want ook voorgangers Castlemusic uit 2011 en Pink City uit 2014 kregen van mij uiteindelijk niet het predicaat krent uit de pop. 

In beide gevallen zag het er bij de eerste beluistering nog heel anders uit, maar uiteindelijk wisten de eerste twee platen van Jennifer Castle me niet te pakken (al deed Pink City dat vorige week alsnog). Met Angels Of Death leek het precies zo te gaan. Bij eerste beluistering schreef ik de plaat onmiddellijk op voor de recensies voor de week die er aan kwam, maar uiteindelijk raakte de plaat toch wat op de achtergrond. 

Dankzij de plotseling aangebroken komkommertijd heb ik de derde plaat van de Canadese singer-songwriter echter toch nog een kans gegeven en vreemd genoeg was ik nu onmiddellijk diep onder de indruk van de muziek van Jennifer Castle en kan ik me niet meer voorstellen dat ik ooit heb getwijfeld over de plaat. 

De muzikante uit Toronto maakt op haar derde plaat muziek die geïnspireerd lijkt door de grote vrouwelijke singer-songwriters uit de jaren 70, zeker wanneer de piano domineert in haar songs. Denk aan Carole King, maar denk ook zeker aan Laura Nyro. Hiernaast sluit Jennifer Castle aan bij de groten binnen de Amerikaanse rootsmuziek, zeker wanneer ze flink wat invloeden uit de country aan haar muziek toevoegt. Het heeft af en toe wat van de muziek van Natalie Merchant, maar de Canadese muzikante kan ook uit de voeten met veel traditioneler klinkende Amerikaanse rootsmuziek en verwerkt hiernaast op subtiele wijze invloeden uit de gospel in haar muziek. 

Angels Of Death werd opgenomen in een kerk op het Canadese platteland en volgde op een aantal sterfgevallen in de omgeving van Jennifer Castle. Het geeft haar nieuwe plaat een bijzondere en vaak wat melancholische sfeer en het is een sfeer die de songs op de plaat een flink stuk optilt.

Het is knap hoe de muzikante uit Toronto het ene moment nauw kan aansluiten bij de grote singer-songwriters uit de jaren 70, maar het volgende moment net zo makkelijk een country tranentrekker uit de hoge hoed tovert, compleet met snik. Ik vind de stem van Jennifer Castle het mooist wanneer ze de snik achterwege laat, maar ook met de wat meer country georiënteerde songs op de plaat is echt helemaal niets mis. 

De opnames in een oude kerk voorzien de muziek of Angels Of Death van een bijzondere en soms bijna sacrale sfeer en hoe vaker ik naar de plaat luister, hoe mooier en indringender hij wordt. Jennifer Castle heeft een plaat gemaakt zonder al teveel opsmuk. De instrumentatie op de plaat is relatief sober, maar zit op hetzelfde moment vol fraaie details. Het past prachtig bij de stem van Jennifer Castle, die indruk maakt met doorleefde en emotievolle vocalen. 

Bij vluchtige beluistering haakte ik twee maanden geleden toch weer af, maar inmiddels durf ik wel te stellen dat Jennifer Castle met Angels Of Death een prachtplaat heeft gemaakt, die de concurrentie met vergelijkbare platen makkelijk aan kan en die niet misstaat in jaarlijstjes. Mis hem niet. Erwin Zijleman

De muziek van Jennifer Castle is verkrijgbaar via haar bandcamp pagina: https://paradiseofbachelors.bandcamp.com/album/angels-of-death.



 

dinsdag 10 juli 2018

Esther Von Haze - Esther Von Haze

Esther Von Haze (aka Esther van Hees) is een Belgische singer-songwriter, die al een tijdje in Amsterdam woont. In onze hoofdstad maakte ze samen met het producer duo Nelson & Djosa (namen die bij mij overigens geen belletje doen rinkelen) haar debuut. 

Het is een debuut dat in het persbericht wordt omschreven als een album vol echo’s naar het werk van Kate Bush en Joni Mitchell, maar dan bezien vanuit een hedendaags perspectief. Hiermee legt Esther Von Haze de lat wel erg hoog, want zowel Kate Bush als Joni Mitchell behoren tot het zeer selecte gezelschap van vrouwelijke singer-songwriters die de popmuziek wisten te vernieuwen. 

Zeker wanneer je verwacht dat de Belgische singer-songwriter op haar debuut in de voetsporen gaat treden van deze twee grootheden uit de geschiedenis van de popmuziek, en in mijn geval zelfs twee persoonlijke muzikale helden, kan het debuut van Esther Von Haze alleen maar tegenvallen. Bij eerste beluistering hoorde ik op dit debuut weinig van de intense emotie en diepgang van Joni Mitchell en ook niet veel van de baanbrekende experimenteerdrift van Kate Bush. 

Het debuut van Esther Von Haze staat vol met modern klinkende popliedjes met soms wat invloeden uit de dance, soms wat invloeden uit de hedendaagse pop en soms wat invloeden uit de jazz. Zeker niet onaangenaam, maar ook zeker niet wat je op basis van het persbericht verwacht. Kortom, niet lezen dat persbericht en onbevangen luisteren naar het titelloze debuut van Esther Von Haze. 

Wanneer je zonder torenhoge verwachtingen begint aan de beluistering van haar debuut, hoor je een totaal andere plaat. Het bovenstaande suggereert wellicht dat het debuut van de van uit Amsterdam opererende singer-songwriter een wat doorsnee popplaat is, maar dat is zeker niet het geval. Het debuut van Esther Von Haze staat vol met modern klinkende popliedjes, maar het zijn ook popliedjes die continu sprankelen en die veel interessanter klinken dan die van de meeste van haar soortgenoten. 

Als ik het persbericht nog één keer tevoorschijn haal, concludeer ik dat Esther Von Haze zich vergelijkt met zangeressen met een stem die niet onmiddellijk als aangenaam te typeren is. Met zowel Joni Mitchell als Kate Bush kan ik mijn huisgenoten (met de kat voorop) de gordijnen in jagen, maar de stem van Esther Von Haze is juist bijzonder aangenaam. Het is een stem die uitstekend gedijt in frisse popliedjes met wat invloeden uit de dance, maar het is ook een stem die verrassend makkelijk overeind blijft wanneer de Belgische singer-songwriter kiest voor ingetogen ballads waarin de instrumentatie sfeervol en stemmig is en al het vuurwerk van haar stembanden moet komen. 

Juist in de wat meer ingetogen songs hoor je het talent van Esther Von Haze. Het zijn songs waarin op subtiele wijze buiten de lijntjes wordt gekleurd en de Belgische muzikante haar roots als jazzzangeres niet verloochent. In vocaal opzicht is het allemaal dik in orde en hoor ik pas na enige tijd toch een klein beetje Kate Bush en ook in muzikaal opzicht is het debuut van Esther Von Haze een interessante plaat. 

Het is een plaat die zoals gezegd modern klinkt, terwijl de synths hier en daar zo lijken weggelopen uit de jaren 80 (ik hoor wel wat van Prince protegees Wendy & Lisa en vooral Jill Jones), waardoor Esther Von Haze zich uiteindelijk makkelijk weet te onderscheiden van de concurrentie met een bijzonder eigen geluid. 

Ik lees eigenlijk nooit de persberichten bij nieuwe platen en dat had ik ook dit keer niet moeten doen. Esther Von Haze heeft immers een frisse en avontuurlijke plaat gemaakt, die zich nog niet direct op het niveau van de absolute grootheden bevindt, maar wel bol staat van potentie en talent. Ik zet hem absoluut op mijn playlist voor lome zomeravonden. Erwin Zijleman

De muziek van Esther Von Haze is verkrijgbaar via haar bandcamp pagina: https://esthervonhaze.bandcamp.com/album/esther-von-haze.

 

maandag 9 juli 2018

The Innocence Mission - Sun On The Square

The Innocence Mission debuteerde in 1989 en heeft inmiddels een dozijn platen op haar naam staan. Het zijn voor een deel platen die ik koester, maar voor een deel ook platen die ik helemaal niet ken. 

De band uit Lancaster, Pennsylvania, trok met een aantal van haar platen veel aandacht en oogstte terecht lovende recensies, maar bracht net zo vaak platen uit die totaal onopgemerkt bleven. Het geldt gelukkig niet voor het onlangs verschenen Sun On The Square, dat al ruim voor de release onder mijn aandacht werd gebracht. 

The Innocence Mission maakte op haar op al weer bijna 30 jaar oude debuut vooral ingetogen muziek met flink wat invloeden uit de folk. Deze invloeden zijn gebleven, maar de muziek van de Amerikaanse band is in de loop der jaren alleen maar ingetogener geworden. 

Sun On The Square wordt gedragen door de mooie stem van zangeres Karen Peris, die met haar stem ergens tussen Edie Brickell en Harriet Wheeler (The Sundays) in zit. De mooie en heldere vocalen op de plaat worden omgeven door een spaarzaam ingezet arsenaal aan instrumenten. In het instrumentarium van de band staan akoestische gitaren centraal, maar de band verrijkt haar geluid op subtiele wijze met vooral strijkers en piano. 

De inzet van flink wat instrumenten voorziet het geluid van The Innocence Mission van verrassend veel kleur, maar het zijn uiterst subtiele kleuren. Sun On The Square is een sobere plaat waarop vooral de details van belang zijn. Deze details komen voor een deel van Karen Peris, die meer variatie aanbrengt in haar zang dan je bij eerste beluistering zult vermoeden. De rest van de band, aangevoerd door Don Peris, kleurt prachtig om de mooie vocalen heen en voorziet de nieuwe plaat van de band uit Pennsylvania van een geluid dat varieert van pastoraal tot sprookjesachtig. 

The Innocence Mission maakt muziek die in flink wat tracks dicht tegen traditionele folk aan zit, maar de band klinkt toch net wat anders dan de gemiddelde folkies. Toen ik de plaat op de achtergrond liet voortkabbelen had ik het na een paar tracks wel gehoord en sloeg de verveling toe, maar toen ik de plaat wat later met volledige aandacht beluisterde, kwamen alle songs op fascinerende wijze tot leven. 

De soms wat lieflijk en soms pastoraal klinkende stem van Karen Peris zal niet iedereen kunnen waarderen, maar ik vind het al die jaren na het zo bijzondere debuut nog steeds prachtig. Hetzelfde geldt voor de instrumentatie, die op uiterst subtiele wijze indrukwekkende spanningsbogen weet op te zetten en de zang van Karen Peris voorziet van de perfecte ondergrond. 

The Innocence Mission doet op Sun On The Square misschien geen hele spannende dingen, maar het spreekt me toch net wat meer aan dan de vorige platen van de band, die in muzikaal opzicht minder boeiden en ook minder indruk maakten met de songs. 

Het uiterst ingetogen Sun On The Square is zeker geen plaat voor alle momenten, maar zeker op de late avond of vroege ochtend betovert The Innocence Mission met songs die steeds meer aan diepte winnen en die laten horen dat de band uit Pennsylvania ook na bijna dertig jaar nog altijd bestaansrecht heeft en platen maakt die behoren tot het mooiste dat in het genre wordt gemaakt. Erwin Zijleman

De muziek van The Innocence Mission is ook verkrijgbaar via de bandcamp pagina van de band: https://theinnocencemission.bandcamp.com/album/sun-on-the-square.



 


zondag 8 juli 2018

Hadley McCall Thackston - Hadley McCall Thackston

Ik kan op het Internet nog niet heel veel vinden over Hadley McCall Thackston, maar wat ben ik onder de indruk van haar titelloze debuut, dat deze week ook in Nederland is verschenen. 

Hadley McCall Thackston is een jonge singer-songwriter uit Decatur, Georgia, die de muziek thuis met de paplepel kreeg ingegoten. Vanwege haar liefde voor alles wat Iers is, verruilde ze Georgia een aantal jaren geleden voor Ierland, waar ze begon aan een theater opleiding. 

De liefde voor de muziek bleek uiteindelijk groter dan de liefde voor het toneel en de carrière van Hadley McCall Thackston kreeg een boost toen een van haar demo’s in handen kwam van singer-songwriter David Corley, die de jonge muzikante uit Georgia vervolgens in contact bracht met zijn producer Hugh Christopher Brown. Het debuut van Hadley McCall Thackston werd vervolgens deels in Canada (de thuisbasis van de producer) en deels in de Verenigde Staten opgenomen en het is wat mij betreft een debuut dat overloopt van de belofte. 

De singer-songwriter uit Georgia maakt muziek die stevig is geworteld in de Amerikaanse rootsmuziek zoals die in het Zuiden van de Verenigde State wordt gemaakt. Het is muziek met vooral invloeden uit de folk en de country. In muzikaal opzicht doet het me wel wat denken aan de platen die bands als Po’Girl en de Be Good Tanyas het afgelopen decennium maakten en ook de soloplaten van Jolie Holland dragen relevant vergelijkingsmateriaal aan. 

Ik heb niet veel informatie over de muzikanten die op het debuut van Hadley McCall Thackston spelen, maar het zijn muzikanten die uitstekend uit de voeten kunnen met de rootsmuziek zoals die in het diepe Zuiden van de Verenigde Staten wordt gemaakt, met een glansrol voor de violist. Hugh Christopher Brown heeft al eerder laten horen dat hij heel goed weet hoe een goede Amerikaanse rootsplaat moet klinken en ook het debuut van Hadley McCall Thackston klinkt geweldig. 

De jonge Amerikaanse kijkt niet op een invloed meer of minder, waardoor haar titelloze debuut een verrassend veelzijdige plaat is geworden. Het is een plaat die behoorlijk traditioneel kan klinken, maar er staan ook een aantal songs op die als lichtvoetig kunnen worden bestempeld. 

Ook de teksten van Hadley McCall Thackston schieten meerdere kanten op. Haar debuut bevat een aantal liefdesliedjes, maar ze schuwt ook de politieke thema’s niet en spreekt haar afschuw uit over het grote aantal jonge zwarten in de Verenigde Staten dat ten onrechte of onnodig sneuvelt door politiekogels. Het geeft het debuut van Hadley McCall Thackston een bijzondere lading en het levert een aantal songs op die volwassener klinken dan haar leeftijd rechtvaardigt. 

Het titelloze debuut van Hadley McCall Thackston is in muzikaal, tekstueel en productioneel opzicht een interessante plaat, maar het sterkste wapen van de muzikante uit Georgia heb ik nog niet eens genoemd. Het is immers met name de zang op de plaat die diepe indruk maakt. 

Hadley McCall Thackston beschikt over een bijzonder stemgeluid en een heerlijke Zuidelijke tongval. Het is een stem die wel wat doet denken aan die van Jolie Holland, maar Hadley McCall Thackston heeft ook het onweerstaanbare (en ongrijpbare) dat de stem van Natalie Merchant heeft. Het tilt het debuut van de jonge Amerikaanse een flink stuk boven het maaiveld uit. Het is zoals gezegd een debuut dat overloopt van de belofte, maar het is ook een debuut dat direct mee kan met de beste platen van het moment in het genre. Ga dat horen. Erwin Zijleman

De muziek van Hadley McCall Thackston is ook verkrijgbaar via haar bandcamp pagina: https://hadleymccallthackston1.bandcamp.com/album/hadley-mccall-thackston-2.



 

zaterdag 7 juli 2018

The Essex Green - Hardly Electronic

The Essex Green kwam op deze BLOG nog niet eerder langs, terwijl ik de vorige drie platen van de band uit Brooklyn, New York, zeer kon waarderen. Toch wel enigszins tot mijn verbazing stamde het laatste wapenfeit van de band tot voor kort uit 2006, maar gelukkig is The Essex Green terug. 

In mijn herinnering maakte de band op Everything Is Green uit 1999, The Long Goodbye uit 2003 en Cannibal Sea uit 2006 een onweerstaanbaar zonnige mix van psychedelica, West Coast pop, soft rock, chamber pop, folk, country en indiepop en dat is een mix die het uitstekend doet bij de zomerse temperaturen van het moment.  

Het was zeker tien jaar geleden dat ik voor het laatst luisterde naar de muziek van de Amerikaanse band, maar hun nieuwe plaat, Hardly Electronic, had echt maar een paar noten nodig om me te overtuigen. Ook op hun vierde plaat strooit The Essex Green immers met geweldige popliedjes en het zijn stuk voor stuk popliedjes die de zon nog net wat feller laten schijnen. 

Net als op haar vorige platen kijkt The Essex Green op Hardly Electronic niet op een invloed of inspiratiebron meer of minder. De band wordt op Allmusic.com vooral vergeleken met een hele batterij wat obscuurdere bands, maar als ik luister naar de nieuwe plaat van de band blijf ik invloeden herkennen. The Mamas And The Papas, The Bangles, Lush, Neutral Milk Hotel, The Beatles, The Carpenters, 10cc, The New Pornographers; het zijn maar een paar van de vele namen die op komen wanneer ik naar de nieuwe plaat van The Essex Green luister. Hier moet ik absoluut de namen van Belle And Sebastian en Camera Obscura toevoegen, want de band uit New York heeft net als de Schotse voorbeelden een zwak voor lekker vol klinkende en bitterzoete indiepop. 

The Essex Green gooit alle hierboven genoemde invloeden op één hoop en mengt er vervolgens nog van alles doorheen. De band klinkt het ene moment zonnig en opgewekt, maar klinkt net zo makkelijk donker en melancholiek. Ook qua tempo kan het alle kanten op en hetzelfde geldt voor de instrumentatie en de vocalen (die worden gedragen door zanger Chris Ziter of zangeres Sasha Bell). 

Hardly Electronic van The Essex Green springt ook nog eens kris kras door een aantal decennia popmuziek, wat het veelkleurige karakter van de muziek van de band nog eens verder versterkt. Het is razend knap dat een band zoveel invloeden kan verwerken in haar muziek, maar nog steeds een herkenbaar eigen geluid kan hebben. Het is nog veel knapper dat The Essex Green er in slaagt om een serie songs te produceren die het oor niet alleen bijzonder aangenaam strelen, maar er ook in slagen om de fantasie genadeloos te prikkelen. 

Eigenzinnig en aanstekelijk gaan op Hardly Electronic hand in hand en zorgen er voor dat de vierde plaat van de band uit Brooklyn bij iedere beluistering nog net wat lekkerder, indrukwekkender en verslavender klinkt. Nu de plaat voor de zoveelste keer uit de speakers komt hoor ik weer totaal andere invloeden dan de invloeden die ik hierboven heb genoemd en ben ik nog wat gekker op de geweldige popliedjes van deze al weer bijna vergeten band. Nog een soundtrack voor een prachtige maar ook avontuurlijke zomer. Erwin Zijleman

De muziek van The Essex Green is ook verkrijgbaar via de bandcamp pagina van de band: https://theessexgreen.bandcamp.com/album/hardly-electronic.



 

vrijdag 6 juli 2018

Florence + The Machine - High As Hope

Het is al weer bijna tien jaar geleden dat Florence + The Machine door de Britse muziekpers werd uitgeroepen tot de meest veelbelovende band voor de komende jaren. 

Florence Welch en haar band maakten de belofte meer dan waar met het imponerende debuut Lungs, maar sindsdien ben ik lang niet altijd onder de indruk van de muziek van de Britse band, die wel erg opschoof in de richting van de grootse en meeslepende elektronische popmuziek. Ik was dan ook niet overdreven nieuwsgierig naar de vierde plaat van de Britse band, maar High As Hope is een verrassend sterke plaat. 

Direct in de openingstrack June verrast Florence + The Machine met verrassend ingetogen klanken, waardoor alle nadruk ligt op de stem van Florence Welch. Dat is een wijs besluit. De stem van de Florence Welch roept tot dusver gemengde reacties op, maar ik vind het zelf een geweldige zangeres, zeker wanneer emotie het wint van onderkoeling. De openingstrack van de vierde plaat van de band uit Londen overtuigt direct met vocalen vol gevoel, ook wanneer de instrumentatie aan het eind van de song toch weer wat opschuift richting groots en meeslepend. 

High As Hope sluit deels aan op zijn soms wat bombastische voorgangers, maar over het algemeen genomen neemt Florence & The Machine op haar nieuwe plaat vaker dan voorheen voorzichtig gas terug. High As Hope is een persoonlijke plaat waarop Florence Welch de strijd aanbindt met de demonen uit haar jeugd. Eetstoornissen, verslavingen, eenzaamheid, mislukte liefdes, familieruzies; het komt allemaal voorbij en alles wordt met evenveel passie en emotie bezongen. 

Florence Welch werd de afgelopen jaren steeds nadrukkelijker geschaard onder de electropop prinsessen, maar daarvoor vind ik de muzikante uit Londen toch net te interessant. Het debuut van Florence + The Machine werd niet voor niets vergeleken met platen van buitengewoon interessante collega’s als PJ Harvey, Patti Smith en Björk. 

Patti Smith wordt geëerd in Patricia, maar de naam die bij beluistering van High As Hope met afstand het meest bij me op komt is die van Kate Bush. Je hoort de invloed van Kate Bush terug in de instrumentatie, in alle toegevoegde geluidjes en in de zang. High As Hope klinkt hierdoor vaak als de plaat die Kate Bush had kunnen maken wanneer ze halverwege de jaren 80 de beschikking had gehad over alle techniek waarover Florence + The Machine kan beschikken. 

De criticus zal beweren dat de intimiteit het op High As Hope flink verliest van de bombast, maar wat mij betreft zijn de twee op de vierde plaat van Florence + The Machine in evenwicht. High As Hope biedt Florence Welch volop ruimte voor reflectie, maar natuurlijk gaat ze ook met enige regelmaat los op een manier die alleen zij beheerst. Het voorziet de plaat van ongelooflijk veel dynamiek en power, maar biedt ook een inkijkje in het persoonlijke leven van Florence Welch, wat de plaat een bijzondere lading geeft. De vorige heb ik laten lopen, maar High As Hope onderstreept wat mij betreft het tien jaar geleden ontdekte talent van Florence + The Machine. Erwin Zijleman



 

donderdag 5 juli 2018

Let's Eat Grandma - I'm All Ears

Rosa Walton en Jenny Hollingworth uit het Britse Norwich zijn bevriend sinds de kleuterklas en maken muziek sinds de brugklas. Op hun veertiende werd de wat melige naam Let’s Eat Grandma bedacht voor hun gezamenlijke muziekproject en twee jaar geleden verscheen het debuut van de destijds pas 17 jaar oude Britse muzikanten. 

I, Gemini vond ik twee jaar geleden een buitengewoon fascinerende plaat, die absoluut liet horen dat Rosa Walton en Jenny Hollingworth over heel veel talent beschikken, maar het kwam er wat mij betreft nog niet helemaal uit. De songs van het tweetal sprongen wel erg van de hak op de tak, de stemmen van de twee Britse tieners klonken wel erg meisjesachtig en hier en daar vond ik het net wat te gekunsteld. De minpunten wogen voor mij uiteindelijk niet op tegen de eigenzinnigheid en het avontuur op het debuut van Let’s Eat Grandma, maar de belofte van het Britse tweetal was overduidelijk. 

Rosa Walton en Jenny Hollingworth naderen inmiddels de twintig en hebben kunnen profiteren van alle lof die ze wisten te oogsten met hun debuut. Voor de tweede plaat van Let’s Eat Grandma konden de twee een beroep doen op meerdere aansprekende producers uit de electropop, onder wie de Schotse muzikante en producer SOPHIE en de van Frank Ocean, The Xx en Bat For Lashed bekende David Wrench. Van SOPHIE had ik eerlijk gezegd nog nooit gehoord, maar wat heeft de Schotse producer de tweede plaat van Let’s Eat Grandma voorzien van een groots klinkend elektronisch geluid. 

Het debuut van Rosa Walton en Jenny Hollingworth kon afwisselend in het hokje dream pop en het hokje electropop worden geduwd, maar op I’m All Ears domineert wat mij betreft de electropop. Het is een imposant geluid dat de producers van de plaat hebben neergezet, maar ondanks het feit dat Rosa Walton en Jenny Hollingworth de twintig nog niet zijn gepasseerd, hebben ze de touwtjes gelukkig stevig in handen. 

Het debuut van Let’s Eat Grandma ontleende een belangrijk deel van zijn kracht aan de eigenzinnigheid van het tweetal en ook I’m All Ears profiteert hier nadrukkelijk van. Op het debuut sloeg dit nog wel eens om in gekte of bakvissenhumor, maar Let’s Eat Grandma laat op haar tweede plaat geen steken vallen. 

Zeker de songs waarin de zwaar aangezette elektronische geluidstapijten van SOPHIE domineren zullen zeer in de smaak vallen bij liefhebbers van de betere electropop van bijvoorbeeld Grimes, maar ook fans van leeftijdgenoot Lorde zullen zeker gecharmeerd zijn van de meer toegankelijke songs op de tweede plaat van Let’s Eat Grandma. De twee Britse meiden kleuren echter zeker niet alleen binnen de lijntjes en gaan ook een paar keer flink los in lange tracks die een stiekeme maar intense voorliefde voor progrock verraden of verruilen de hedendaagse electropop voor 80’s synthpop. 

Hoe vaker je naar I’m All Ears luistert, hoe nadrukkelijker het avontuur op de nieuwe plaat van Let’s Eat Grandma aan de oppervlakte komt en hoe spannender de plaat wordt. Het is bijna niet te geloven dat twee meiden van 19 verantwoordelijk zijn voor een zo spannend en avontuurlijk geluid, waarin het toegankelijke electropop geluid ieder moment kan worden doorsneden door bijzondere accenten en waarin uitstapjes buiten de gebaande paden eerder regel dan uitzondering zijn, net als op de onlangs verschenen prachtplaat van Melody’s Echo Chamber, waarmee ik wel wat raakvlakken hoor. Razend knappe plaat van deze twee piepjonge meiden. Erwin Zijleman

De digitale versie van de tweede plaat van Let's Eat Grandma is ook verkrijgbaar via de bandcamp pagina van het duo: https://letseatgrandma.bandcamp.com.



 

woensdag 4 juli 2018

Jim James - Uniform Distortion

Het is een knap stapeltje platen dat Jim James, ook bekend als Yim Yames en geboren als James Edward Olliges Jr., inmiddels op zijn naam heeft staan. 

De muzikant uit Louisville, Kentucky, (maar tegenwoordig woonachtig in Los Angeles) brak ooit door met de prachtband My Morning Jacket, maakte deel uit van de aansprekende gelegenheidsformaties The New Basement Tapes en Monsters of Folk en heeft de afgelopen jaren ook een stapeltje prima soloplaten afgeleverd. 

Ik was persoonlijk zeer gecharmeerd van Regions Of Light And Sound Of God uit 2013 en Eternally Even uit 2016 en ook de covers plaat Tribute To 2 van vorig jaar mocht er best zijn. Alle reden dus om nieuwsgierig te zijn naar Uniform Distortion dat vorige week verscheen. 

Ik heb de plaat een aantal keren gehoord en na mijn eerste teleurstelling begint de plaat inmiddels te groeien. Jim James maakt het de luisteraar op vrijwel al zijn platen soms makkelijk en soms moeilijk en Uniform Distortion is wat dat betreft geen uitzondering. Een deel van de songs op de plaat dringt zich makkelijk op met memorabele melodieën en songs vol invloeden uit vervlogen tijden, maar ik hoor bij Jim James ook altijd wel songs waarin de Amerikaanse muzikant zich er wel erg makkelijk van af lijkt te maken en direct veel minder indruk maakt. Dat is ook bij beluistering van Uniform Distortion weer het geval, maar ook dit keer beschikt een deel van de wat mindere songs over groeipotentie. 

Jim James maakt vaak muziek met een stevige hang naar het verleden en dat is op zijn nieuwe plaat niet anders. Uniform Distortion laat zich met grote regelmaat beluisteren als de spreekwoordelijke omgevallen platenkast en dit keer liggen de platen van Neil Young en zijn band Crazy Horse wat mij betreft bovenop. Met wat onvaste maar emotievolle vocalen, geweldige melodieën en heerlijk gruizig maar tegelijkertijd melodieus gitaarwerk eert Jim James een paar keer de oude meester, maar Uniform Distortion blijft zeker niet steken in de jaren 70. 

Jim James maakte de afgelopen zowel uiterst ingetogen akoestische platen als door heel veel synths gedragen elektronische platen, maar zijn nieuwe plaat is een rockplaat. Het is een rockplaat die imponeert met een aantal songs die zo uit een vergeten sessie van Neil Young afkomstig zouden kunnen zijn, maar Jim James komt ook op de proppen met een aantal rechttoe rechtaan stampers (in de tweede track lijkt de man zelfs geïnspireerd door Status Quo en later komen ook de Ramones nog voorbij) en met een aantal songs die opschuiven in de richting van de 90s indie-rock van Dinosaur Jr., dat een deel van de mosterd natuurlijk ook in het verleden haalde. 

Uniform Distortion klinkt hier en daar als een plaat die Jim James op een verloren avond of in een dronken bui heeft gemaakt, waardoor ik bij eerste beluistering niet erg onder de indruk was van de plaat. De nieuwe plaat van de Amerikaanse muzikant wordt echter snel beter, waarna de balans in de goede richting doorslaat en het losse en ontspannen karakter van de songs de plaat een boost geeft. Erwin Zijleman

De muziek van Jim James is ook verkrijgbaar via zijn bandcamp pagina: https://jimjames.bandcamp.com/releases.



 

dinsdag 3 juli 2018

Habitants - One Self

Habitants is een nieuwe Nederlandse band met een aantal oudgedienden. Frank Boeijen (niet te verwarren met de Nederlandstalige singer-songwriter uit Nijmegen) en René Rutten maken deel uit van The Gathering, dat sinds het begin van de jaren 90 stevig aan de weg timmerde, maar het vertrek van zangeres Anneke van Giersbergen in 2007 eigenlijk nooit volledig te boven kwam, al weet je maar nooit wat de toekomst brengt. 

In Habitants werken Frank Boeijen (als gastmuzikant) en René Rutten samen met Gema Perèz, Mirte Heutmekers, Jerôme Miedendorp de Bie (Drive by Wire) en zangeres Anne van den Hoogen. 

Met name die laatste naam is verrassend. Anne van den Hoogen droeg weliswaar bij aan één van de platen in het post Anneke van Giersbergen tijdperk van The Gathering, maar maakte aan het begin van dit jaar ook behoorlijk wat indruk met het debuut van Rosemary & Garlic. Wat precies de status van Habitants is weet ik niet, maar het zou jammer zijn als Rosemary & Garlic het al na één plaat voor gezien zou houden. 

Dat betekent overigens niet dat Anne van den Hoogen geen indruk maakt als zangeres van Habitants, want dat doet ze zeker. We kennen de Nederlandse zangeres vooral van prachtig ingetogen luisterliedjes met heldere vocalen, maar op de plaat van Habitants laat ze horen dat ze ook in een aantal andere genres uitstekend uit de voeten kan. 

One Self, het debuut van Habitants, is gezien de voorgeschiedenis van de meeste muzikanten in de band een verrassend ingetogen plaat. Het is ook een plaat vol melancholie, wat ongetwijfeld te maken heeft met de dood van de pasgeboren zoon van Gema Perèz en René Rutten. Het voorziet het debuut van Habitants van een wat donkere ondertoon, maar de eerste plaat van de Nederlandse band straalt ook kracht uit. 

In muzikaal opzicht zijn er af en toe raakvlakken met de muziek van The Gathering (dat zich tijdens haar lange bestaan zeker niet beperkte tot één genre), maar de muziek van Habitants schiet ook alle kanten op. Hier en daar hoor je gothrock, af en toe wat shoegaze, maar Habitants is ook niet bang voor of vies van invloeden uit de progrock of de dromerige en atmosferische sfeermuziek van een band als The Cocteau Twins. In muzikaal opzicht gebeurt er van alles en ondanks het feit dat het debuut van de band een behoorlijk ingetogen plaat is kan One Self heel af en toe ook flink uit de bocht vliegen of verrassen met uitstapjes buiten de gebaande paden. 

Het instrumentarium op de plaat is vooral stemmig, breed uitwaaiend en licht mysterieus, wat prachtig past bij de geweldige stem van Anne van den Hoogen. De Nederlandse zangeres maakte zoals gezegd indruk op het debuut van Rosemary & Garlic, maar op het debuut van Habitants imponeert ze met prachtig heldere vocalen die alle kanten op kunnen. Het ene moment klinkt de zang op de plaat fluisterzacht, maar ook in de wat stevigere tracks blijft Anne van den Hoogen makkelijk overeind. Het zijn bovendien vocalen die overlopen van gevoel, wat het donkere geluid van de plaat extra beklemmend maakt.

Ik ontdekte het debuut van Habitants in eerste instantie vanwege de bijzondere hoes van het album, maar de muziek op de plaat heeft inmiddels een indrukwekkend groeiproces doorgemaakt, waardoor alle songs op de plaat flink aan kracht en impact hebben gewonnen. The Gathering heeft misschien wat te lang doorgemodderd, maar in Habitants heeft de legendarische band een waardig opvolger gevonden. Er komt nog altijd veel te veel uit, maar deze prachtplaat van eigen bodem mag echt niet blijven liggen. 'Music noir' noemt de band het zelf, maar daarmee doet het dit prachtige en verrassend veelkleurige debuut wat mij betreft wat tekort. Ik hoor zelf alle kleuren van de regenboog. Prachtplaat. Erwin Zijleman

Het debuut van Habitants is verkrijgbaar via de bandcamp pagina van de band: https://habitantsband.bandcamp.com/releases.

 

maandag 2 juli 2018

Gwenifer Raymond - You Never Were Much Of A Dancer

Gwenifer Raymond is een jonge muzikante uit Wales die door Nirvana’s versie van Lead Belly’s Where Did You Sleep Last Night (op het album MTV Unplugged In New York) geïnteresseerd raakte in stokoude Amerikaanse blues en in het bespelen van de gitaar. Haar gitaarleraar liet haar vervolgens kennis maken met het unieke gitaarspel van John Fahey en alles komt nu samen op Gwenifer Raymond’s debuut You Never Were Much Of A Dancer. 

Althans, dat is het verhaal volgens de Britse kwaliteitskrant The Guardian. In haar eigen biografie wordt Nirvana’s Nevermind genoemd als belangrijkste reden om gitaar te gaan spelen en kwam de oude Amerikaanse blues en folk via goedkope verzamel cd’s terecht in huize Raymond. 

Ik vind het verhaal van The Guardian mooier, dus voorlopig hou ik daar maar aan vast. Ook het debuut van Gwenifer Raymond laat ik niet los, al ging dat zeker niet vanzelf. Het is een debuut waar ik nog niet al te veel over kan vinden en het is bovendien een debuut waar ik bij eerste beluistering niet veel mee kon en dat geldt waarschijnlijk voor meer muziekliefhebbers. 

De jonge muzikante kan inmiddels op meerdere instrumenten uit de voeten en heeft haar debuut in haar eentje volgespeeld. You Never Were Much Of A Dancer opent met fluitende vogeltjes en een weemoedige en wat Oosters klinkende viool, maar na een minuut is Gwenifer Raymond zelf aan zet. 

In de tweede track laat ze horen dat ze stevig is beïnvloed door het finkerpicking gitaarspel van John Fahey en imponeert de muzikante uit Wales met snel en onnavolgbaar akoestisch gitaarspel. Ik was er van overtuigd dat er op een gegeven moment een mooie folky stem zou invallen, maar dat gebeurt niet. In de derde track laat Gwenifer Raymond horen dat ze ook met de banjo geweldige dingen kan doen, maar vocalen blijven ook dit keer uit. Wanneer je het ook in de vierde track moet doen met bijzonder fraai gitaarspel, weet je dat de zang niet meer gaat komen. 

Dat is in eerste instantie even slikken, want hoeveel instrumentale platen ken je die interessant genoeg zijn om meerdere keren te beluisteren? Ik ken er niet zo gek veel en was er van overtuigd dat ook het debuut van Gwenifer Raymond snel zou gaan vervelen, maar dat is zeker niet het geval. 

De muzikante uit Wales, die tegenwoordig het Engelse Brighton als uitvalsbasis heeft, raakte ooit (al dan niet door Nirvana) verknocht aan de traditionele Amerikaanse folk en blues en het zijn deze invloeden die domineren op You Never Were Much Of A Dancer. Luister naar het debuut van Gwenifer Raymond en de beelden van onherbergzame dorpen in de Appalachen of de broeierige oevers van de Mississippi verschijnen op het netvlies. 

Het snarenwerk op de plaat (naast akoestische gitaar en banjo speelt de jonge Britse ook nog slide gitaar) is soms razendsnel en onnavolgbaar, maar Gwenifer Raymond kan ook Ry Cooder naar de kroon steken met bijzonder loom slide spel dat niet had misstaan op de Paris, Texas, soundtrack en eert uiteraard haar held John Fahey veelvuldig, onder andere in het mooie Requiem For John Fahey. 

In iedere track hoor je net weer andere klanken en na enige gewenning komen alle tracks tot leven. You Never Were Much Of A Dancer is zeker geen plaat voor alle momenten, maar zo op zijn tijd is het debuut van Gwenifer Raymond wonderschoon en buitengewoon fascinerend. Erwin Zijleman

Het debuut van Gwenifer Raymond is ook verkrijgbaar via haar bandcamp pagina: https://gweniferraymond.bandcamp.com/album/you-never-were-much-of-a-dancer.